Mark 6
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And going out from thence, he went into his own country; and his disciples followed him.
1Hij vertrok van daar, en ging naar zijn vaderstad; en zijn leerlingen volgden Hem.
2And when the sabbath was come, he began to teach in the synagogue: and many hearing him were in admiration at his doctrine, saying: How came this man by all these things? and what wisdom is this that is given to him, and such mighty works as are wrought by his hands?
2En op de sabbat begon Hij in de synagoge te leren. De vele toehoorders stonden verbaasd, en ze zeiden: Waar heeft Hij dit alles vandaan? Wat is dit voor wijsheid, die Hem is gegeven; en wat zijn het voor wonderen, die door zijn handen gebeuren?
3Is not this the carpenter, the son of Mary, the brother of James, and Joseph, and Jude, and Simon? are not also his sisters here with us? And they were scandalized in regard of him.
3Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria, de broer van Jakobus en Josef, Judas en Simon; en leven zijn zusters niet hier onder ons? En ze ergerden zich aan Hem.
4And Jesus said to them: A prophet is not without honor, but in his own country, and in his own house, and among his own kindred.
4Maar Jesus zeide tot hen: Een profeet wordt enkel in zijn vaderland miskend, onder zijn verwanten en in zijn familie.
5And he could not do any miracles there, only that he cured a few that were sick, laying his hands upon them.
5Hij kon daar geen wonder verrichten, behalve enkele zieken genezen, door ze de handen op te leggen.
6And he wondered because of their unbelief, and he went through the villages round about teaching.
6En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. Nu trok Hij de dorpen in de omtrek al lerende rond.
7And he called the twelve; and began to send them two and two, and gave them power over unclean spirits.
7Ook riep Hij het twaalftal bij Zich, zond ze twee aan twee uit, en gaf hun de macht over de onreine geesten.
8And he commanded them that they should take nothing for the way, but a staff only: no scrip, no bread, nor money in their purse,
8Hij gebood hun, niets mee te nemen op weg, dan alleen een staf; geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel;
9But to be shod with sandals, and that they should not put on two coats.
9ze mochten wel sandalen dragen, maar geen dubbele onderkleding.
10And he said to them: Wheresoever you shall enter into an house, there abide till you depart from that place.
10En Hij sprak tot hen: Wanneer gij een huis zijt binnengegaan. blijft dan daar, totdat gij weer afreist.
11And whosoever shall not receive you, nor hear you; going forth from thence, shake off the dust from your feet for a testimony to them.
11En waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, gaat daar vandaan, en schudt het stof van uw voeten, als een getuigenis tegen hen.
12And going forth they preached that men should do penance:
12Ze gingen heen, en preekten, dat men zich zou bekeren.
13And they cast out many devils, and anointed with oil many that were sick, and healed them.
13Ze dreven vele duivels uit, zalfden vele zieken met olie, en genazen ze.
14And king Herod heard, (for his name was made manifest,) and he said: John the Baptist is risen again from the dead, and therefore mighty works shew forth themselves in him.
14Ook koning Herodes hoorde van Hem: want zijn naam werd beroemd. Men zeide: Johannes de Doper is van de doden opgestaan; daarom werken die krachten in Hem.
15And others said: It is Elias. But others said: It is a prophet, as one of the prophets.
15Anderen zeiden: Het is Elias. Anderen weer: Hij is een gewone profeet.
16Which Herod hearing, said: John whom I beheaded, he is risen again from the dead.
16Maar toen Herodes het hoorde, zeide hij: Het is Johannes, dien ik onthoofd heb; hij is verrezen.
17For Herod himself had sent and apprehended John, and bound him in prison for the sake of Herodias the wife of Philip his brother, because he had married her.
17Herodes namelijk had Johannes laten grijpen, in boeien geslagen en in de gevangenis geworpen, naar aanleiding van Heródias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar had gehuwd.
18For John said to Herod: It is not lawful for thee to have thy brother’s wife.
18Want Johannes had tot Herodes gezegd: Ge moogt de vrouw van uw broer niet hebben.
19Now Herodias laid snares for him: and was desirous to put him to death, and could not.
19Heródias was hem dus vijandig gezind, en wilde hem doden; maar het lukte haar niet.
