2 שְׁמוּאֵל

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 11
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 שְׁמוּאֵל 11

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויהי לתשובת השנה לעת צאת המלאכים וישלח דוד את יואב ואת עבדיו עמו ואת כל ישראל וישחתו את בני עמון ויצרו על רבה ודוד יושב בירושלם׃
1Bij de jaarwisseling, de tijd waarop de koningen gewoonlijk te velde trekken, zond David Joab met zijn eigen soldaten en geheel Israël er op uit; ze teisterden de Ammonieten en sloegen het beleg om Rabba. David zelf was echter in Jerusalem achtergebleven.
2ויהי לעת הערב ויקם דוד מעל משכבו ויתהלך על גג בית המלך וירא אשה רחצת מעל הגג והאשה טובת מראה מאד׃
2Nu gebeurde het eens tegen de avond, dat David, van zijn rustbed opgestaan en rondwandelend op het dak van het koninklijk paleis, van het dak af een vrouw zag, die een bad nam; het was een zeer mooie vrouw.
3וישלח דוד וידרש לאשה ויאמר הלוא זאת בת שבע בת אליעם אשת אוריה החתי׃
3David liet onderzoeken, wie de vrouw was. Men zeide hem: Het is Bat-Sjéba, de dochter van Eliam, de vrouw van Oerija, den Chittiet.
4וישלח דוד מלאכים ויקחה ותבוא אליו וישכב עמה והיא מתקדשת מטמאתה ותשב אל ביתה׃
4Toen liet David haar halen. Ze kwam bij hem en hij had gemeenschap met haar, juist nadat ze zich gezuiverd had van haar stonden; daarna keerde ze naar haar woning terug.
5ותהר האשה ותשלח ותגד לדוד ותאמר הרה אנכי׃
5Maar de vrouw was zwanger geworden, en liet David weten, dat ze zwanger geworden was.
6וישלח דוד אל יואב שלח אלי את אוריה החתי וישלח יואב את אוריה אל דוד׃
6Daarom gaf David aan Joab het bevel: Stuur Oerija, den Chittiet, naar mij toe. En Joab stuurde Oeri-ja naar David.
7ויבא אוריה אליו וישאל דוד לשלום יואב ולשלום העם ולשלום המלחמה׃
7Toen Oerija bij hem gekomen was, vroeg David, hoe het ging met Joab en het volk en of de strijd voorspoedig verliep.
8ויאמר דוד לאוריה רד לביתך ורחץ רגליך ויצא אוריה מבית המלך ותצא אחריו משאת המלך׃
8Daarna zeide hij tot Oerija: Ga maar naar huis, en was uw voeten. Zelfs werd Oeri-ja, toen hij het koninklijk paleis had verlaten, een ereschotel van den koning achterna gebracht.
9וישכב אוריה פתח בית המלך את כל עבדי אדניו ולא ירד אל ביתו׃
9Maar Oerija ging slapen aan de ingang van het koninklijk paleis, bij al de andere dienaren van zijn heer, en hij ging niet naar huis.
10ויגדו לדוד לאמר לא ירד אוריה אל ביתו ויאמר דוד אל אוריה הלוא מדרך אתה בא מדוע לא ירדת אל ביתך׃
10Toen men David vertelde, dat Oeri-ja niet naar huis was gegaan, zeide David tot hem: Ge komt toch van een reis terug; waarom zijt ge dan niet naar huis gegaan?
11ויאמר אוריה אל דוד הארון וישראל ויהודה ישבים בסכות ואדני יואב ועבדי אדני על פני השדה חנים ואני אבוא אל ביתי לאכל ולשתות ולשכב עם אשתי חיך וחי נפשך אם אעשה את הדבר הזה׃
11Oerija gaf David ten antwoord: De ark en Israël met Juda zijn in hutten ondergebracht; mijn meester Joab en de eigen soldaten van mijn heer hebben hun kamp in de open lucht; en zou ik dan thuis gaan eten en drinken, en met mijn vrouw gaan slapen? Zowaar Jahweh leeft en bij uw leven, dat doe ik niet!
12ויאמר דוד אל אוריה שב בזה גם היום ומחר אשלחך וישב אוריה בירושלם ביום ההוא וממחרת׃
12Nu zeide David tot Oerija: Blijf vandaag nog hier, dan zal ik u morgen laten vertrekken. Zo bleef Oerija die dag in Jerusalem.
13ויקרא לו דוד ויאכל לפניו וישת וישכרהו ויצא בערב לשכב במשכבו עם עבדי אדניו ואל ביתו לא ירד׃
13De volgende dag nodigde David hem uit, om bij hem te eten en te drinken; maar ofschoon de koning hem dronken maakte, ging hij ‘s avonds slapen op zijn plekje bij de andere dienaren des konings, en hij ging niet naar huis.
