ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ
Chapter 11
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΒΑΣΙΛΕΙΩΝ Δ 11

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ Γοθολία ἡ μήτηρ Ὀχοζίου εἶδεν ὅτι ἀπέθανεν ὁ υἱὸς αὐτῆς, καὶ ἀπώλεσε πᾶν τὸ σπέρμα τῆς βασιλείας.
1Toen Atalja, de moeder van Achazja, zag, dat haar zoon gestorven was, roeide zij de hele koninklijke familie uit.
2καὶ ἔλαβεν Ἰωσαβεὲ θυγάτηρ τοῦ βασιλέως Ἰωρὰμ ἀδελφὴ Ὀχοζίου τὸν Ἰωὰς υἱὸν ἀδελφοῦ αὐτῆς καὶ ἔκλεψεν αὐτὸν ἐκ μέσου τῶν υἱῶν τοῦ βασιλέως τῶν θανατουμένων, αὐτὸν καὶ τὴν τροφὸν αὐτοῦ, ἐν τῷ ταμείῳ τῶν κλινῶν, καὶ ἔκρυψεν αὐτὸν ἀπὸ προσώπου Γοθολίας καὶ οὐκ ἐθανατώθη.
2Maar Jehosjéba, de dochter van koning Joram en zuster van Achazja, nam Joasj, den zoon van Achazja, heimelijk weg uit de kring der prinsen, die ten dode waren opgeschreven, en bracht hem met zijn voedster naar een slaapkamer, waar zij hem voor Atalja verborg. Zo ontsnapte hij aan de dood.
3καὶ ἦν μετ᾿ αὐτῆς κρυβόμενος ἐν οἴκῳ Κυρίου ἕξ ἔτη· καὶ Γοθολία βασιλεύουσα ἐπὶ τῆς γῆς.
3Zes jaar lang bleef hij bij haar in het huis van Jahweh verborgen, terwijl Atalja het land regeerde.
4καὶ ἐν τῷ ἔτει τῷ ἑβδόμῳ ἀπέστειλεν Ἰωδαὲ ὁ ἱερεὺς καὶ ἔλαβε τοὺς ἑκατοντάρχους τῶν Χορρὶ καὶ τῶν Ρασίμ, καὶ ἀπήγαγεν αὐτοὺς πρὸς αὐτὸν εἰς οἶκον Κυρίου καὶ διέθετο αὐτοῖς διαθήκην Κυρίου καὶ ὥρκωσεν αὐτοὺς ἐνώπιον Κυρίου καὶ ἔδειξεν αὐτοῖς Ἰωδαὲ τὸν υἱὸν τοῦ βασιλέως
4Maar in het zevende jaar liet Jehojada de honderdmannen der Kariërs en de soldaten bij zich ontbieden. Hij bracht ze binnen de tempel van Jahweh, en sloot met hen een verbond, dat hij hen voor het aanschijn van Jahweh met een eed liet bezweren. Toen toonde hij hun den zoon van den koning.
5καὶ ἐνετείλατο αὐτοῖς λέγων· οὗτος ὁ λόγος, ὃν ποιήσετε·
5Daarop gaf hij hun het volgende bevel: Ziehier wat ge moet doen! Een derde van hen, die aanstaande sabbat voor het koninklijk paleis de wacht gaan betrekken, moet post vatten bij de hoofdingang;
6τὸ τρίτον ἐξ ὑμῶν εἰσελθέτω τὸ σάββατον καὶ φυλάξατε φυλακὴν οἴκου τοῦ βασιλέως ἐν τῷ πυλῶνι καὶ τὸ τρίτον ἐν τῇ πύλῃ τῶν ὁδῶν καὶ τὸ τρίτον τῆς πύλης ὀπίσω τῶν παρατρεχόντων· καὶ φυλάξατε τὴν φυλακὴν τοῦ οἴκου.
6een derde bij de poort van Soer, en een derde bij de soldatenpoort. Die bewaken dan het koninklijk paleis.
