ΠΑΡΑΛΕΙΠΟΜΕΝΩΝ Β 28
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΥΙΟΣ εἴκοσι καὶ πέντε ἐτῶν ἦν Ἄχαζ ἐν τῷ βασιλεύειν αὐτὸν καὶ ἑκκαίδεκα ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ· καὶ οὐκ ἐποίησε τὸ εὐθὲς ἐνώπιον Κυρίου, ὡς Δαυὶδ ὁ πατὴρ αὐτοῦ.
1Achaz was twintig jaar, toen hij koning werd, en heeft zestien jaar in Jerusalem geregeerd. Hij deed niet wat recht was in de ogen van Jahweh, en volgde het voorbeeld van zijn vader David niet.
2καὶ ἐπορεύθη κατὰ τὰς ὁδοὺς βασιλέων Ἰσραήλ· καὶ γὰρ γλυπτὰ ἐποίησε
2Hij volgde het wangedrag van de koningen van Israël en liet zelfs gegoten beelden van de Báals vervaardigen.
3τοῖς εἰδώλοις αὐτῶν καὶ ἔθυεν ἐν Βενεννὸμ καὶ διῆγε τὰ τέκνα αὐτοῦ διὰ πυρὸς κατὰ τὰ βδελύγματα τῶν ἐθνῶν, ὧν ἐξωλόθρευσε Κύριος ἀπὸ προσώπου υἱῶν Ἰσραήλ,
3Hij offerde in het Ben-Hinnomdal, en liet daar zijn zonen verbranden volgens de afschuwelijke gebruiken der volken, die Jahweh voor de Israëlieten had uitgedreven.
4καὶ ἐθυμία ἐπὶ τῶν ὑψηλῶν καὶ ἐπὶ τῶν δωμάτων καὶ ὑποκάτω παντὸς ξύλου ἀλσώδους.
4Ook offerde en brandde hij wierook op hoogten en heuvels en onder elke groene boom.
5καὶ παρέδωκεν αὐτὸν Κύριος ὁ Θεὸς αὐτοῦ διὰ χειρὸς βασιλέως Συρίας, καὶ ἐπάταξεν ἐν αὐτῷ καὶ ᾐχμαλώτευσεν ἐξ αὐτῶν αἰχμαλωσίαν πολλὴν καὶ ἤγαγεν εἰς Δαμασκόν· καὶ γὰρ εἰς χεῖρας βασιλέως Ἰσραὴλ παρέδωκεν αὐτόν, καὶ ἐπάταξεν ἐν αὐτῷ πληγὴν μεγάλην.
5Daarom leverde Jahweh, zijn God, hem over aan den koning van Aram, die hem versloeg en velen van zijn volk gevangen naar Damascus bracht. Ook werd hij overgeleverd aan den koning van Israël, die hem een gevoelige nederlaag toebracht;
6καὶ ἀπέκτεινε Φακεὲ ὁ τοῦ Ρομελία βασιλεὺς Ἰσραὴλ ἐν Ἰούδᾳ ἐν μιᾷ ἡμέρᾳ ἑκατὸν εἴκοσι χιλιάδας ἀνδρῶν δυνατῶν ἰσχύϊ ἐν τῷ καταλιπεῖν αὐτοὺς Κύριον τὸν Θεὸν τῶν πατέρων αὐτῶν.
6op één dag werden er door Pékach, den zoon van Remaljáhoe, in Juda honderd twintigduizend dappere mannen vermoord, omdat zij Jahweh, den God hunner vaderen, hadden verlaten.
7καὶ ἀπέκτεινε Ζεχρὶ ὁ δυνατὸς τοῦ Ἐφραὶμ τὸν Μαασὰ τὸν υἱὸν τοῦ βασιλέως καὶ τὸν Ἐζρικὰν ἡγούμενον τοῦ οἴκου αὐτοῦ καὶ τὸν Ἑλκανὰ τὸν διάδοχον τοῦ βασιλέως.
7Bovendien doodde Zikri, een held uit Efraïm, den prins Maäsejáhoe, den hofmaarschalk Azrikam, en Elkana, den plaatsvervanger des konings.
