2 מְלָכִים

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 21
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 מְלָכִים 21

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1בן שתים עשרה שנה מנשה במלכו וחמשים וחמש שנה מלך בירושלם ושם אמו חפצי בה׃
1Manasses was twaalf jaar oud, toen hij koning werd. Hij regeerde vijf en vijftig jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Chefsiba.
2ויעש הרע בעיני יהוה כתועבת הגוים אשר הוריש יהוה מפני בני ישראל׃
2Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, en volgde de verfoeilijke practijken van de volkeren, die Jahweh voor de Israëlieten had uitgedreven.
3וישב ויבן את הבמות אשר אבד חזקיהו אביו ויקם מזבחת לבעל ויעש אשרה כאשר עשה אחאב מלך ישראל וישתחו לכל צבא השמים ויעבד אתם׃
3Hij herbouwde de offerhoogten, die zijn vader Ezekias had verwoest, richtte altaren op voor Báal, en maakte een heilige zuil, zoals Achab, de koning van Israël, gedaan had. Ook wierp hij zich ter aarde voor heel het hemelse heir, en diende het.
4ובנה מזבחת בבית יהוה אשר אמר יהוה בירושלם אשים את שמי׃
4Zelfs bouwde hij altaren in de tempel van Jahweh, waarvan Jahweh gezegd had: Te Jerusalem zal Ik mijn Naam doen wonen!
5ויבן מזבחות לכל צבא השמים בשתי חצרות בית יהוה׃
5In beide voorhoven van de tempel van Jahweh richtte hij altaren op voor heel het hemelse heir.
6והעביר את בנו באש ועונן ונחש ועשה אוב וידענים הרבה לעשות הרע בעיני יהוה להכעיס׃
6Zijn zoon heeft hij in het vuur geofferd; hij maakte zich schuldig aan waarzeggerij en wichelarij, en stelde geestenbezweerders en toekomstvoorspellers aan. Hij deed dus al wat maar kwaad was in de ogen van Jahweh, om Hem te tergen.
7וישם את פסל האשרה אשר עשה בבית אשר אמר יהוה אל דוד ואל שלמה בנו בבית הזה ובירושלם אשר בחרתי מכל שבטי ישראל אשים את שמי לעולם׃
7Zelfs maakte hij een Asjerabeeld, en plaatste het in de tempel, waarvan Jahweh tot David en zijn zoon Salomon gezegd had: “In dit huis en te Jerusalem, dat Ik uit al de stammen van Israël heb verkoren, zal Ik mijn Naam voor altijd doen wonen.
8ולא אסיף להניד רגל ישראל מן האדמה אשר נתתי לאבותם רק אם ישמרו לעשות ככל אשר צויתים ולכל התורה אשר צוה אתם עבדי משה׃
8En wanneer de kinderen van Israël mijn geboden en de wet, die Ik door mijn dienaar Moses heb afgekondigd, getrouw onderhouden, zal Ik hen nooit meer verjagen uit het land, dat Ik aan hun vaderen gegeven heb.”
9ולא שמעו ויתעם מנשה לעשות את הרע מן הגוים אשר השמיד יהוה מפני בני ישראל׃
9Maar ze hebben niet willen luisteren; want Manasses heeft ze verleid, om meer kwaad te bedrijven, dan de volkeren, die Jahweh bij de komst van de Israëlieten had uitgeroeid.
10וידבר יהוה ביד עבדיו הנביאים לאמר׃
10Daarom sprak Jahweh door zijn dienaren de profeten:
11יען אשר עשה מנשה מלך יהודה התעבות האלה הרע מכל אשר עשו האמרי אשר לפניו ויחטא גם את יהודה בגלוליו׃
11Omdat Manasses, de koning van Juda, deze verfoeilijkheden heeft bedreven, waardoor hij meer kwaad deed dan vroeger de Amorieten, en omdat hij ook Juda met zijn schandgoden heeft doen zondigen,
12לכן כה אמר יהוה אלהי ישראל הנני מביא רעה על ירושלם ויהודה אשר כל שמעיו תצלנה שתי אזניו׃
12daarom spreekt Jahweh, Israëls God! Ik ga zulk een onheil brengen over Jerusalem en Juda, dat de oren van iedereen, die het hoort, zullen tuiten.