7καὶ δύο χεῖρες ἐν ὑμῖν, πᾶς ὁ ἐκπορευόμενος τὸ σάββατον, καὶ φυλάξουσι τὴν φυλακὴν οἴκου Κυρίου πρὸς τὸν βασιλέα·
7De beide afdelingen van u, die aanstaande sabbat de tempelwacht betrekken of worden afgelost,
8καὶ κυκλώσατε ἐπὶ τὸν βασιλέα κύκλῳ, ἀνὴρ καὶ τὸ σκεῦος αὐτοῦ ἐν χειρὶ αὐτοῦ, καὶ ὁ εἰσπορευόμενος εἰς τὰς σαδηρὼθ ἀποθανεῖται. καὶ ἔσονται μετὰ τοῦ βασιλέως ἐν τῷ ἐκπορεύεσθαι αὐτὸν καὶ ἐν τῷ εἰσπορεύεσθαι αὐτόν.
8moeten zich tezamen rond den koning scharen met de wapens in de hand, en iedereen doden, die de gelederen tracht te verbreken. Die blijven bij den koning, waar hij ook gaat of staat.
9καὶ ἐποίησαν οἱ ἑκατόνταρχοι πάντα, ὅσα ἐνετείλατο Ἰωδαὲ ὁ συνετός, καὶ ἔλαβεν ἀνὴρ τοὺς ἄνδρας αὐτοῦ καὶ τοὺς εἰσπορευομένους τὸ σάββατον μετὰ τῶν ἐκπορευομένων τὸ σάββατον καὶ εἰσῆλθον πρὸς Ἰωδαὲ τὸν ἱερέα.
9De honderdmannen nu volbrachten alles wat de priester Jehojada hun bevolen had. Ieder van hen nam zijn mannen mee, die op bedoelde sabbat de wacht kwamen aflossen of afgelost werden, en ging naar den priester Jehojada toe;
10καὶ ἔδωκεν ὁ ἱερεὺς τοῖς ἑκατοντάρχοις τοὺς σειρομάστας καὶ τοὺς τρισσοὺς τοῦ βασιλέως Δαυὶδ τοῦ ἐν οἴκῳ Κυρίου.
10en deze reikte aan de honderdmannen speren en de schilden van koning David uit, die in de tempel van Jahweh werden bewaard.
11καὶ ἔστησαν οἱ παρατρέχοντες, ἀνὴρ καὶ τὸ σκεῦος αὐτοῦ ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ, ἀπὸ τῆς ὠμίας τοῦ οἴκου τῆς δεξιᾶς ἕως τῆς ὠμίας τοῦ οἴκου τῆς εὐωνύμου τοῦ θυσιαστηρίου καὶ τοῦ οἴκου ἐπὶ τὸν βασιλέα κύκλῳ.
11En toen de soldaten, met de wapens in de hand, rechts en links van de tempel hadden post gevat, met het gezicht naar het altaar en de tempel gekeerd, om zo den koning te kunnen omringen,
12καὶ ἐξαπέστειλε τὸν υἱὸν τοῦ βασιλέως καὶ ἔδωκεν ἐπ᾿ αὐτὸν τὸ νεζὲρ καὶ τὸ μαρτύριον καὶ ἐβασίλευσεν αὐτὸν καὶ ἔχρισεν αὐτόν, καὶ ἐκρότησαν τῇ χειρὶ καὶ εἶπαν· ζήτω ὁ βασιλεύς.
12bracht Jehojada den zoon van den koning naar buiten, zette hem een diadeem op het hoofd, deed hem de armbanden aan, en zalfde hem tot koning. En allen klapten in de handen en riepen uit: Leve de koning!
13καὶ ἤκουσε Γοθολία τὴν φωνὴν τῶν τρεχόντων τοῦ λαοῦ καὶ εἰσῆλθε πρὸς τὸν λαὸν εἰς οἶκον Κυρίου.
13Toen Atalja het volk hoorde juichen, liep zij naar de samengeschoolde menigte in de tempel van Jahweh.
14καὶ εἶδε καὶ ἰδοὺ ὁ βασιλεὺς εἱστήκει ἐπὶ τοῦ στύλου κατὰ τὸ κρίμα, καὶ οἱ ᾠδοὶ καὶ αἱ σάλπιγγες πρὸς τὸν βασιλέα, καὶ πᾶς ὁ λαὸς τῆς γῆς χαίρων καὶ σαλπίζων ἐν σάλπιγξι· καὶ διέρρηξε Γοθολία τὰ ἱμάτια ἑαυτῆς καὶ ἐβόησε· σύνδεσμος σύνδεσμος.
