2 Rois 11
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Athalie, mère d’Achazia, voyant que son fils était mort, se leva et fit périr toute la race royale.
1Toen Atalja, de moeder van Achazja, zag, dat haar zoon gestorven was, roeide zij de hele koninklijke familie uit.
2Mais Joschéba, fille du roi Joram, sœur d’Achazia, prit Joas, fils d’Achazia, et l’enleva du milieu des fils du roi, quand on les fit mourir: elle le mit avec sa nourrice dans la chambre des lits. Il fut ainsi dérobé aux regards d’Athalie, et ne fut point mis à mort.
2Maar Jehosjéba, de dochter van koning Joram en zuster van Achazja, nam Joasj, den zoon van Achazja, heimelijk weg uit de kring der prinsen, die ten dode waren opgeschreven, en bracht hem met zijn voedster naar een slaapkamer, waar zij hem voor Atalja verborg. Zo ontsnapte hij aan de dood.
3Il resta six ans caché avec Joschéba dans la maison de l’Éternel. Et c’était Athalie qui régnait dans le pays.
3Zes jaar lang bleef hij bij haar in het huis van Jahweh verborgen, terwijl Atalja het land regeerde.
4La septième année, Jehojada envoya chercher les chefs de centaines des Kéréthiens et des coureurs, et il les fit venir auprès de lui dans la maison de l’Éternel. Il traita alliance avec eux et les fit jurer dans la maison de l’Éternel, et il leur montra le fils du roi.
4Maar in het zevende jaar liet Jehojada de honderdmannen der Kariërs en de soldaten bij zich ontbieden. Hij bracht ze binnen de tempel van Jahweh, en sloot met hen een verbond, dat hij hen voor het aanschijn van Jahweh met een eed liet bezweren. Toen toonde hij hun den zoon van den koning.
5Puis il leur donna ses ordres, en disant: Voici ce que vous ferez. Parmi ceux de vous qui entrent en service le jour du sabbat, un tiers doit monter la garde à la maison du roi,
5Daarop gaf hij hun het volgende bevel: Ziehier wat ge moet doen! Een derde van hen, die aanstaande sabbat voor het koninklijk paleis de wacht gaan betrekken, moet post vatten bij de hoofdingang;
6un tiers à la porte de Sur, et un tiers à la porte derrière les coureurs: vous veillerez à la garde de la maison, de manière à en empêcher l’entrée.
6een derde bij de poort van Soer, en een derde bij de soldatenpoort. Die bewaken dan het koninklijk paleis.
7Vos deux autres divisions, tous ceux qui sortent de service le jour du sabbat feront la garde de la maison de l’Éternel auprès du roi:
7De beide afdelingen van u, die aanstaande sabbat de tempelwacht betrekken of worden afgelost,
8vous entourerez le roi de toutes parts, chacun les armes à la main, et l’on donnera la mort à quiconque s’avancera dans les rangs; vous serez près du roi quand il sortira et quand il entrera.
8moeten zich tezamen rond den koning scharen met de wapens in de hand, en iedereen doden, die de gelederen tracht te verbreken. Die blijven bij den koning, waar hij ook gaat of staat.
9Les chefs de centaines exécutèrent tous les ordres qu’avait donnés le sacrificateur Jehojada. Ils prirent chacun leurs gens, ceux qui entraient en service et ceux qui sortaient de service le jour du sabbat, et ils se rendirent vers le sacrificateur Jehojada.
9De honderdmannen nu volbrachten alles wat de priester Jehojada hun bevolen had. Ieder van hen nam zijn mannen mee, die op bedoelde sabbat de wacht kwamen aflossen of afgelost werden, en ging naar den priester Jehojada toe;
10Le sacrificateur remit aux chefs de centaines les lances et les boucliers qui provenaient du roi David, et qui se trouvaient dans la maison de l’Éternel.
10en deze reikte aan de honderdmannen speren en de schilden van koning David uit, die in de tempel van Jahweh werden bewaard.
11Les coureurs, chacun les armes à la main, entourèrent le roi, en se plaçant depuis le côté droit jusqu’au côté gauche de la maison, près de l’autel et près de la maison.
