Ruth
Chapter 3

Ruth

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Maar eens zei haar schoonmoeder Noömi tot haar: Ik moet toch een tehuis voor u zoeken, mijn dochter, waarin ge het goed zult hebben.
1Řekla jí potom Noémi svegruše její: Má dcero, nemám-liž pohledati tobě odpočinutí, aby tobě dobře bylo?
2Welnu, die Bóoz, die bloedverwant van ons, bij wiens knechten ge zijt geweest, gaat vanavond gerst wannen op het dorsveld.
2Anobrž zdaliž Bóz ten příbuzný náš, s jehož jsi děvečkami byla, nebude víti ječmene na humně noci této?
3Ga u wassen en zalven; doe dan uw mantel om, en ga naar het dorsveld. Maar ge moet er voor zorgen, door den man niet opgemerkt te worden, vóór hij klaar is met eten en drinken.
3Protož umej se a pomaž, roucho své také oblec, a jdi na humno, však tak, aby nebylo známé muži tomu, prvé než by přestal jísti a píti.
4Als hij echter gaat slapen, let dan goed op, waar hij zich neerlegt; ge gaat er heen, neemt het dek van zijn voeten weg, en legt u daar neer; hij zal u wel zeggen, wat ge moet doen.
4A když půjde ležeti, znamenej místo, na kterémž lehne, a přijduc, pozdvihneš pláště u noh jeho, a tu se položíš; on pak oznámí tobě, co bys měla činiti.
5Zij antwoordde haar: Ik zal doen, wat ge gezegd hebt.
5Jížto Rut řekla: Cokoli mi rozkážeš, učiním.
6Daarop ging ze naar het dorsveld, en deed, wat haar schoonmoeder haar bevolen had.
6Šla tedy na to humno, a učinila všecko, což jí rozkázala svegruše její.
7Toen Bóoz gegeten en gedronken had, en in goede stemming bij de rand van de gersthoop was gaan slapen, sloop Rut er heen, nam het dek van zijn voeten weg en legde zich neer.
7Když pak pojedl Bóz a napil se, a rozveselilo se srdce jeho, šel spáti vedlé stohu; přišla i ona tiše, a pozdvihši pláště u noh jeho, položila se.
8Midden in de nacht nu schrok de man op; hij voelde om zich heen, en zie: daar lag een vrouw aan zijn voeten!
8A když bylo o půl noci, ulekl se muž ten a zchopil se, a aj, žena leží u noh jeho.
9Hij vroeg: Wie zijt ge? Zij antwoordde: Ik ben Rut, uw dienstmaagd; sla uw mantelslip over uw dienstmaagd heen, want gij zijt losser.
9I řekl: Kdo jsi ty? A ona odpověděla: Já jsem Rut, děvka tvá. Vztáhni křídlo pláště svého na děvku svou, nebo příbuzný jsi.
10Toen zei hij: Wees door Jahweh gezegend, mijn kind; dit tweede bewijs van uw goedheid is nog mooier dan het eerste; want ge zijt geen jonge mannen achterna geloopen, geen arme of rijke.
10A on řekl: Požehnaná jsi ty od Hospodina, dcero má. Větší jsi nyní pobožnosti dokázala, nežli prvé, že jsi nehledala mládenců bohatých aneb chudých.
11Hebt dus geen zorgen, mijn kind! Al wat ge me vraagt, zal ik voor u doen; want al mijn stadgenoten weten, dat ge een deugdzame vrouw zijt.
11Protož nyní, dcero má, neboj se; vše, čehož žádáš, učiním tobě, nebo víť všecko město lidu mého, že jsi ty žena šlechetná.
12En nu, ik ben inderdaad losser; maar er is nog een ander losser, die u nader staat dan ik.
12A také jest to pravé, že jsem příbuzný tvůj, ale jestiť příbuzný bližší nežli já.
13Blijf voor vannacht nu maar hier. Wanneer morgen die man als losser u nemen wil, goed, dan doe hij dat; maar wil hij het niet, dan zal ik als losser u nemen, zowaar Jahweh leeft. Ga nu maar slapen tot morgenvroeg.
13Odpočiniž tu přes noc, a když bude ráno, jestližeť on bude chtíti práva příbuznosti k tobě užiti, dobře, nechť užive. Pakliť nebude chtíti práva užiti k tobě, já právem příbuznosti pojmu tebe, živť jest Hospodin. Spiž tu až do jitra.
14Ze sliep dus aan zijn voeten tot de volgende morgen. Maar nog vóór men elkaar kon herkennen, stond ze reeds op; want hij dacht: Men behoeft niet te weten, dat de vrouw op het dorsveld geweest is.
14A tak spala u noh jeho až do jitra. Potom vstala prvé, nežli by kdo poznati mohl bližního svého; nebo pečoval Bóz, aby někdo nezvěděl, že přišla žena ta na humno.
15Daarop zei hij: Geef die doek eens hier, die ge om hebt, en houd hem op. En terwijl ze hem ophield, schudde hij er zes maten gerst in uit, en belaadde haar er mee. Zo ging ze naar de stad,
15A řekl: Přines loktušku, kterouž se odíváš, a drž ji. A když ji držela, naměřiv jí šest měr ječmene, vložil na ni. I vešla do města.
16en kwam bij haar schoonmoeder. Deze vroeg: Hoe is het u gegaan, mijn dochter? Ze vertelde haar al wat de man met haar had gedaan.
16A přišla k svegruši své. Kteráž řekla: Kdo jsi ty, dcero má? I vypravovala jí všecko, což jí učinil muž ten.
17En ze vervolgde: Hij heeft mij ook nog deze zes maten gerst gegeven. Hij zeide:Ge moogt niet met lege handen bij uw schoonmoeder komen.
17A řekla: Šest měr těchto ječmene dal mi, nebo řekl ke mně: Nenavrátíš se prázdná k svegruši své.
18Toen zei Noömi: Wacht nu maar geduldig af, mijn dochter, tot ge weet, hoe de zaak uitvalt; want die man zal wel niet rusten, eer hij, vandaag nog, deze aangelegenheid heeft afgewikkeld.
18I řekla jí Noémi: Počekej, dcero má, až porozumíš, jak to padne; neboť neobleví muž ten, až tu věc dnes k místu přivede.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.