14En zodra zij daar den koning volgens gebruik op een verhoging zag staan, omringd door de krijgsoversten en trompetters en heel het gewone volk onder jubel en trompetgeschal, scheurde Atalja haar klederen en riep: Verraad, verraad!
15καὶ ἐνετείλατο Ἰωδαὲ ὁ ἱερεὺς τοῖς ἑκατοντάρχοις τοῖς ἐπισκόποις τῆς δυνάμεως καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς· ἐξαγάγετε αὐτὴν ἔσωθεν τῶν σαδηρώθ· ὁ εἰσπορευόμενος ὀπίσω αὐτῆς θανάτῳ θανατωθήσεται ἐν ρομφαίᾳ· ὅτι εἶπεν ὁ ἱερεύς· καὶ μὴ ἀποθάνῃ ἐν οἴκῳ Κυρίου.
15Maar de priester Jehojada gelastte de bevelvoerende honderdmannen: Leidt haar tussen de gelederen door buiten de tempel, en doodt met het zwaard iedereen, die haar wil volgen. Want de priester had zich voorgenomen, haar niet in de tempel van Jahweh te doden.
16καὶ ἐπέθηκαν αὐτῇ χεῖρας, καὶ εἰσῆλθεν ὁδὸν εἰσόδου τῶν ἵππων οἴκου τοῦ βασιλέως καὶ ἀπέθανεν ἐκεῖ.
16Ze namen haar dus gevangen, en toen ze door de ingang der paarden het koninklijk paleis had bereikt, werd zij daar gedood.
17καὶ διέθετο Ἰωδαὲ διαθήκην ἀνὰ μέσον Κυρίου καὶ ἀνὰ μέσον τοῦ βασιλέως καὶ ἀνὰ μέσον τοῦ λαοῦ τοῦ εἶναι εἰς λαὸν τῷ Κυρίῳ, καὶ ἀνὰ μέσον τοῦ βασιλέως καὶ ἀνὰ μέσον τοῦ λαοῦ.
17Nu sloot Jehojada een verbond tussen Jahweh en den koning met net volk, dat net weer een volk van Jahweh zou zijn.
18καὶ εἰσῆλθε πᾶς ὁ λαὸς τῆς γῆς εἰς οἶκον τοῦ Βάαλ καὶ κατέσπασαν αὐτὸν καὶ τὰ θυσιαστήρια αὐτοῦ καὶ τὰς εἰκόνας αὐτοῦ συνέτριψαν ἀγαθῶς καὶ τὸν Μαθὰν τὸν ἱερέα τοῦ Βάαλ ἀπέκτειναν κατὰ πρόσωπον τῶν θυσιαστηρίων, καὶ ἔθηκεν ὁ ἱερεὺς ἐπισκόπους εἰς τὸν οἶκον Κυρίου.
18Toen liep al het gewone volk naar de tempel van Báal en verwoestte hem; zij vernielden de altaren, sloegen de beelden kort en klein, en doodden den Báalpriester Mattan voor het altaar. Nadat de priester Jehojada wachtposten in de tempel van Jahweh had geplaatst,
19καὶ ἔλαβε τοὺς ἑκατοντάρχους καὶ τὸν Χορρὶ καὶ τὸν Ρασὶμ καὶ πάντα τὸν λαὸν τῆς γῆς, καὶ κατήγαγον τὸν βασιλέα ἐξ οἴκου Κυρίου, καὶ εἰσῆλθον ὁδὸν πύλης τῶν παρατρεχόντων οἴκου τοῦ βασιλέως, καὶ ἐκάθισαν αὐτὸν ἐπὶ θρόνου τῶν βασιλέων.
19geleidde hij, vergezeld van de honderdmannen, de Kariërs, de soldaten en de hele volksmenigte, den koning uit de tempel van Jahweh door de soldatenpoort naar het koninklijk paleis, waar de koning plaats nam op de troon.
20καὶ ἐχάρη πᾶς ὁ λαὸς τῆς γῆς, καὶ ἡ πόλις ἡσύχασε· καὶ τὴν Γοθολίαν ἐθανάτωσαν ἐν ρομφαίᾳ ἐν οἴκῳ τοῦ βασιλέως.
20Heel het volk verheugde zich, en de stad bleef rustig, daar Atalja in het koninklijk paleis met het zwaard was gedood.
no verse 21 in this text
21Joasj was zeven jaar oud, toen hij koning werd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.