ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ
Chapter 12
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ 12

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΥΙΟΣ ἑπτὰ ἐτῶν Ἰωὰς ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτόν.
1Het was in het zevende regeringsjaar van Jehoe. Hij regeerde veertig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Sibja, en was afkomstig uit Beër-Sjéba.
2ἐν ἔτει ἑβδόμῳ τῷ Ἰοὺ ἐβασίλευσεν Ἰωὰς καὶ τεσσαράκοντα ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῆς μητρὸς αὐτοῦ Ἀβιὰ ἐκ τῆς Βηρσαβεέ.
2Zijn leven lang deed Joasj wat recht was in de ogen van Jahweh, zoals hij van den priester Jehojada geleerd had.
3καὶ ἐποίησεν Ἰωὰς τὸ εὐθὲς ἐνώπιον Κυρίου πάσας τὰς ἡμέρας, ἃς ἐφώτισεν αὐτὸν Ἰωδαὲ ὁ ἱερεύς·
3Maar ook hij schafte de offerhoogten niet af, zodat het volk nog altijd op de hoogten bleef offeren en wierook branden.
4πλὴν τῶν ὑψηλῶν οὐ μετεστάθησαν, καὶ ἐκεῖ ἔτι ὁ λαὸς ἐθυσίαζε καὶ ἐθυμίων ἐν τοῖς ὑψηλοῖς.
4Joasj had tot de priesters gezegd: Al het geld, dat als wijgeschenk in de tempel van Jahweh geofferd wordt, zowel wat iedereen als schatting is opgelegd, als ook de vrijwillige bijdragen voor de tempel van Jahweh,
5καὶ εἶπεν Ἰωὰς πρὸς τοὺς ἱερεῖς· πᾶν τὸ ἀργύριον τῶν ἁγίων τὸ εἰσοδιαζόμενον ἐν τῷ οἴκῳ Κυρίου, ἀργύριον συντιμήσεως, ἀνὴρ ἀργύριον λαβὼν συντιμήσεως, πᾶν ἀργύριον, ὃ ἐὰν ἀναβῇ ἐπὶ καρδίαν ἀνδρὸς ἐνεγκεῖν ἐν οἴκῳ Κυρίου,
5mogen de priesters, van wie het hun ter hand stelt, ten eigen bate aannemen; maar dan moeten zij ook de bouwvallige delen van de tempel, die zij bemerken, herstellen.
6λαβέτωσαν ἑαυτοῖς οἱ ἱερεῖς ἀνὴρ ἀπὸ τῆς πράσεως αὐτῶν καὶ αὐτοὶ κρατήσουσι τὸ βεδὲκ τοῦ οἴκου εἰς πάντα, οὗ ἐὰν εὑρεθῇ ἐκεῖ βεδέκ.
6Doch in het drie en twintigste regeringsjaar van Joasj hadden de priesters de bouwvallige delen van de tempel nog niet hersteld.
7καὶ ἐγενήθη ἐν τῷ εἰκοστῷ καὶ τρίτῳ ἔτει τῷ βασιλεῖ Ἰωὰς οὐκ ἐκραταίωσαν οἱ ἱερεῖς τὸ βεδὲκ τοῦ οἴκου.
7Daarom ontbood koning Joasj den priester Jehojada met de andere priesters bij zich, en zeide hun: Waarom blijft gij in gebreke, de bouwvallige delen van de tempel te herstellen? Voortaan moogt gij van gevers geen geld meer ten eigen bate aannemen, maar moet gij het voor de bouwvallige delen van de tempel afstaan.
8καὶ ἐκάλεσεν Ἰωὰς ὁ βασιλεὺς Ἰωδαὲ τὸν ἱερέα καὶ τοὺς ἱερεῖς καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς· τί ὅτι οὐκ ἐκραταιοῦτε τὸ βεδὲκ τοῦ οἴκου; καὶ νῦν μὴ λάβητε ἀργύριον ἀπὸ τῶν πράσεων ὑμῶν, ὅτι εἰς τὸ βεδὲκ τοῦ οἴκου δώσετε αὐτό.
8De priesters stemden er in toe, geen geld meer van het volk aan te nemen, maar dan ook de bouwvallige delen van de tempel niet te herstellen.
