ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ 21
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΥΙΟΣ δώδεκα ἐτῶν Μανασσῆς ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν καὶ πεντήκοντα καὶ πέντε ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Ὀψιβά.
1Manasses was twaalf jaar oud, toen hij koning werd. Hij regeerde vijf en vijftig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Chefsiba.
2καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου κατὰ τὰ βδελύγματα τῶν ἐθνῶν, ὧν ἐξῇρε Κύριος ἀπὸ προσώπου τῶν υἱῶν Ἰσραήλ,
2Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en volgde de verfoeilijke practijken van de volkeren, die Jahweh voor de Israëlieten had uitgedreven.
3καὶ ἐπέστρεψε καὶ ᾠκοδόμησε τὰ ὑψηλά, ἃ κατέσπασεν Ἐζεκίας ὁ πατὴρ αὐτοῦ, καὶ ἀνέστησε θυσιαστήριον τῇ Βάαλ καὶ ἐποίησε τὰ ἄλση, καθὼς ἐποίησε Ἀχαὰβ βασιλεὺς Ἰσραήλ, καὶ προσεκύνησε πάσῃ τῇ δυνάμει τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἐδούλευσεν αὐτοῖς.
3Hij herbouwde de offerhoogten, die zijn vader Ezekias had verwoest, richtte altaren op voor Báal, en maakte een heilige zuil, zoals Achab, de koning van Israël, gedaan had. Ook wierp hij zich ter aarde voor heel het hemelse heir, en diende het.
4καὶ ᾠκοδόμησε θυσιαστήριον ἐν οἴκῳ Κυρίου, ὡς εἶπεν· ἐν Ἱερουσαλὴμ θήσω τὸ ὄνομά μου,
4Zelfs bouwde hij altaren in de tempel van Jahweh, waarvan Jahweh gezegd had: Te Jerusalem zal Ik mijn Naam doen wonen!
5καὶ ᾠκοδόμησε θυσιαστήριον πάσῃ τῇ δυνάμει τοῦ οὐρανοῦ ἐν ταῖς δυσὶν αὐλαῖς οἴκου Κυρίου
5In beide voorhoven van de tempel van Jahweh richtte hij altaren op voor heel het hemelse heir.
6καὶ διῆγε τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ ἐν πυρὶ καὶ ἐκληδονίζετο καὶ οἰωνίζετο καὶ ἐποίησε τεμένη καὶ γνώστας ἐπλήθυνε τοῦ ποιεῖν τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου παροργίσαι αὐτόν.
6Zijn zoon heeft hij in het vuur geofferd; hij maakte zich schuldig aan waarzeggerij en wichelarij, en stelde geestenbezweerders en toekomstvoorspellers aan. Hij deed dus al wat maar kwaad was in de ogen van Jahweh, om Hem te tergen.
7καὶ ἔθηκε τὸ γλυπτὸν τοῦ ἄλσους ἐν τῷ οἴκῳ, ᾧ εἶπε Κύριος πρὸς Δαυὶδ καὶ πρὸς Σαλωμὼν τὸν υἱὸν αὐτοῦ· ἐν τῷ οἴκῳ τούτῳ καὶ ἐν Ἱερουσαλήμ, ᾗ ἐξελεξάμην ἐκ πασῶν φυλῶν τοῦ Ἰσραήλ, καὶ θήσω τὸ ὄνομά μου εἰς τὸν αἰῶνα
7Zelfs maakte hij een Asjerabeeld, en plaatste het in de tempel, waarvan Jahweh tot David en zijn zoon Salomon gezegd had: “In dit huis en te Jerusalem, dat Ik uit al de stammen van Israël heb verkoren, zal Ik mijn Naam voor altijd doen wonen.
8καὶ οὐ προσθήσω τοῦ σαλεῦσαι τὸν πόδα Ἰσραὴλ ἀπὸ τῆς γῆς, ἧς ἔδωκα τοῖς πατράσιν αὐτῶν, οἵτινες φυλάξουσι πάντα ὅσα ἐνετειλάμην κατὰ πᾶσαν τὴν ἐντολήν, ἣν ἐνετείλατο αὐτοῖς ὁ δοῦλός μου Μωυσῆς.
