Ruth 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Maar eens zei haar schoonmoeder Noömi tot haar: Ik moet toch een tehuis voor u zoeken, mijn dochter, waarin ge het goed zult hebben.
1ΚΑΙ ἐκάθισε μετὰ τῆς πενθερᾶς αὐτῆς. εἶπε δὲ αὐτῇ Νωεμὶν ἡ πενθερὰ αὐτῆς· θύγατερ, οὐ μὴ ζητήσω σοι ἀνάπαυσιν, ἵνα εὖ γένηταί σοι;
2Welnu, die Bóoz, die bloedverwant van ons, bij wiens knechten ge zijt geweest, gaat vanavond gerst wannen op het dorsveld.
2καὶ νῦν οὐχὶ Βοὸζ γνώριμος ἡμῶν, οὗ ἦς μετὰ τῶν κορασίων αὐτοῦ; ἰδοὺ αὐτὸς λικμᾷ τὸν ἅλωνα τῶν κριθῶν ταύτῃ τῇ νυκτί.
3Ga u wassen en zalven; doe dan uw mantel om, en ga naar het dorsveld. Maar ge moet er voor zorgen, door den man niet opgemerkt te worden, vóór hij klaar is met eten en drinken.
3σὺ δὲ λούσῃ καὶ ἀλείψῃ καὶ περιθήσεις τὸν ἱματισμόν σου ἐπί σεαυτῇ καὶ ἀναβήσῃ ἐπὶ τὸν ἅλω· μὴ γνωρισθῇς τῷ ἀνδρὶ ἕως τοῦ συντελέσαι αὐτὸν τοῦ φαγεῖν καὶ πιεῖν·
4Als hij echter gaat slapen, let dan goed op, waar hij zich neerlegt; ge gaat er heen, neemt het dek van zijn voeten weg, en legt u daar neer; hij zal u wel zeggen, wat ge moet doen.
4καὶ ἔσται ἐν τῷ κοιμηθῆναι αὐτόν, καὶ γνώσῃ τὸν τόπον ὅπου κοιμᾶται ἐκεῖ, καὶ ἐλεύσῃ καὶ ἀποκαλύψεις τὰ πρὸς ποδῶν αὐτοῦ καὶ κοιμηθήσῃ, καὶ αὐτὸς ἀπαγγελεῖ σοι ἃ ποιήσεις.
5Zij antwoordde haar: Ik zal doen, wat ge gezegd hebt.
5εἶπε δὲ Ροὺθ πρὸς αὐτήν· πάντα ὅσα ἂν εἴπῃς, ποιήσω.
6Daarop ging ze naar het dorsveld, en deed, wat haar schoonmoeder haar bevolen had.
6καὶ κατέβη εἰς τὸν ἅλω καὶ ἐποίησε κατὰ πάντα, ὅσα ἐνετείλατο αὐτῇ ἡ πενθερὰ αὐτῆς.
7Toen Bóoz gegeten en gedronken had, en in goede stemming bij de rand van de gersthoop was gaan slapen, sloop Rut er heen, nam het dek van zijn voeten weg en legde zich neer.
7καὶ ἔφαγε Βοὸζ καὶ ἔπιε καὶ ἠγαθύνθη ἡ καρδία αὐτοῦ, καὶ ἦλθε κοιμηθῆναι ἐν μερίδι τῆς στοιβῆς· ἡ δὲ ἦλθε κρυφῇ καὶ ἀπεκάλυψε τὰ πρὸς ποδῶν αὐτοῦ.
8Midden in de nacht nu schrok de man op; hij voelde om zich heen, en zie: daar lag een vrouw aan zijn voeten!
8ἐγένετο δὲ ἐν τῷ μεσονυκτίῳ καὶ ἐξέστη ὁ ἀνὴρ καὶ ἐταράχθη, καὶ ἰδοὺ γυνὴ κοιμᾶται πρὸς ποδῶν αὐτοῦ.
9Hij vroeg: Wie zijt ge? Zij antwoordde: Ik ben Rut, uw dienstmaagd; sla uw mantelslip over uw dienstmaagd heen, want gij zijt losser.
9εἶπε δέ· τίς εἶ σύ; ἡ δὲ εἶπεν· ἐγώ εἰμι Ροὺθ ἡ δούλη σου, καὶ περιβαλεῖς τὸ πτερύγιόν σου ἐπὶ τὴν δούλην σου, ὅτι ἀγχιστεὺς εἶ σύ.
10Toen zei hij: Wees door Jahweh gezegend, mijn kind; dit tweede bewijs van uw goedheid is nog mooier dan het eerste; want ge zijt geen jonge mannen achterna geloopen, geen arme of rijke.
