ΠΑΡΑΛΕΙΠΟΜΕΝΩΝ Β
Chapter 13
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΠΑΡΑΛΕΙΠΟΜΕΝΩΝ Β 13

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΕΝ τῷ ὀκτωκαιδεκάτῳ ἔτει τῆς βασιλείας Ἱεροβοὰμ ἐβασίλευσεν Ἀβιὰ ἐπὶ Ἰούδαν·
1In het achttiende jaar der regering van Jeroboam werd Abias koning van Juda.
2τρία ἔτη ἐβασίλευσεν ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ ὄνομα τῇ μητρὶ αὐτοῦ Μααχὰ θυγάτηρ Οὐριὴλ ἀπὸ Γαβαών. καὶ πόλεμος ἦν ἀνὰ μέσον Ἀβιὰ καὶ ἀνὰ μέσον Ἱεροβοάμ.
2Drie jaar heeft hij in Jerusalem geregeerd. Zijn moeder heette Mikajáhoe, en was de dochter van Oeriël uit Giba. Er brak oorlog uit tussen Abias en Jeroboam.
3καὶ παρετάξατο Ἀβιὰ ἐν δυνάμει πολεμισταῖς δυνάμεως τετρακοσίαις χιλιάσιν ἀνδρῶν δυνατῶν, καὶ Ἱεροβοὰμ παρετάξατο πρὸς αὐτὸν πόλεμον ἐν ὀκτακοσίαις χιλιάσι, δυνατοὶ πολεμισταὶ δυνάμεως.
3Abias bond de strijd aan met een heldenschaar van vier honderdduizend uitgelezen manschappen; Jeroboam stelde zich met acht honderdduizend krijgers, eveneens dappere helden, tegen hem op.
4καὶ ἀνέστη Ἀβιὰ ἀπὸ τοῦ ὄρους Σομόρων, ὅ ἐστιν ἐν τῷ ὄρει Ἐφραίμ, καὶ εἶπεν· ἀκούσατε Ἱεροβοὰμ καὶ πᾶς Ἰσραήλ·
4Nu ging Abias op de berg Semaráim staan, die tot het Efraïmgebergte behoort, en sprak: Luistert naar mij, Jeroboam en heel Israël!
5οὐχ ὑμῖν γνῶναι ὅτι Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ ἔδωκε βασιλέα ἐπὶ τὸν Ἰσραὴλ εἰς τὸν αἰῶνα τῷ Δαυὶδ καὶ τοῖς υἱοῖς αὐτοῦ διαθήκῃ ἁλός;
5Gij weet heel goed, dat Jahweh, de God van Israël, op grond van een verbond, door zout bekrachtigd, het koningschap over Israël voor eeuwig aan David en zijn nageslacht heeft verleend.
6καὶ ἀνέστη Ἱεροβοὰμ ὁ τοῦ Ναβὰτ ὁ παῖς Σαλωμὼν τοῦ Δαυὶδ καὶ ἀπέστη ἀπὸ τοῦ κυρίου αὐτοῦ.
6Maar toen is Jeroboam opgestaan, de zoon van Nebat, een onderdaan van Salomon, den zoon van David, en in opstand tegen zijn heer gekomen.
7καὶ συνήχθησαν πρὸς αὐτὸν ἄνδρες λοιμοὶ υἱοὶ παράνομοι, καὶ ἀντέστη πρὸς Ροβοὰμ τὸν τοῦ Σαλωμών, καὶ Ροβοὰμ ἦν νεώτερος καὶ δειλὸς τῇ καρδίᾳ καὶ οὐκ ἀντέστη κατὰ πρόσωπον αὐτοῦ.
7Een aantal leeglopers en Belialskinderen hebben zich bij hem gevoegd, en hij wist Roboam, den zoon van Salomon, te trotseren, omdat Roboam veel te jong en onzelfstandig was, om zijn gezag tegenover hem te kunnen handhaven.
8καὶ νῦν ὑμεῖς λέγετε ἀντιστῆναι κατὰ πρόσωπον βασιλείας Κυρίου διὰ χειρὸς υἱῶν Δαυίδ· καὶ ὑμεῖς πλῆθος πολὺ καὶ μεθ' ὑμῶν μόσχοι χρυσοῖ, οὓς ἐποίησεν ὑμῖν Ἱεροβοὰμ εἰς θεούς.
