2 Samuel 2
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And it came to pass after this, that David inquired of the LORD, saying: 'Shall I go up into any of the cities of Judah?' And the LORD said unto him: 'Go up.' And David said: 'Whither shall I go up?' And He said: 'Unto Hebron.'
1Na dit alles raadpleegde David Jahweh: Moet ik optrekken naar een of andere stad in Juda? Jahweh antwoordde hem: Ja. David hernam: Waarheen moet ik optrekken? Hij antwoordde: Naar Hebron.
2So David went up thither, and his two wives also, Ahinoam the Jezreelitess, and Abigail the wife of Nabal the Carmelite.
2Zo trok David daarheen, met zijn beide vrouwen Achinóam uit Jizreël, en Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel.
3And his men that were with him did David bring up, every man with his household; and they dwelt in the cities of Hebron.
3Ook de manschappen, die hem gevolgd waren, liet David er heen trekken, ieder met zijn gezin; en zij vestigden zich in de verschillende wijken van Hebron.
4And the men of Judah came, and they there anointed David king over the house of Judah. And they told David, saying: 'The men of Jabesh-gilead were they that buried Saul.'
4Toen kwamen de Judeërs, en zalfden David daar tot koning over het huis Juda. Toen David hoorde, dat de burgers van Jabesj in Gilad Saul begraven hadden,
5And David sent messengers unto the men of Jabesh-gilead, and said unto them: 'Blessed be ye of the LORD, that ye have shown this kindness unto your lord, even unto Saul, and have buried him.
5zond hij boden naar de burgers van Jabesj in Gilad en liet hun zeggen: Gezegend zijt gij door Jahweh, omdat gij uw heer Saul deze liefdedienst bewezen en hem begraven hebt.
6And now the LORD show kindness and truth unto you; and I also will requite you this kindness, because ye have done this thing.
6Moge Jahweh u daarom liefde betonen en trouw! Maar ook ik zal u belonen, omdat gij deze daad hebt verricht.
7Now therefore let your hands be strong, and be ye valiant; for Saul your lord is dead, and also the house of Judah have anointed me king over them.'
7Houdt goede moed en gedraagt u als helden; want al is uw heer Saul gestorven, het huis Juda heeft mij tot koning over hen gezalfd.
8Now Abner the son of Ner, captain of Saul's host, had taken Ish-bosheth the son of Saul, and brought him over to Mahanaim;
8Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Saul, had de partij van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, gekozen. Hij liet hem naar Machanáim overkomen,
9and he made him king over Gilead, and over the Ashurites, and over Jezreel, and over Ephraim, and over Benjamin, and over all Israel.
9en verhief hem tot koning over Gilad en de Aserieten, over Jizreël, Efraïm en Benjamin, kortom over geheel Israël.
10Ish-bosheth Saul's son was forty years old when he began to reign over Israel, and he reigned two years. But the house of Judah followed David.
10Isj-Bósjet, de zoon van Saul, was veertig jaar oud, toen hij koning van Israël werd, en twee jaar heeft hij geregeerd. Alleen dus het huis Juda hield het met David.
11And the time that David was king in Hebron over the house of Judah was seven years and six months.
11De tijd, dat David te Hebron over het huis Juda regeerde, bedroeg zeven jaar en zes maanden.
12And Abner the son of Ner, and the servants of Ish-bosheth the son of Saul, went out from Mahanaim to Gibeon.
12Eens trok Abner, de zoon van Ner, met de dienaren van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, van Machanáim naar Gibon.
13And Joab the son of Zeruiah, and the servants of David, went out; and they met together by the pool of Gibeon, and sat down, the one on the one side of the pool, and the other on the other side of the pool.
13Ook Joab, de zoon van Seroeja, was met de aanhangers van David uitgerukt. Zij stietten op elkaar bij de vijver van Gibon. Daar ze elk één kant van de vijver bezet hielden,
14And Abner said to Joab: 'Let the young men, I pray thee, arise and play before us.' And Joab said: 'Let them arise.'
14deed Abner aan Joab het voorstel: Laat de soldaten onder ons toezicht een steekspel houden! Joab zeide: Goed!
15Then they arose and passed over by number: twelve for Benjamin, and for Ish-bosheth the son of Saul, and twelve of the servants of David.
15En volgens een overeengekomen getal traden twaalf Benjamieten van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, en twaalf van de aanhangers van David vooruit, en stelden zich tegenover elkander op.
16And they caught every one his fellow by the head, and thrust his sword in his fellow's side; so they fell down together; wherefore that place was called Helkath-hazzurim, which is in Gibeon.
16Ze grepen elkaar bij de haren, en daar ieder zijn zwaard in de lenden van zijn tegenstander dreef, vielen ze allen tegelijkertijd neer. Vandaar dat die plek “Veld der Lenden” heet; ze ligt bij Gibon.