10καὶ εἶπε Βοόζ· εὐλογημένη σὺ τῷ Κυρίῳ Θεῷ, θύγατερ, ὅτι ἠγάθυνας τὸ ἔλεός σου τὸ ἔσχατον ὑπὲρ τὸ πρῶτον, μὴ πορευθῆναί σε ὀπίσω νεανιῶν, εἴτοι πτωχὸς εἴτοι πλούσιος.
11Hebt dus geen zorgen, mijn kind! Al wat ge me vraagt, zal ik voor u doen; want al mijn stadgenoten weten, dat ge een deugdzame vrouw zijt.
11καὶ νῦν, θύγατερ, μὴ φοβοῦ· πάντα, ὅσα ἐὰν εἴπῃς, ποιήσω σοι· οἶδε γὰρ πᾶσα φυλὴ λαοῦ μου ὅτι γυνὴ δυνάμεως εἶ σύ.
12En nu, ik ben inderdaad losser; maar er is nog een ander losser, die u nader staat dan ik.
12καὶ νῦν ὁ ἀληθῶς ἀγχιστεὺς ἐγώ εἰμι. καί γέ ἐστιν ἀγχιστεὺς ἐγγίων ὑπὲρ ἐμέ.
13Blijf voor vannacht nu maar hier. Wanneer morgen die man als losser u nemen wil, goed, dan doe hij dat; maar wil hij het niet, dan zal ik als losser u nemen, zowaar Jahweh leeft. Ga nu maar slapen tot morgenvroeg.
13αὐλίσθητι τὴν νύκτα, καὶ ἔσται τὸ πρωΐ, ἐὰν ἀγχιστεύσῃ σε, ἀγαθόν, ἀγχιστευέτω· ἐὰν δὲ μὴ βούληται ἀγχιστεῦσαί σε, ἀγχιστεύσω σε ἐγώ, ζῇ Κύριος· κοιμήθητι ἕως τὸ πρωΐ.
14Ze sliep dus aan zijn voeten tot de volgende morgen. Maar nog vóór men elkaar kon herkennen, stond ze reeds op; want hij dacht: Men behoeft niet te weten, dat de vrouw op het dorsveld geweest is.
14καὶ ἐκοιμήθη πρὸς ποδῶν αὐτοῦ ἕως πρωΐ. ἡ δὲ ἀνέστη πρὸ τοῦ ἐπιγνῶναι ἄνδρα τὸν πλησίον αὐτοῦ· καὶ εἶπε Βοόζ· μὴ γνωσθήτω ὅτι ἦλθε γυνὴ εἰς τὸν ἅλω.
15Daarop zei hij: Geef die doek eens hier, die ge om hebt, en houd hem op. En terwijl ze hem ophield, schudde hij er zes maten gerst in uit, en belaadde haar er mee. Zo ging ze naar de stad,
15καὶ εἶπεν αὐτῇ· φέρε τὸ περίζωμα τὸ ἐπάνω σου. καὶ ἐκράτησεν αὐτό, καὶ ἐμέτρησεν ἓξ κριθῶν καὶ ἐπέθηκεν ἐπ᾿ αὐτήν· καὶ εἰσῆλθεν εἰς τὴν πόλιν.
16en kwam bij haar schoonmoeder. Deze vroeg: Hoe is het u gegaan, mijn dochter? Ze vertelde haar al wat de man met haar had gedaan.
16καὶ Ροὺθ εἰσῆλθε πρὸς τὴν πενθερὰν αὐτῆς· ἡ δὲ εἶπεν αὐτῇ· θύγατερ· καὶ εἶπεν αὐτῇ πάντα, ὅσα ἐποίησεν αὐτῇ ὁ ἀνήρ.
17En ze vervolgde: Hij heeft mij ook nog deze zes maten gerst gegeven. Hij zeide:Ge moogt niet met lege handen bij uw schoonmoeder komen.
17καὶ εἶπεν αὐτῇ· τὰ ἓξ τῶν κριθῶν ταῦτα ἔδωκέ μοι, ὅτι εἶπε πρός με· μὴ εἰσέλθῃς κενὴ πρὸς τὴν πενθεράν σου.
18Toen zei Noömi: Wacht nu maar geduldig af, mijn dochter, tot ge weet, hoe de zaak uitvalt; want die man zal wel niet rusten, eer hij, vandaag nog, deze aangelegenheid heeft afgewikkeld.
18ἡ δὲ εἶπε· κάθου, θύγατερ, ἕως τοῦ ἐπιγνῶναί σε πῶς οὐ πεσεῖται ρῆμα· οὐ γὰρ μὴ ἡσυχάσῃ ὁ ἀνήρ, ἕως ἂν τελεσθῇ τὸ ρῆμα σήμερον.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.