13ונטיתי על ירושלם את קו שמרון ואת משקלת בית אחאב ומחיתי את ירושלם כאשר ימחה את הצלחת מחה והפך על פניה׃
13Ik zal het meetsnoer van Samaria en het schietlood van Achabs huis over Jerusalem trekken, en Jerusalem uitwassen, zoals men een schotel wast en omlegt.
14ונטשתי את שארית נחלתי ונתתים ביד איביהם והיו לבז ולמשסה לכל איביהם׃
14Het overschot van mijn erfdeel zal Ik verstoten en het aan zijn vijanden overleveren, om door hen beroofd en uitgeplunderd te worden.
15יען אשר עשו את הרע בעיני ויהיו מכעסים אתי מן היום אשר יצאו אבותם ממצרים ועד היום הזה׃
15Want zij hebben gedaan wat kwaad was in mijn ogen, en Mij voortdurend getart, van de dag af, dat hun vaderen uit Egypte trokken, tot de dag van vandaag.
16וגם דם נקי שפך מנשה הרבה מאד עד אשר מלא את ירושלם פה לפה לבד מחטאתו אשר החטיא את יהודה לעשות הרע בעיני יהוה׃
16Bovendien heeft Manasses, afgezien van de zonden, waartoe hij de Judeërs verleidde, en waardoor zij zich tegenover Jahweh misdroegen, nog stromen onschuldig bloed vergoten, zodat Jerusalem er boordevol van werd.
17ויתר דברי מנשה וכל אשר עשה וחטאתו אשר חטא הלא הם כתובים על ספר דברי הימים למלכי יהודה׃
17De verdere geschiedenis van Manasses, met al wat hij deed, en de zonden, die hij bedreef, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
18וישכב מנשה עם אבתיו ויקבר בגן ביתו בגן עזא וימלך אמון בנו תחתיו׃
18Hij ging bij zijn vaderen te ruste, en werd in de tuin van zijn paleis, de tuin van Oezza, begraven. Zijn zoon Amon volgde hem op.
19בן עשרים ושתים שנה אמון במלכו ושתים שנים מלך בירושלם ושם אמו משלמת בת חרוץ מן יטבה׃
19Amon was twee en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaar te Jerusalem. Zijn moeder heette Mesjoellémet, en was de dochter van Charoes uit Jotba.
20ויעש הרע בעיני יהוה כאשר עשה מנשה אביו׃
20Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh, zoals zijn vader Manasses.
21וילך בכל הדרך אשר הלך אביו ויעבד את הגללים אשר עבד אביו וישתחו להם׃
21In alles volgde hij zijn vader na. Hij diende de schandgoden, die zijn vader gediend had, en wierp zich voor hen neer.
22ויעזב את יהוה אלהי אבתיו ולא הלך בדרך יהוה׃
22Maar Jahweh, den God zijner vaderen, verliet hij, en bewandelde de weg van Jahweh niet.
23ויקשרו עבדי אמון עליו וימיתו את המלך בביתו׃
23De hovelingen van koning Amon smeedden een samenzwering tegen hem, en doodden hem in zijn paleis.
24ויך עם הארץ את כל הקשרים על המלך אמון וימליכו עם הארץ את יאשיהו בנו תחתיו׃
24Maar het gewone volk vermoordde allen, die tegen koning Amon hadden samengespannen, en riep zijn zoon Josias tot koning uit in zijn plaats.
25ויתר דברי אמון אשר עשה הלא הם כתובים על ספר דברי הימים למלכי יהודה׃
25De verdere geschiedenis van Amon, met wat hij deed, is beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda.
26ויקבר אתו בקברתו בגן עזא וימלך יאשיהו בנו תחתיו׃
26Hij werd in het graf van zijn vader in de tuin van Oezza begraven. Zijn zoon Josias volgde hem op.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.