8καὶ ᾐχμαλώτισαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἀπὸ τῶν ἀδελφῶν αὐτῶν τριακοσίας χιλιάδας, γυναῖκας καὶ υἱοὺς καὶ θυγατέρας, καὶ σκῦλα πολλὰ ἐσκύλευσαν ἐξ αὐτῶν καὶ ἤνεγκαν τὰ σκῦλα εἰς Σαμάρειαν.
8Verder namen de Israëlieten van hun broeders tweehonderdduizend vrouwen, jongens en meisjes gevangen, en bemachtigden een rijke buit, die ze naar Samaria brachten.
9καὶ ἐκεῖ ἦν ὁ προφήτης τοῦ Κυρίου, Ὠδὴδ ὄνομα αὐτῷ, καὶ ἐξῆλθεν εἰς ἀπάντησιν τῆς δυνάμεως τῶν ἐρχομένων εἰς Σαμάρειαν καὶ εἶπεν αὐτοῖς· ἰδοὺ ὀργὴ Κυρίου Θεοῦ τῶν πατέρων ὑμῶν ἐπὶ Ἰούδαν, καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς εἰς τὰς χεῖρας ὑμῶν, καὶ ἀπεκτείνατε ἐν αὐτοῖς ἐν ὀργῇ· καὶ ἕως τῶν οὐρανῶν ἔφθακε.
9Maar nu was er in Samaria een profeet van Jahweh, Oded genaamd. Deze ging het leger, dat daar zijn intocht zou houden, tegemoet, en sprak tot hen: Omdat Jahweh de God uwer vaderen, op Juda vertoornd was, heeft Hij hen in uw handen overgeleverd. Gij hebt echter onder hen gemoord met een woede, die ten hemel om wraak roept.
10καὶ νῦν υἱοὺς Ἰούδα καὶ Ἱερουσαλὴμ ὑμεῖς λέγετε κατακτήσασθαι εἰς δούλους καὶ δούλας· οὐκ ἰδού εἰμι μεθ' ὑμῶν μαρτυρῆσαι Κυρίῳ Θεῷ ὑμῶν;
10En nu denkt gij, Juda en Jerusalem te kunnen vertrappen als uw slaven en slavinnen. Maar rust er ook op u dan geen schuld tegenover Jahweh, uw God?
11καὶ νῦν ἀκούσατέ μου καὶ ἀποστρέψατε τὴν αἰχμαλωσίαν, ἣν ᾐχμαλωτεύσατε τῶν ἀδελφῶν ὑμῶν, ὅτι ὀργὴ θυμοῦ Κυρίου ἐφ' ὑμῖν.
11Luistert dus naar mij, en laat de gevangenen, die gij uw broeders ontroofd hebt, weer vrij; anders zal de toorn van Jahweh tegen u ontbranden!
12καὶ ἀνέστησαν ἄρχοντες ἀπὸ τῶν υἱῶν Ἐφραίμ, Οὐδείας ὁ τοῦ Ἰωανοῦ καὶ Βαραχίας ὁ τοῦ Μωσολαμὼθ καὶ Ἐζεκίας ὁ τοῦ Σελλὴμ καὶ Ἀμασίας ὁ τοῦ Ἐλδαΐ, ἐπὶ τοὺς ἐρχομένους ἀπὸ τοῦ πολέμου,
12Nu traden ook enigen van de voornaamste Efraïmieten voor het terugkerende leger; het waren Azarjáhoe, de zoon van Jehochanan, Berekjáhoe, de zoon van Mesjillemot, en Jechizki-jáhoe, de zoon van Sjalloem, en Amasa, de zoon van Chadlai.
13καὶ εἶπαν αὐτοῖς· οὐ μὴ εἰσαγάγητε τὴν αἰχμαλωσίαν ὧδε πρὸς ἡμᾶς, ὅτι εἰς τὸ ἁμαρτάνειν τῷ Κυρίῳ ἐφ' ἡμᾶς ὑμεῖς λέγετε, προσθεῖναι ἐπὶ ταῖς ἁμαρτίαις ἡμῶν καὶ ἐπὶ τὴν ἄγνοιαν ἡμῶν, ὅτι πολλὴ ἡ ἁμαρτία ἡμῶν καὶ ὀργὴ θυμοῦ Κυρίου ἐπὶ τὸν Ἰσραήλ.