8En wanneer de kinderen van Israël mijn geboden en de wet, die Ik door mijn dienaar Moses heb afgekondigd, getrouw onderhouden, zal Ik hen nooit meer verjagen uit het land, dat Ik aan hun vaderen gegeven heb.”
9καὶ οὐκ ἤκουσαν, καὶ ἐπλάνησεν αὐτοὺς Μανασσῆς τοῦ ποιῆσαι τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου ὑπὲρ τὰ ἔθνη, ἃ ἠφάνισε Κύριος ἐκ προσώπου υἱῶν Ἰσραήλ.
9Maar ze hebben niet willen luisteren; want Manasses heeft ze verleid, om meer kwaad te bedrijven, dan de volkeren, die Jahweh bij de komst van de Israëlieten had uitgeroeid.
10καὶ ἐλάλησε Κύριος ἐν χειρὶ δούλων αὐτοῦ τῶν προφητῶν λέγων·
10Daarom sprak Jahweh door zijn dienaren de profeten:
11ἀνθ᾿ ὧν ὅσα ἐποίησε Μανασσῆς ὁ βασιλεὺς Ἰούδα τὰ βδελύγματα ταῦτα τὰ πονηρὰ ἀπὸ πάντων, ὧν ἐποίησεν ὁ Ἀμορραῖος ὁ ἔμπροσθεν, καὶ ἐξήμαρτε καί γε τὸν Ἰούδαν ἐν τοῖς εἰδώλοις αὐτῶν,
11Omdat Manasses, de koning van Juda, deze verfoeilijkheden heeft bedreven, waardoor hij meer kwaad deed dan vroeger de Amorieten, en omdat hij ook Juda met zijn schandgoden heeft doen zondigen,
12οὐχ οὕτως, τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραήλ· ἰδοὺ ἐγὼ φέρω κακὰ ἐπὶ Ἱερουσαλὴμ καὶ Ἰούδαν, ὥστε παντὸς ἀκούοντος ἠχήσει ἀμφότερα τὰ ὦτα αὐτοῦ,
12daarom spreekt Jahweh, Israëls God! Ik ga zulk een onheil brengen over Jerusalem en Juda, dat de oren van iedereen, die het hoort, zullen tuiten.
13καὶ ἐκτενῶ ἐπὶ Ἱερουσαλὴμ τὸ μέτρον Σαμαρείας καὶ τὸ στάθμιον οἴκου Ἀχαάβ· καὶ ἀπαλείψω τὴν Ἱερουσαλήμ, καθὼς ἀπαλείφεται ὁ ἀλάβαστρος ἀπαλειφόμενος καὶ καταστρέφεται ἐπὶ πρόσωπον αὐτοῦ,
13Ik zal het meetsnoer van Samaria en het schietlood van Achabs huis over Jerusalem trekken, en Jerusalem uitwassen, zoals men een schotel wast en omlegt.
14καὶ ἀπώσομαι τὸ ὑπόλειμμα τῆς κληρονομίας μου καὶ παραδώσω αὐτοὺς εἰς χεῖρας ἐχθρῶν αὐτῶν, καὶ ἔσονται εἰς διαρπαγὴν καὶ εἰς προνομὴν πᾶσι τοῖς ἐχθροῖς αὐτῶν,
14Het overschot van mijn erfdeel zal Ik verstoten en het aan zijn vijanden overleveren, om door hen beroofd en uitgeplunderd te worden.
15ἀνθ᾿ ὧν ὅσα ἐποίησαν τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς μου καὶ ἦσαν παροργίζοντές με ἀπὸ τῆς ἡμέρας, ἧς ἐξήγαγον τοὺς πατέρας αὐτῶν ἐξ Αἰγύπτου καὶ ἕως τῆς ἡμέρας ταύτης.
15Want zij hebben gedaan wat kwaad was in mijn ogen, en Mij voortdurend getart, van de dag af, dat hun vaderen uit Egypte trokken, tot de dag van vandaag.