17And the battle was very sore that day; and Abner was beaten, and the men of Israel, before the servants of David.
17Maar daarop ontstond toen een buitengewoon heftig gevecht, waarbij Abner met de manschappen van Israël de nederlaag leed voor de aanhangers van David.
18And the three sons of Zeruiah were there, Joab, and Abishai, and Asahel; and Asahel was as light of foot as one of the roes that are in the field.
18Nu waren de drie zonen van Seroeja daarbij tegenwoordig: Joab, Abisjai en Asaël. En daar Asaël vlug ter been was als een gazel op de vlakte,
19And Asahel pursued after Abner; and in going he turned not to the right hand nor to the left from following Abner.
19rende hij Abner achterna, en liet rechts noch links van Abner af.
20Then Abner looked behind him, and said: 'Is it thou, Asahel?' And he answered: 'It is I.'
20Omkijkend riep Abner: Zijt gij dat, Asaël? Hij riep terug: Ja!
21And Abner said to him: 'Turn thee aside to thy right hand or to thy left, and lay thee hold on one of the young men, and take thee his armour.' But Asahel would not turn aside from following him.
21Abner riep hem toe: Ga rechts of links, pak den een of ander van de sol daten aan, en ontneem hèm zijn wapenrusting. Maar Asaël wilde niet van hem wijken.
22And Abner said again to Asahel: 'Turn thee aside from following me; wherefore should I smite thee to the ground? how then should I hold up my face to Joab thy brother?'
22Daarom riep Abner tot Asaël nog eens: Ga toch van mij weg; anders moet ik u neerslaan, en hoe kan ik dan nog voor uw broer Joab verschijnen?
23Howbeit he refused to turn aside; wherefore Abner with the hinder end of the spear smote him in the groin, that the spear came out behind him; and he fell down there, and died in the same place; and it came to pass, that as many as came to the place where Asahel fell down and died stood still.
23Toen hij nu nog niet wilde wijken, trof Abner hem met een achterwaartse beweging zo in de buik, dat de lans er van achteren weer uitkwam; hij viel neer en bleef op de plek dood. En iedereen, die bij de plek kwam, waar Asaël gevallen en gestorven was, bleef er bij stil staan.
24But Joab and Abishai pursued after Abner; and the sun went down when they were come to the hill of Ammah, that lieth before Giah by the way of the wilderness of Gibeon.
24Ook Joab en Abisjai zetten Abner achterna. Tegen zonsondergang bereikten ze Gibat-Amma, dat tegenover Giach ligt, op de weg naar de woestijn van Gibon,
25And the children of Benjamin gathered themselves together after Abner, and became one band, and stood on the top of a hill.
25waar de Benjamieten zich om Abner hadden verzameld, en in gesloten rijen op de top van Gibat-Amma hadden postgevat.
26Then Abner called to Joab, and said: 'Shall the sword devour for ever? knowest thou not that it will be bitterness in the end? how long shall it be then, ere thou bid the people return from following their brethren?'
26Toen riep Abner tot Joab: Moet het zwaard nu eeuwig woeden? Voelt ge dan niet dat het tenslotte verkeerd moet aflopen? Hoe lang wacht ge nog, het volk te bevelen, de achtervolging van hun broeders te staken?
27And Joab said: 'As God liveth, if thou hadst not spoken, surely then only after the morning the people had gone away, every one from following his brother.'
27Joab antwoordde: Zo waar God leeft; zo ge niet gesproken hadt, ja dan zou het volk eerst morgenvroeg de achtervolging hebben opgegeven.
28So Joab blew the horn, and all the people stood still, and pursued after Israel no more, neither fought they any more.
28Toen blies Joab de trompet, en het hele volk maakte halt. Het achtervolgde Israël niet langer, en de strijd werd gestaakt.
29And Abner and his men went all that night through the Arabah; and they passed over the Jordan, and went through all Bithron, and came to Mahanaim.
29Abner met zijn manschappen trokken heel die nacht door de Jordaanvlakte verder, staken de Jordaan over en bereikten na een mars van een halve dag Machanáim.
30And Joab returned from following Abner; and when he had gathered all the people together, there lacked of David's servants nineteen men and Asahel.
30Toen Joab de achtervolging van Abner had opgegeven en al het volk had verzameld, werden er van de aanhangers van David behalve Asaël negentien man vermist;
31But the servants of David had smitten of Benjamin, even of Abner's men — three hundred and threescore men died.
31maar de aanhangers van David hadden van Benjamin, dus van Abners manschappen, drie honderd zestig man verslagen.
32And they took up Asahel, and buried him in the sepulchre of his father, which was in Beth-lehem. And Joab and his men went all night, and the day broke upon them at Hebron.
32Men droeg Asaël weg, en begroef hem in het graf van zijn vader te Betlehem. Daarna trok Joab met zijn manschappen heel de nacht verder, en bereikte Hebron, toen het dag werd.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.