13En ze zeiden tot hen: Brengt de gevangenen niet hierheen! Zijt gij van plan, onze schuld tegenover Jahweh nog te vergroten door een nieuwe zonde en een nieuwe schuld? Onze schuld is al groot genoeg, om de Toorn tegen Israël te laten ontbranden.
14καὶ ἀφῆκαν οἱ πολεμισταὶ τὴν αἰχμαλωσίαν καὶ τὰ σκῦλα ἐναντίον τῶν ἀρχόντων καὶ πάσης τῆς ἐκκλησίας.
14Daarop lieten de soldaten de gevangenen vrij, ten aanschouwen van de voormannen en het gehele vergaderde volk.
15καὶ ἀνέστησαν ἄνδρες, οἳ ἐπεκλήθησαν ἐν ὀνόματι, καὶ ἀντελάβοντο τῆς αἰχμαλωσίας καὶ πάντας τοὺς γυμνοὺς περιέβαλον ἀπὸ τῶν σκύλων καὶ ἐνέδυσαν αὐτοὺς καὶ ὑπέδυσαν αὐτοὺς καὶ ἔδωκαν φαγεῖν καὶ ἀλείψασθαι καὶ ἀντελάβοντο καὶ ἐν ὑποζυγίοις παντὸς ἀσθενοῦντος καὶ κατέστησαν αὐτοὺς εἰς Ἱεριχὼ πόλιν Φοινίκων πρὸς τοὺς ἀδελφοὺς αὐτῶν, καὶ ἐπέστρεψαν εἰς Σαμάρειαν.
15En de zojuist met name genoemde mannen boden zich aan, om de gevangenen te helpen; die onvoldoende gekleed waren, verstrekten zij kleding en schoeisel uit de buit; ze gaven hun te eten en te drinken, zalfden hen, lieten de meest vermoeiden op ezels zetten, en begeleidden hen tot Jericho, de Palmenstad, in de buurt van hun landgenoten. Toen keerden ze naar Samaria terug.
16Ἐν τῷ καιρῷ ἐκείνῳ ἀπέστειλεν ὁ βασιλεὺς Ἄχαζ πρὸς βασιλέα Ἀσσοὺρ βοηθῆσαι αὐτῷ καὶ ἐν τούτῳ,
16In die tijd liet koning Achaz aan de koningen van Assjoer verzoeken, of zij hem helpen wilden.
17ὅτι οἱ Ἰδουμαῖοι ἐπέθεντο καὶ ἐπάταξαν ἐν Ἰούδᾳ καὶ ᾐχμαλώτισαν αἰχμαλωσίαν
17Want de Edomieten waren opgerukt, hadden Juda verslagen en krijgsgevangenen gemaakt;
18καὶ οἱ ἀλλόφυλοι ἐπέθεντο ἐπὶ τὰς πόλεις τῆς πεδινῆς καὶ ἀπὸ λιβὸς τοῦ Ἰούδα καὶ ἔλαβον τὴν Βαιθσαμὺς καὶ τὴν Ἀϊλὼν καὶ τὴν Γαδηρὼθ καὶ τὴν Σωχὼ καὶ τὰς κώμας αὐτῆς καὶ τὴν Θαμνὰ καὶ τὰς κώμας αὐτῆς καὶ τὴν Γαμζὼ καὶ τὰς κώμας αὐτῆς καὶ κατῴκησαν ἐκεῖ·
18ook de Filistijnen hadden een inval gedaan in de steden van de Kustvlakte en de Négeb van Juda, en Bet-Sjémesj, Ajjalon, Gederot, Soko met onderhorigheden, Timna met onderhorigheden, en Gimzo met onderhorigheden veroverd, en zich zelf daar gevestigd.
19ὅτι ἐταπείνωσε Κύριος τὸν Ἰούδαν διὰ Ἄχαζ βασιλέα Ἰούδα, ὅτι ἀπέστη ἀποστάσει ἀπὸ Κυρίου.
19Jahweh immers had Juda vernederd, om koning Achaz van Juda te straffen, die in Juda een tuchteloosheid had ontketend, en van Jahweh was afgevallen.
20καὶ ἦλθεν ἐπ' αὐτὸν Θαγλαθφελλασὰρ βασιλεὺς Ἀσσοὺρ καὶ ἐπάταξεν αὐτόν.