16καί γε αἷμα ἀθῷον ἐξέχεε Μανασσῆς πολὺ σφόδρα, ἕως οὗ ἔπλησε τὴν Ἱερουσαλὴμ στόμα εἰς στόμα, πλὴν ἀπὸ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτοῦ, ὧν ἐξήμαρτε τὸν Ἰούδαν τοῦ ποιῆσαι τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου.
16Bovendien heeft Manasses, afgezien van de zonden, waartoe hij de Judeërs verleidde, en waardoor zij zich tegenover Jahweh misdroegen, nog stromen onschuldig bloed vergoten, zodat Jerusalem er boordevol van werd.
17καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Μανασσῆ καὶ πάντα, ὅσα ἐποίησε, καὶ ἡ ἁμαρτία αὐτοῦ, ἣν ἥμαρτεν, οὐχὶ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ τῷ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα;
17De verdere geschiedenis van Manasses, met al wat hij deed, en de zonden, die hij bedreef, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
18καὶ ἐκοιμήθη Μανασσῆς μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ καὶ ἐτάφη ἐν τῷ κήπῳ τοῦ οἴκου αὐτοῦ, ἐν κήπω Ὀζά, καὶ ἐβασίλευσεν Ἀμὼν υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
18Hij ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de tuin van zijn paleis, de tuin van Oezza, begraven. Zijn zoon Amon volgde hem op.
19Υἱὸς εἴκοσι καὶ δύο ἐτῶν Ἀμὼν ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν καὶ δύο ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Μεσολλὰμ θυγάτηρ Ἀροῦς ἐξ Ἰετέβα.
19Amon was twee en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Mesjoellémet, en was de dochter van Charoes uit Jotba.
20καὶ ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου, καθὼς ἐποίησε Μανασσῆς ὁ πατὴρ αὐτοῦ.
20Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, zoals zijn vader Manasses.
21καὶ ἐπορεύθη ἐν πάσῃ ὁδῷ, ᾗ ἐπορεύθη ὁ πατὴρ αὐτοῦ, καὶ ἐλάτρευσε τοῖς εἰδώλοις, οἷς ἐλάτρευσεν ὁ πατὴρ αὐτοῦ, καὶ προσεκύνησεν αὐτοῖς
21In alles volgde hij zijn vader na. Hij diende de schandgoden, die zijn vader gediend had, en wierp zich voor hen neer.
22καὶ ἐγκατέλιπε τὸν Κύριον Θεὸν τῶν πατέρων αὐτοῦ καὶ οὐκ ἐπορεύθη ἐν ὁδῷ Κυρίου.
22Maar Jahweh, den God zijner vaderen, verliet hij, en bewandelde de weg van Jahweh niet.
23καὶ συνεστράφησαν οἱ παῖδες Ἀμὼν πρὸς αὐτὸν καὶ ἐθανάτωσαν τὸν βασιλέα ἐν τῷ οἴκῳ αὐτοῦ.
23De hovelingen van koning Amon smeedden een samenzwering tegen hem, en doodden hem in zijn paleis.
24καὶ ἐπάταξεν ὁ λαὸς τῆς γῆς πάντας τοὺς συστραφέντας ἐπὶ τὸν βασιλέα Ἀμὼν καὶ ἐβασίλευσεν ὁ λαὸς τῆς γῆς τὸν Ἰωσίαν υἱὸν αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
24Maar het gewone volk vermoordde allen, die tegen koning Amon hadden samengespannen, en riep zijn zoon Josias tot koning uit in zijn plaats.
25καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἀμών, ὅσα ἐποίησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα;
25De verdere geschiedenis van Amon, met wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
26καὶ ἔθαψαν αὐτὸν ἐν τῷ τάφῳ αὐτοῦ ἐν τῷ κήπῳ Ὀζά, καὶ ἐβασίλευσεν Ἰωσίας υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
26Hij werd in het graf van zijn vader in de tuin van Oezza begraven. Zijn zoon Josias volgde hem op.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.