8En nu meent gij, dat gij u kunt verzetten tegen het koninkrijk van Jahweh, door Davids nageslacht bestuurd, omdat gij over een groot leger beschikt en de gouden kalveren hebt meegebracht, die Jeroboam u als uw goden heeft gegeven!
9ἦ οὐκ ἐξεβάλετε τοὺς ἱερεῖς Κυρίου τοὺς υἱοὺς Ἀαρὼν καὶ τοὺς Λευίτας καὶ ἐποιήσατε ἑαυτοῖς ἱερεῖς ἐκ τοῦ λαοῦ τῆς γῆς πάσης; ὁ προσπορευόμενος πληρῶσαι τὰς χεῖρας ἐν μόσχῳ ἐκ βοῶν καὶ κριοῖς ἑπτὰ καὶ ἐγίνετο εἰς ἱερέα τῷ μὴ ὄντι θεῷ.
9Gij hebt de priesters van Jahweh, de zonen van Aäron en de levieten verdreven, en zelf priesters aangesteld, juist als de volken van vreemde landen; en iedereen, die met een jongen stier en zeven bokken kwam, om zich te laten wijden, werd priester van die zogenaamde goden.
10καὶ ἡμεῖς Κύριον τὸν Θεὸν ἡμῶν οὐκ ἐγκατελίπομεν, καὶ οἱ ἱερεῖς αὐτοῦ λειτουργοῦσι τῷ Κυρίῳ οἱ υἱοὶ Ἀαρὼν καὶ οἱ Λευῖται, καὶ ἐν ταῖς ἐφημερίαις αὐτῶν·
10Maar wij hebben Jahweh, onzen God; wij hebben Hem niet verlaten; onze priesters, de zonen van Aäron, dienen Jahweh en de levieten staan hen bij.
11θυμιῶσι τῷ Κυρίῳ ὁλοκαύτωμα πρωΐ καὶ δείλης καὶ θυμίαμα συνθέσεως καὶ προθέσεις ἄρτων ἐπὶ τῆς τραπέζης τῆς καθαρᾶς, καὶ ἡ λυχνία ἡ χρυσῆ καὶ οἱ λύχνοι τῆς καύσεως ἀνάψαι δείλης, ὅτι φυλάσσομεν τὰς φυλακὰς Κυρίου τοῦ Θεοῦ τῶν πατέρων ἡμῶν, καὶ ὑμεῖς ἐγκατελίπετε αὐτόν.
11Elke morgen en elke avond offeren zij brandoffers en geurige wierook ter ere van Jahweh, leggen de toonbroden op de reine tafel, en branden elke avond de gouden luchter met haar lampen. Wij onderhouden dus de dienst van Jahweh, onzen God; maar gij hebt Hem verlaten.
12καὶ ἰδοὺ μεθ' ἡμῶν ἐν ἀρχῇ Κύριος καὶ οἱ ἱερεῖς αὐτοῦ καὶ αἱ σάλπιγγες τῆς σημασίας τοῦ σημαίνειν ἐφ' ἡμᾶς. οἱ υἱοὶ τοῦ Ἰσραὴλ μὴ πολεμήσητε πρὸς Κύριον Θεὸν τῶν πατέρων ἡμῶν, ὅτι οὐκ εὐοδώσεται ὑμῖν.
12Zie, bij ons staat God aan de spits, en zijn priesters, met de blaastrompetten, om die tegen u te laten weerschallen. Israëlieten, voert toch geen krijg tegen Jahweh, den God van uw vaderen; gij zult niets bereiken!
13καὶ Ἱεροβοὰμ ἀπέστρεψε τὸ ἔνεδρον ἐλθεῖν αὐτῷ ἐκ τῶν ὄπισθεν· καὶ ἐγένετο ἔμπροσθεν Ἰούδα, καὶ τὸ ἔνεδρον ἐκ τῶν ὄπισθεν.
13Maar intussen had Jeroboam een deel van zijn troepen een omsingelende beweging laten maken, om hen in de rug aan te vallen, zodat een deel van zijn leger front tegen Juda maakte en een ander gedeelte in hinderlaag achter hen lag.
