2 שְׁמוּאֵל

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 2
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 שְׁמוּאֵל 2

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויהי אחרי כן וישאל דוד ביהוה לאמר האעלה באחת ערי יהודה ויאמר יהוה אליו עלה ויאמר דוד אנה אעלה ויאמר חברנה׃
1Na dit alles raadpleegde David Jahweh: Moet ik optrekken naar een of andere stad in Juda? Jahweh antwoordde hem: Ja. David hernam: Waarheen moet ik optrekken? Hij antwoordde: Naar Hebron.
2ויעל שם דוד וגם שתי נשיו אחינעם היזרעלית ואביגיל אשת נבל הכרמלי׃
2Zo trok David daarheen, met zijn beide vrouwen Achinóam uit Jizreël, en Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel.
3ואנשיו אשר עמו העלה דוד איש וביתו וישבו בערי חברון׃
3Ook de manschappen, die hem gevolgd waren, liet David er heen trekken, ieder met zijn gezin; en zij vestigden zich in de verschillende wijken van Hebron.
4ויבאו אנשי יהודה וימשחו שם את דוד למלך על בית יהודה ויגדו לדוד לאמר אנשי יביש גלעד אשר קברו את שאול׃
4Toen kwamen de Judeërs, en zalfden David daar tot koning over het huis Juda. Toen David hoorde, dat de burgers van Jabesj in Gilad Saul begraven hadden,
5וישלח דוד מלאכים אל אנשי יביש גלעד ויאמר אליהם ברכים אתם ליהוה אשר עשיתם החסד הזה עם אדניכם עם שאול ותקברו אתו׃
5zond hij boden naar de burgers van Jabesj in Gilad en liet hun zeggen: Gezegend zijt gij door Jahweh, omdat gij uw heer Saul deze liefdedienst bewezen en hem begraven hebt.
6ועתה יעש יהוה עמכם חסד ואמת וגם אנכי אעשה אתכם הטובה הזאת אשר עשיתם הדבר הזה׃
6Moge Jahweh u daarom liefde betonen en trouw! Maar ook ik zal u belonen, omdat gij deze daad hebt verricht.
7ועתה תחזקנה ידיכם והיו לבני חיל כי מת אדניכם שאול וגם אתי משחו בית יהודה למלך עליהם׃
7Houdt goede moed en gedraagt u als helden; want al is uw heer Saul gestorven, het huis Juda heeft mij tot koning over hen gezalfd.
8ואבנר בן נר שר צבא אשר לשאול לקח את איש בשת בן שאול ויעברהו מחנים׃
8Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Saul, had de partij van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, gekozen. Hij liet hem naar Machanáim overkomen,
9וימלכהו אל הגלעד ואל האשורי ואל יזרעאל ועל אפרים ועל בנימן ועל ישראל כלה׃
9en verhief hem tot koning over Gilad en de Aserieten, over Jizreël, Efraïm en Benjamin, kortom over geheel Israël.
10בן ארבעים שנה איש בשת בן שאול במלכו על ישראל ושתים שנים מלך אך בית יהודה היו אחרי דוד׃
10Isj-Bósjet, de zoon van Saul, was veertig jaar oud, toen hij koning van Israël werd, en twee jaar heeft hij geregeerd. Alleen dus het huis Juda hield het met David.
11ויהי מספר הימים אשר היה דוד מלך בחברון על בית יהודה שבע שנים וששה חדשים׃
11De tijd, dat David te Hebron over het huis Juda regeerde, bedroeg zeven jaar en zes maanden.
12ויצא אבנר בן נר ועבדי איש בשת בן שאול ממחנים גבעונה׃
12Eens trok Abner, de zoon van Ner, met de dienaren van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, van Machanáim naar Gibon.
13ויואב בן צרויה ועבדי דוד יצאו ויפגשום על ברכת גבעון יחדו וישבו אלה על הברכה מזה ואלה על הברכה מזה׃
13Ook Joab, de zoon van Seroeja, was met de aanhangers van David uitgerukt. Zij stietten op elkaar bij de vijver van Gibon. Daar ze elk één kant van de vijver bezet hielden,
14ויאמר אבנר אל יואב יקומו נא הנערים וישחקו לפנינו ויאמר יואב יקמו׃
14deed Abner aan Joab het voorstel: Laat de soldaten onder ons toezicht een steekspel houden! Joab zeide: Goed!
15ויקמו ויעברו במספר שנים עשר לבנימן ולאיש בשת בן שאול ושנים עשר מעבדי דוד׃
15En volgens een overeengekomen getal traden twaalf Benjamieten van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, en twaalf van de aanhangers van David vooruit, en stelden zich tegenover elkander op.
16ויחזקו איש בראש רעהו וחרבו בצד רעהו ויפלו יחדו ויקרא למקום ההוא חלקת הצרים אשר בגבעון׃
16Ze grepen elkaar bij de haren, en daar ieder zijn zwaard in de lenden van zijn tegenstander dreef, vielen ze allen tegelijkertijd neer. Vandaar dat die plek “Veld der Lenden” heet; ze ligt bij Gibon.