11En toen de soldaten, met de wapens in de hand, rechts en links van de tempel hadden post gevat, met het gezicht naar het altaar en de tempel gekeerd, om zo den koning te kunnen omringen,
12Le sacrificateur fit avancer le fils du roi, et il mit sur lui le diadème et le témoignage. Ils l’établirent roi et l’oignirent, et frappant des mains, ils dirent: Vive le roi!
12bracht Jehojada den zoon van den koning naar buiten, zette hem een diadeem op het hoofd, deed hem de armbanden aan, en zalfde hem tot koning. En allen klapten in de handen en riepen uit: Leve de koning!
13Athalie entendit le bruit des coureurs et du peuple, et elle vint vers le peuple à la maison de l’Éternel.
13Toen Atalja het volk hoorde juichen, liep zij naar de samengeschoolde menigte in de tempel van Jahweh.
14Elle regarda. Et voici, le roi se tenait sur l’estrade, selon l’usage; les chefs et les trompettes étaient près du roi: tout le peuple du pays était dans la joie, et l’on sonnait des trompettes. Athalie déchira ses vêtements, et cria: Conspiration! Conspiration!
14En zodra zij daar den koning volgens gebruik op een verhoging zag staan, omringd door de krijgsoversten en trompetters en heel het gewone volk onder jubel en trompetgeschal, scheurde Atalja haar klederen en riep: Verraad, verraad!
15Alors le sacrificateur Jehojada donna cet ordre aux chefs de centaines, qui étaient à la tête de l’armée: Faites-la sortir en dehors des rangs, et tuez par l’épée quiconque la suivra. Car le sacrificateur avait dit: Qu’elle ne soit pas mise à mort dans la maison de l’Éternel!
15Maar de priester Jehojada gelastte de bevelvoerende honderdmannen: Leidt haar tussen de gelederen door buiten de tempel, en doodt met het zwaard iedereen, die haar wil volgen. Want de priester had zich voorgenomen, haar niet in de tempel van Jahweh te doden.
16On lui fit place, et elle se rendit à la maison du roi par le chemin de l’entrée des chevaux: c’est là qu’elle fut tuée.
16Ze namen haar dus gevangen, en toen ze door de ingang der paarden het koninklijk paleis had bereikt, werd zij daar gedood.
17Jehojada traita entre l’Éternel, le roi et le peuple, l’alliance par laquelle ils devaient être le peuple de l’Éternel; il établit aussi l’alliance entre le roi et le peuple.
17Nu sloot Jehojada een verbond tussen Jahweh en den koning met net volk, dat net weer een volk van Jahweh zou zijn.
18Tout le peuple du pays entra dans la maison de Baal, et ils la démolirent; ils brisèrent entièrement ses autels et ses images, et ils tuèrent devant les autels Matthan, prêtre de Baal. Le sacrificateur Jehojada mit des surveillants dans la maison de l’Éternel.
18Toen liep al het gewone volk naar de tempel van Báal en verwoestte hem; zij vernielden de altaren, sloegen de beelden kort en klein, en doodden den Báalpriester Mattan voor het altaar. Nadat de priester Jehojada wachtposten in de tempel van Jahweh had geplaatst,
19Il prit les chefs de centaines, les Kéréthiens et les coureurs, et tout le peuple du pays; et ils firent descendre le roi de la maison de l’Éternel, et ils entrèrent dans la maison du roi par le chemin de la porte des coureurs. Et Joas s’assit sur le trône des rois.
19geleidde hij, vergezeld van de honderdmannen, de Kariërs, de soldaten en de hele volksmenigte, den koning uit de tempel van Jahweh door de soldatenpoort naar het koninklijk paleis, waar de koning plaats nam op de troon.
20Tout le peuple du pays se réjouissait, et la ville était tranquille. On avait fait mourir Athalie par l’épée dans la maison du roi.
20Heel het volk verheugde zich, en de stad bleef rustig, daar Atalja in het koninklijk paleis met het zwaard was gedood.
21Joas avait sept ans lorsqu’il devint roi.
21Joasj was zeven jaar oud, toen hij koning werd.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.