9καὶ συνεφώνησαν οἱ ἱερεῖς τοῦ μὴ λαβεῖν ἀργύριον παρὰ τοῦ λαοῦ καὶ τοῦ μὴ ἐνισχῦσαι τὸ βεδὲκ τοῦ οἴκου.
9Toen nam de priester Jehojada een kist, maakte een gleuf in het deksel, en zette ze naast de zuil, rechts van de ingang van de tempel van Jahweh; daarin moesten de priesters-dorpelwachters al het geld werpen, dat voor de tempel van Jahweh binnenkwam.
10καὶ ἔλαβεν Ἰωδαὲ ὁ ἱερεὺς κιβωτὸν μίαν καὶ ἔτρησε τρώγλην ἐπὶ τῆς σανίδος αὐτῆς καὶ ἔδωκεν αὐτὴν παρὰ ἀμμαζειβὶ ἐν τῷ οἴκῳ ἀνδρὸς οἴκου Κυρίου, καὶ ἔδωκαν οἱ ἱερεῖς οἱ φυλάσσοντες τὸν σταθμὸν πᾶν τὸ ἀργύριον τὸ εὑρεθὲν ἐν οἴκῳ Κυρίου.
10Wanneer dezen nu zagen, dat er veel geld in de kist was, kwam de kanselier van den koning met den hogepriester, om het geld, dat zich in de tempel van Jahweh bevond, mee te nemen en te tellen.
11καὶ ἐγένετο ὡς εἶδον ὅτι πολὺ τὸ ἀργύριον ἐν τῇ κιβωτῷ, καὶ ἀνέβη ὁ γραμματεὺς τοῦ βασιλέως καὶ ὁ ἱερεὺς ὁ μέγας καὶ ἔσφιγξαν καὶ ἠρίθμησαν τὸ ἀργύριον τὸ εὑρεθὲν ἐν οἴκῳ Κυρίου.
11En als zij het hadden afgewogen, stelden zij het ter hand aan de opzichters der werklieden, die met het toezicht over de tempel belast waren. Dezen betaalden het uit aan de timmerlieden, de bouwmeesters, de steenhouwers en de bouwlieden, die aan de tempel van Jahweh werkten;
12καὶ ἔδωκαν τὸ ἀργύριον τὸ ἑτοιμασθὲν ἐπὶ χεῖρας ποιούντων τὰ ἔργα τῶν ἐπισκόπων οἴκου Κυρίου, καὶ ἐξέδοσαν τοῖς τέκτοσι τῶν ξύλων καὶ τοῖς οἰκοδόμοις τοῖς ποιοῦσιν ἐν οἴκῳ Κυρίου
12of zij kochten er hout en gehouwen steen voor, en bestreden er alle verdere uitgaven mee, die voor het herstel van de bouwvallige delen van de tempel van Jahweh gedaan moesten worden.
13καὶ τοῖς τειχισταῖς καὶ τοῖς λατόμοις τῶν λίθων τοῦ κτήσασθαι ξύλα καὶ λίθους λατομητοὺς τοῦ κατασχεῖν τὸ βεδὲκ οἴκου Κυρίου εἰς πάντα, ὅσα ἐξωδιάσθη ἐπὶ τὸν οἶκον τοῦ κραταιῶσαι·
13Maar zilveren bekkens, messen, offerschalen, trompetten en andere gouden en zilveren voorwerpen, die voor de tempel nodig waren, werden van het geld, dat voor de tempel van Jahweh werd opgebracht, niet gemaakt;
14πλὴν οὐ ποιηθήσονται οἴκῳ Κυρίου θύραι ἀργυραῖ, ἧλοι, φιάλαι καὶ σάλπιγγες, πᾶν σκεῦος χρυσοῦν καὶ σκεῦος ἀργυροῦν, ἐκ τοῦ ἀργυρίου τοῦ εἰσενεχθέντος ἐν οἴκῳ Κυρίου,
14want het werd uitbetaald aan de werklieden, die daarvoor de tempel van Jahweh moesten herstellen.
15ὅτι τοῖς ποιοῦσι τὰ ἔργα δώσουσιν αὐτό, καὶ ἐκραταίωσαν ἐν αὐτῷ τὸν οἶκον Κυρίου.