14ויהי בבקר ויכתב דוד ספר אל יואב וישלח ביד אוריה׃
14De volgende morgen schreef David aan Joab een brief, die hij door Oerija liet overbrengen.
15ויכתב בספר לאמר הבו את אוריה אל מול פני המלחמה החזקה ושבתם מאחריו ונכה ומת׃
15Hij schreef in die brief: Geeft Oerija een vooruitgeschoven post, waar de strijd het gevaarlijkst is, en trekt u dan van hem terug, opdat hij getroffen wordt en sneuvelt.
16ויהי בשמור יואב אל העיר ויתן את אוריה אל המקום אשר ידע כי אנשי חיל שם׃
16Joab plaatste dus bij het beleg van de stad Oerija op een punt, waarvan hij wist, dat er geduchte krijgers stonden;
17ויצאו אנשי העיר וילחמו את יואב ויפל מן העם מעבדי דוד וימת גם אוריה החתי׃
17en toen de burgers van de stad een uitval deden, en slaags raakten met Joab, vielen er enigen van het krijgsvolk en Davids eigen soldaten; ook Oerija sneuvelde, de Chittiet.
18וישלח יואב ויגד לדוד את כל דברי המלחמה׃
18Daar Joab aan David verslag moest uitbrengen over het verloop van het gevecht,
19ויצו את המלאך לאמר ככלותך את כל דברי המלחמה לדבר אל המלך׃
19gaf hij aan den boodschapper deze opdracht mee: Als ge het verloop van het gevecht hebt verteld,
20והיה אם תעלה חמת המלך ואמר לך מדוע נגשתם אל העיר להלחם הלוא ידעתם את אשר ירו מעל החומה׃
20en de koning soms kwaad wordt, Waarom hebt gij ook zo dicht bij de stad gevochten? Gij weet toch wel, dat ze boven van de muur met stenen gooien?
21מי הכה את אבימלך בן ירבשת הלוא אשה השליכה עליו פלח רכב מעל החומה וימת בתבץ למה נגשתם אל החומה ואמרת גם עבדך אוריה החתי מת׃
21Wie heeft Abimélek getroffen, den zoon van Jeroebbósjet? Een vrouw nietwaar, die van de muur af een molensteen op hem neerwierp, waardoor hij de dood vond in Tébes. Waarom zijt gij dan zo dicht bij de muur gekomen? dan moet ge zeggen: Ook uw dienaar Oerija, de Chittiet, is gesneuveld.
22וילך המלאך ויבא ויגד לדוד את כל אשר שלחו יואב׃
22De boodschapper ging dus op weg, en bij David gekomen, bracht hij hem het bericht over, dat Joab hem had meegegeven, en het gehele verloop van de strijd. David werd kwaad en sprak tot den boodschapper:
23ויאמר המלאך אל דוד כי גברו עלינו האנשים ויצאו אלינו השדה ונהיה עליהם עד פתח השער׃
23De boodschapper gaf David ten antwoord: De mannen waren ons te sterk; ze deden een uitval tegen ons in het open veld. En toen wij ze terugsloegen tot vlak voor de poort,
24ויראו המוראים אל עבדך מעל החומה וימותו מעבדי המלך וגם עבדך אוריה החתי מת׃
24schoten de schutters van de muur af op uw eigen soldaten, zodat er enigen van ‘s konings eigen soldaten zijn gesneuveld; ook uw dienaar Oerija, de Chittiet, is gesneuveld.
25ויאמר דוד אל המלאך כה תאמר אל יואב אל ירע בעיניך את הדבר הזה כי כזה וכזה תאכל החרב החזק מלחמתך אל העיר והרסה וחזקהו׃
25Toen zeide David tot den boodschapper: Zeg maar tegen Joab, dat hij zich dat voorval niet te hard aantrekt. Want het zwaard woedt nu hier, dan daar. Doe nog een krachtiger aanval op de stad, en maak haar met de grond gelijk. Zo moet ge hem moed inspreken.
26ותשמע אשת אוריה כי מת אוריה אישה ותספד על בעלה׃
26Toen de vrouw van Oerija vernam, dat Oerija, haar man, gestorven was, droeg ze rouw over haar heer.
27ויעבר האבל וישלח דוד ויאספה אל ביתו ותהי לו לאשה ותלד לו בן וירע הדבר אשר עשה דוד בעיני יהוה׃
27En toen de rouwtijd voorbij was, liet David haar in zijn paleis opnemen. Zij werd zijn vrouw en schonk hem een zoon. Maar wat David gedaan had, was kwaad in de ogen van Jahweh.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.