20For Herod feared John, knowing him to be a just and holy man: and kept him, and when he heard him, did many things: and he heard him willingly.
20Want Herodes had ontzag voor Johannes, daar hij wist, dat hij een rechtvaardig en heilig man was; en hij beschermde hem. Telkens wanneer hij hem hoorde, raakte hij in grote verlegenheid; toch luisterde hij gaarne naar hem.
21And when a convenient day was come, Herod made a supper for his birthday, for the princes, and tribunes, and chief men of Galilee.
21Maar er kwam een gunstige dag, toen Herodes op zijn verjaringsfeest een maaltijd gaf aan zijn groten en legeroversten en de aanzienlijken van Galilea.
22And when the daughter of the same Herodias had come in, and had danced, and pleased Herod, and them that were at table with him, the king said to the damsel: Ask of me what thou wilt, and I will give it thee.
22Nu kwam de dochter van die Heródias binnen, en danste; en ze behaagde aan Herodes en aan de gasten. Toen sprak de koning tot het meisje: Vraag van mij wat ge wilt, en ik zal het u geven.
23And he swore to her: Whatsoever thou shalt ask I will give thee, though it be the half of my kingdom.
23En hij zwoer haar: Wat ge ook vraagt, ik zal het u geven, al was het ook de helft van mijn rijk.
24Who when she was gone out, said to her mother, What shall I ask? But she said: The head of John the Baptist.
24Ze ging heen. en zei tot haar moeder: Wat zal ik vragen? Deze sprak: Het hoofd van Johannes den Doper.
25And when she was come in immediately with haste to the king, she asked, saying: I will that forthwith thou give me in a dish, the head of John the Baptist.
25Aanstonds spoedde ze zich naar den koning, en eiste: Ik verlang, dat ge me op staande voet op een schotel het hoofd van Johannes den Doper geeft.
26And the king was struck sad. Yet because of his oath, and because of them that were with him at table, he would not displease her:
26Wel had de koning er spijt van, maar om de eed en om de gasten wilde hij haar niet teleurstellen.
27But sending an executioner, he commanded that his head should be brought in a dish.
27Onmiddellijk stuurde hij een der trawanten. en gaf bevel, het hoofd van Johannes te brengen. Deze ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis.
28And he beheaded him in the prison, and brought his head in a dish: and gave it to the damsel, and the damsel gave it to her mother.
28Hij bracht het hoofd op een schotel, en gaf het aan het meisje; en het meisje gaf het aan haar moeder.
29Which his disciples hearing came, and took his body, and laid it in a tomb.
29Toen zijn leerlingen dit hadden gehoord, kwamen ze zijn lichaam halen, en legden het in een graf.
30And the apostles coming together unto Jesus, related to him all things that they had done and taught.
30Toen de apostelen te zamen bij Jesus waren teruggekeerd, verhaalden ze Hem al wat ze hadden gedaan en geleerd.
31And he said to them: Come apart into a desert place, and rest a little. For there were many coming and going: and they had not so much as time to eat.
31En Hij zeide tot hen: Komt nu met Mij mee naar een eenzame plaats, en rust wat uit. Want velen liepen in en uit, zodat ze zelfs geen tijd hadden om te eten.
32And going up into a ship, they went into a desert place apart.
32Geheel alleen vertrokken ze dus in de boot naar een eenzame plaats.
33And they saw them going away, and many knew: and they ran flocking thither on foot from all the cities, and were there before them.
33Maar velen zagen hen vertrekken, en begrepen waarheen; uit alle steden liep men gezamenlijk te voet daar naar toe, en men was er nog eerder dan zij.
34And Jesus going out saw a great multitude: and he had compassion on them, because they were as sheep not having a shepherd, and he began to teach them many things.
34Toen Jesus uitsteeg, zag Hij dus een talrijke schare. Hij had medelijden met hen, daar ze als schapen zonder herder waren; en Hij begon ze velerlei dingen te leren.
35And when the day was now far spent, his disciples came to him, saying: This is a desert place, and the hour is now past:
35Toen het reeds laat was geworden, kwamen zijn leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is reeds laat geworden;
36Send them away, that going into the next villages and towns, they may buy themselves meat to eat.
36stuur ze weg, dan kunnen ze naar de omliggende dorpen en gehuchten gaan, om zich levensmiddelen te kopen.