17ותהי המלחמה קשה עד מאד ביום ההוא וינגף אבנר ואנשי ישראל לפני עבדי דוד׃
17Maar daarop ontstond toen een buitengewoon heftig gevecht, waarbij Abner met de manschappen van Israël de nederlaag leed voor de aanhangers van David.
18ויהיו שם שלשה בני צרויה יואב ואבישי ועשהאל ועשהאל קל ברגליו כאחד הצבים אשר בשדה׃
18Nu waren de drie zonen van Seroeja daarbij tegenwoordig: Joab, Abisjai en Asaël. En daar Asaël vlug ter been was als een gazel op de vlakte,
19וירדף עשהאל אחרי אבנר ולא נטה ללכת על הימין ועל השמאול מאחרי אבנר׃
19rende hij Abner achterna, en liet rechts noch links van Abner af.
20ויפן אבנר אחריו ויאמר האתה זה עשהאל ויאמר אנכי׃
20Omkijkend riep Abner: Zijt gij dat, Asaël? Hij riep terug: Ja!
21ויאמר לו אבנר נטה לך על ימינך או על שמאלך ואחז לך אחד מהנערים וקח לך את חלצתו ולא אבה עשהאל לסור מאחריו׃
21Abner riep hem toe: Ga rechts of links, pak den een of ander van de sol daten aan, en ontneem hèm zijn wapenrusting. Maar Asaël wilde niet van hem wijken.
22ויסף עוד אבנר לאמר אל עשהאל סור לך מאחרי למה אככה ארצה ואיך אשא פני אל יואב אחיך׃
22Daarom riep Abner tot Asaël nog eens: Ga toch van mij weg; anders moet ik u neerslaan, en hoe kan ik dan nog voor uw broer Joab verschijnen?
23וימאן לסור ויכהו אבנר באחרי החנית אל החמש ותצא החנית מאחריו ויפל שם וימת תחתו ויהי כל הבא אל המקום אשר נפל שם עשהאל וימת ויעמדו׃
23Toen hij nu nog niet wilde wijken, trof Abner hem met een achterwaartse beweging zo in de buik, dat de lans er van achteren weer uitkwam; hij viel neer en bleef op de plek dood. En iedereen, die bij de plek kwam, waar Asaël gevallen en gestorven was, bleef er bij stil staan.
24וירדפו יואב ואבישי אחרי אבנר והשמש באה והמה באו עד גבעת אמה אשר על פני גיח דרך מדבר גבעון׃
24Ook Joab en Abisjai zetten Abner achterna. Tegen zonsondergang bereikten ze Gibat-Amma, dat tegenover Giach ligt, op de weg naar de woestijn van Gibon,
25ויתקבצו בני בנימן אחרי אבנר ויהיו לאגדה אחת ויעמדו על ראש גבעה אחת׃
25waar de Benjamieten zich om Abner hadden verzameld, en in gesloten rijen op de top van Gibat-Amma hadden postgevat.
26ויקרא אבנר אל יואב ויאמר הלנצח תאכל חרב הלוא ידעתה כי מרה תהיה באחרונה ועד מתי לא תאמר לעם לשוב מאחרי אחיהם׃
26Toen riep Abner tot Joab: Moet het zwaard nu eeuwig woeden? Voelt ge dan niet dat het tenslotte verkeerd moet aflopen? Hoe lang wacht ge nog, het volk te bevelen, de achtervolging van hun broeders te staken?
27ויאמר יואב חי האלהים כי לולא דברת כי אז מהבקר נעלה העם איש מאחרי אחיו׃
27Joab antwoordde: Zo waar God leeft; zo ge niet gesproken hadt, ja dan zou het volk eerst morgenvroeg de achtervolging hebben opgegeven.
28ויתקע יואב בשופר ויעמדו כל העם ולא ירדפו עוד אחרי ישראל ולא יספו עוד להלחם׃
28Toen blies Joab de trompet, en het hele volk maakte halt. Het achtervolgde Israël niet langer, en de strijd werd gestaakt.
29ואבנר ואנשיו הלכו בערבה כל הלילה ההוא ויעברו את הירדן וילכו כל הבתרון ויבאו מחנים׃
29Abner met zijn manschappen trokken heel die nacht door de Jordaanvlakte verder, staken de Jordaan over en bereikten na een mars van een halve dag Machanáim.
30ויואב שב מאחרי אבנר ויקבץ את כל העם ויפקדו מעבדי דוד תשעה עשר איש ועשהאל׃
30Toen Joab de achtervolging van Abner had opgegeven en al het volk had verzameld, werden er van de aanhangers van David behalve Asaël negentien man vermist;
31ועבדי דוד הכו מבנימן ובאנשי אבנר שלש מאות וששים איש מתו׃
31maar de aanhangers van David hadden van Benjamin, dus van Abners manschappen, drie honderd zestig man verslagen.
32וישאו את עשהאל ויקברהו בקבר אביו אשר בית לחם וילכו כל הלילה יואב ואנשיו ויאר להם בחברון׃
32Men droeg Asaël weg, en begroef hem in het graf van zijn vader te Betlehem. Daarna trok Joab met zijn manschappen heel de nacht verder, en bereikte Hebron, toen het dag werd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.