14καὶ ἀπέστρεψεν Ἰούδας, καὶ ἰδοὺ αὐτοῖς ὁ πόλεμος ἐκ τῶν ἔμπροσθεν καὶ ἐκ τῶν ὄπισθεν, καὶ ἐβόησαν πρὸς Κύριον, καὶ οἱ ἱερεῖς ἐσάλπισαν ταῖς σάλπιγξι·
14Toen de Judeërs dan ook de toestand overzagen en bemerkten, dat ze zowel van voren als van achteren werden aangevallen, baden zij tot Jahweh, bliezen de priesters op de bazuin,
15καὶ ἐβόησαν ἄνδρες Ἰούδα καὶ ἐγένετο ἐν τῷ βοᾶν ἄνδρας Ἰούδα καὶ Κύριος ἐπάταξε τὸν Ἱεροβοὰμ καὶ τὸν Ἰσραὴλ ἐναντίον Ἀβιὰ καὶ Ἰούδα.
15en hieven de Judeërs de strijdkreet aan. En nauwelijks hadden de Judeërs de strijdkreet aangeheven, of God sloeg Jeroboam en heel Israël voor Abias en Juda.
16καὶ ἔφυγον οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἀπὸ προσώπου Ἰούδα, καὶ παρέδωκεν αὐτοὺς Κύριος εἰς τὰς χεῖρας αὐτῶν.
16De Israëlieten namen de vlucht, maar God leverde hen aan de Judeërs over.
17καὶ ἐπάταξεν ἐν αὐτοῖς Ἀβιὰ καὶ ὁ λαὸς αὐτοῦ πληγὴν μεγάλην, καὶ ἔπεσον τραυματίαι ἀπὸ Ἰσραὴλ πεντακόσιαι χιλιάδες ἄνδρες δυνατοί.
17Abias en zijn volk richtten een groot bloedbad onder hen aan, en er sneuvelden van Israël wel vijf honderdduizend krijgers.
18καὶ ἐταπεινώθησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ, καὶ κατίσχυσαν οἱ υἱοὶ Ἰούδα, ὅτι ἤλπισαν ἐπὶ Κύριον Θεὸν τῶν πατέρων αὐτῶν.
18Zo werden de Israëlieten bij die gelegenheid vernederd, en kregen de Judeërs de overhand, omdat zij hun toevlucht hadden genomen tot Jahweh, den God van hun vaderen.
19καὶ κατεδίωξεν Ἀβιὰ ὀπίσω Ἱεροβοὰμ καὶ προκατελάβετο παρ' αὐτοῦ πόλεις, τὴν Βαιθὴλ καὶ τὰς κώμας αὐτῆς καὶ τὴν Ἰσανὰ καὶ τὰς κώμας αὐτῆς καὶ τὴν Ἐφρὼν καὶ τὰς κώμας αὐτῆς.
19Abias achtervolgde Jeroboam, en nam hem enige steden af, namelijk Betel met onderhorigheden, Jesjana met onderhorigheden en Efron met onderhorigheden.
20καὶ οὐκ ἔσχεν ἰσχὺν Ἱεροβοὰμ ἔτι πάσας τὰς ἡμέρας Ἀβιά, καὶ ἐπάταξεν αὐτὸν Κύριος, καὶ ἐτελεύτησε.
20Zolang Abias leefde, kon Jeroboam zich niet meer herstellen; hij werd door Jahweh getroffen en stierf.
21καὶ κατίσχυσεν Ἀβιὰ καὶ ἔλαβεν ἑαυτῷ γυναῖκας δεκατέσσαρας καὶ ἐγέννησεν υἱοὺς εἰκοσιδύο καὶ ἑκκαίδεκα θυγατέρας.
21Zo werd Abias steeds machtiger. Hij nam veertien vrouwen, en werd de vader van twee en twintig zonen en zes en twintig dochters.
22καὶ οἱ λοιποὶ λόγοι Ἀβιὰ καὶ αἱ πράξεις αὐτοῦ καὶ οἱ λόγοι αὐτοῦ γεγραμμένοι ἐπὶ βιβλίῳ τοῦ προφήτου Ἀδδώ.
22De overige geschiedenis van Abias, van zijn handel en wandel, staat beschreven in het Leerboek van den profeet Iddo.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.