37And he answering said to them: Give you them to eat. And they said to him: Let us go and buy bread for two hundred pence, and we will give them to eat.
37Maar Hij gaf hun ten antwoord: Geeft gij hun te eten! Ze zeiden Hem: Zullen we dan voor tweehonderd tienlingen brood gaan kopen, en hun te eten geven?
38And he saith to them: How many loaves have you? go and see. And when they knew, they say: Five, and two fishes.
38Maar Hij sprak tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat eens zien. En na gedaan onderzoek zeiden ze: Vijf, en twee vissen.
39And he commanded them that they should make them all sit down by companies upon the green grass.
39Nu gebood Hij hun, ze allen in groepen neer te zetten op het groene gras.
40And they sat down in ranks, by hundreds and by fifties.
40Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig.
41And when he had taken the five loaves, and the two fishes: looking up to heaven, he blessed, and broke the loaves, and gave to his disciples to set before them: and the two fishes he divided among them all.
41Toen nam Hij de vijf broden en de twee vissen, zag op ten hemel, en sprak er de zegen over uit: Hij brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen, om ze hun aan te bieden: ook de twee vissen verdeelde Hij onder hen.
42And they all did eat, and had their fill.
42Allen aten en werden verzadigd.
43And they took up the leavings, twelve full baskets of fragments, and of the fishes.
43En ze verzamelden de brokken; twaalf korven vol, behalve nog het overschot van de vissen.
44And they that did eat, were five thousand men.
44Het waren vijf duizend mannen, die van de broden hadden gegeten.
45And immediately he obliged his disciples to go up into the ship, that they might go before him over the water to Bethsaida, whilst he dismissed the people.
45Onmiddellijk daarna dwong Hij zijn leerlingen om scheep te gaan, en vóór Hem uit naar Betsáida over te steken; intussen zond Hij de schare heen.
46And when he had dismissed them, he went up to the mountain to pray.
46En nadat Hij ze had weggezonden, ging Hij het gebergte in, om er te bidden.
47And when it was late, the ship was in the midst of the sea, and himself alone on the land.
47Toen het nacht begon te worden, was de boot midden op het meer, en Hij was alleen op het land.
48And seeing them labouring in rowing, (for the wind was against them,) and about the fourth watch of the night, he cometh to them walking upon the sea, and he would have passed by them.
48Hij zag ze tobben, om vooruit te komen; want de wind was tegen. En tegen de vierde nachtwaak kwam Hij naar hen toe, wandelend op het meer; en Hij wilde ze voorbijgaan.
49But they seeing him walking upon the sea, thought it was an apparition, and they cried out.
49Toen ze Hem op het meer zagen wandelen, meenden ze, dat het een spook was, en ze gilden het uit;
50For they all saw him, and were troubled. And immediately he spoke with them, and said to them: Have a good heart, it is I, fear ye not.
50want allen zagen Hem, en waren ontsteld. Aanstonds sprak Hij hen toe, en zeide hun: Weest gerust, Ik ben het; vreest niet!
51And he went up to them into the ship, and the wind ceased: and they were far more astonished within themselves:
51Hij stapte bij hen in de boot, en de wind bedaarde. Nu raakten ze heel en al van streek;
52For they understood not concerning the loaves; for their heart was blinded.
52want ze waren door de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was blind gebleven.
53And when they had passed over, they came into the land of Genezareth, and set to the shore.
53Toen ze de overkant hadden bereikt, kwamen ze in het land Gennézaret; daar legden ze aan.
54And when they were gone out of the ship, immediately they knew him:
54Nauwelijks waren ze uit de boot gegaan, of men had Hem herkend.
55And running through that whole country, they began to carry about in beds those that were sick, where they heard he was.
55En men liep die hele landstreek af; en als men hoorde, dat Hij ergens was, begon men de zieken op hun bedden daarheen te dragen.
56And whithersoever he entered, into towns or into villages or cities, they laid the sick in the streets, and besought him that they might touch but the hem of his garment: and as many as touched him were made whole.
56Waar Hij ook kwam, in dorpen, steden of gehuchten, daar legden ze de zieken neer op de pleinen, en baden Hem, dat ze enkel de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden genezen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.