20Maar inplaats van hem te helpen, rukte koning Tiglat-Pilnéser van Assjoer tegen hem op, en dreef hem in het nauw.
21καὶ ἔλαβεν Ἄχαζ τὰ ἐν οἴκῳ Κυρίου καὶ τὰ ἐν οἴκῳ τοῦ βασιλέως καὶ τῶν ἀρχόντων καὶ ἔδωκε τῷ βασιλεῖ Ἀσσοὺρ καὶ οὐκ εἰς βοήθειαν αὐτῷ ἦν,
21En al plunderde Achaz ook de tempel van Jahweh en de paleizen van koning en vorsten, en al gaf hij dat ook aan den koning van Assjoer, het hielp hem niets.
22ἀλλ' ἢ τῷ θλιβῆναι αὐτόν. καὶ προσέθηκε τοῦ ἀποστῆναι ἀπὸ Κυρίου. καὶ εἶπεν ὁ βασιλεὺς Ἄχαζ·
22Ja, toen hij in het nauw werd gedreven, viel diezelfde koning Achaz altijd maar verder van Jahweh af.
23ἐκζητήσω τοὺς θεοὺς Δαμασκοῦ τοὺς τύπτοντάς με· καὶ εἶπεν ὅτι θεοὶ βασιλέως Συρίας αὐτοὶ κατισχύσουσιν αὐτούς, αὐτοῖς τοίνυν θύσω, καὶ ἀντιλήψονταί μου. καὶ αὐτοὶ ἐγένοντο αὐτῷ εἰς σκῶλον καὶ παντὶ Ἰσραήλ.
23Hij droeg offers op ter ere van de goden van Damascus, die hem nog wel verslagen hadden, en zeide: De goden van de koningen van Aram hebben hen geholpen; laat ook ik hun dus een offer brengen, dan helpen ze ook mij. Maar zij hebben hem en heel Israël enkel nog dieper doen vallen.
24καὶ ἀπέστησεν Ἄχαζ τὰ σκεύη οἴκου Κυρίου καὶ κατέκοψεν αὐτὰ καὶ ἔκλεισε τὰς θύρας οἴκου Κυρίου καὶ ἐποίησεν ἑαυτῷ θυσιαστήρια ἐν πάσῃ γωνίᾳ ἐν Ἱερουσαλήμ·
24Achaz liet alle benodigdheden van het Godshuis bijeenbrengen en er het goud van afsnijden. Hij sloot de poorten van de tempel van Jahweh, en liet altaren oprichten op elke straathoek in Jerusalem;
25καὶ ἐν πάσῃ πόλει καὶ πόλει ἐν Ἰούδᾳ ἐποίησεν ὑψηλὰ θυμιᾶν θεοῖς ἀλλοτρίοις, καὶ παρώργισαν Κύριον τὸν Θεὸν τῶν πατέρων αὐτῶν.
25en in de andere steden van Juda liet hij offerhoogten aanleggen, om ter ere van vreemde goden te offeren. Zo tergde hij Jahweh, den God zijner vaderen.
26καὶ οἱ λοιποὶ λόγοι αὐτοῦ καὶ αἱ πράξεις αὐτοῦ αἱ πρῶται καὶ ἔσχαται ἰδοὺ γεγραμμέναι ἐπὶ βιβλίῳ βασιλέων Ἰούδα καὶ Ἰσραήλ.
26Zijn verdere geschiedenis en daden, de vroegere zowel als de latere, staan opgetekend in het boek der koningen van Juda en Israël.
27καὶ ἐκοιμήθη Ἄχαζ μετὰ τῶν πατέρων αὐτοῦ καὶ ἐτάφη ἐν πόλει Δαυίδ, ὅτι οὐκ εἰσήνεγκαν αὐτὸν εἰς τοὺς τάφους τῶν βασιλέων Ἰσραήλ· καὶ ἐβασίλευσεν Ἐζεκίας υἱὸς αὐτοῦ ἀντ' αὐτοῦ.
27Achaz ging bij zijn vaderen te ruste; hij werd te Jerusalem in de stad begraven, maar niet in de graven der koningen van Israël bijgezet. Zijn zoon Ezekias volgde hem op.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.