15De mannen, aan wie het geld ter hand werd gesteld, om het aan de werklieden uit te betalen, behoefden geen rekenschap af te leggen; want het waren vertrouwde mensen.
16καὶ οὐκ ἐξελογίζοντο τοὺς ἄνδρας, οἷς ἐδίδουν τὸ ἀργύριον ἐπὶ χεῖρας αὐτῶν δοῦναι τοῖς ποιοῦσι τὰ ἔργα, ὅτι ἐν πίστει αὐτῶν ποιοῦσιν.
16Maar het geld voor schuld- en zondeoffers werd niet voor de tempel afgedragen; dit bleef voor de priesters bestemd.
17ἀργύριον περὶ ἁμαρτίας καὶ ἀργύριον περὶ πλημμελείας, ὅ,τι εἰσηνέχθη ἐν οἴκῳ Κυρίου, τοῖς ἱερεῦσιν ἐγένετο.
17In die tijd trok Chazaël, de koning van Aram, op, deed een aanval op Gat en veroverde het. Daarna maakte hij aanstalten, om tegen Jerusalem op te trekken.
18Τότε ἀνέβη Ἀζαὴλ βασιλεὺς Συρίας καὶ ἐπολέμησεν ἐπὶ Γὲθ καὶ προκατελάβετο αὐτήν. καὶ ἔταξεν Ἀζαὴλ τὸ πρόσωπον αὐτοῦ ἀναβῆναι ἐπὶ Ἱερουσαλήμ.
18Daarom nam koning Joasj van Juda alle wijgeschenken, die zijn vaderen Josafat, Joram en Achazja, koningen van Juda, en hijzelf geofferd hadden, en al het goud, dat in de schatkamers van de tempel van Jahweh en van het koninklijk paleis lag opgeborgen, en zond het aan Chazaël, den koning van Aram. Deze liet toen Jerusalem met rust.
19καὶ ἔλαβεν Ἰωὰς βασιλεὺς Ἰούδα πάντα τὰ ἅγια, ὅσα ἡγίασεν Ἰωσαφὰτ καὶ Ἰωρὰμ καὶ Ὀχοζίας οἱ πατέρες αὐτοῦ καὶ βασιλεῖς Ἰούδα, καὶ τὰ ἅγια αὐτοῦ καὶ πᾶν τὸ χρυσίον τὸ εὑρεθὲν ἐν θησαυροῖς οἴκου Κυρίου καὶ οἴκου τοῦ βασιλέως καὶ ἀπέστειλε τῷ Ἀζαὴλ βασιλεῖ Συρίας, καὶ ἀνέβη ἀπὸ Ἱερουσαλήμ.
19De verdere geschiedenis van Joasj, met al wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
20καὶ τὰ λοιπὰ τῶν λόγων Ἰωὰς καὶ πάντα, ὅσα ἐποίησεν, οὐκ ἰδοὺ ταῦτα πάντα γεγραμμένα ἐπὶ βιβλίῳ λόγων τῶν ἡμερῶν τοῖς βασιλεῦσιν Ἰούδα;
20Enigen van Joasj’ hovelingen smeedden een samenzwering tegen hem en doodden hem, terwijl hij zich naar de Milloburcht begaf.
21καὶ ἀνέστησαν οἱ δοῦλοι αὐτοῦ καὶ ἔδησαν πάντα σύνδεσμον καὶ ἐπάταξαν τὸν Ἰωὰς ἐν οἴκῳ Μαλλὼ τῷ ἐν Γααλὰ
21De moordenaars waren zijn hovelingen Jozakar, de zoon van Sjimat, en Jehozabar, de zoon van Sjomer. Hij werd bij zijn vaderen in de Davidsstad begraven. Zijn zoon Amas-ja volgde hem op.
22καὶ Ἰεζιχὰρ υἱὸς Ἰεμουὰθ καὶ Ἰεζεβοὺθ ὁ υἱὸς αὐτοῦ Σωμὴρ οἱ δοῦλοι αὐτοῦ ἐπάταξαν αὐτόν, καὶ ἀπέθανε· καὶ ἔθαψαν αὐτὸν μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ ἐν πόλει Δαυίδ, καὶ ἐβασίλευσεν Ἀμεσσίας υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.
no verse 22 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.