Apokalyps 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Ik bleef toezien. Toen het Lam het eerste van de zeven zegels opende, hoorde ik één van de vier Dieren roepen als met de stem van de donder: “Kom uit!”
1I viděl jsem, když otevřel Beránek jednu z těch pečetí, a slyšel jsem jedno ze čtyř zvířat, ano praví, jako hlasem hromovým: Pojď a viz.
2Ik zag toe. En zie: een wit paard. En die er op zat, had een boog, en hem werd een kroon gegeven; als overwinnaar trok hij uit, om nog meer te overwinnen.
2I pohleděl jsem, a aj, kůň bílý, a ten, jenž seděl na něm, měl lučiště. A dána jest jemu koruna, i vyjel, přemáhaje, a aby přemáhal.
3Toen het Lam het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede Dier roepen: “Kom uit!”
3A když otevřel pečet druhou, slyšel jsem druhé zvíře, řkoucí: Pojď a viz.
4En een ander paard kwam te voorschijn, vuurrood. Aan zijn berijder werd het gegeven, de vrede van de aarde weg te nemen, zodat men elkaar zou vermoorden; een groot zwaard werd hem ter hand gesteld.
4I vyšel jiný kůň ryzí. A sedícímu na něm dáno jest, aby pokoj vyzdvihl z země a aby se lidé vespolek mordovali; a dán jemu meč veliký.
5Toen het Lam het derde zegel opende, hoorde ik het derde Dier roepen: “Kom uit!” Ik zag toe. En zie: een zwart paard; en die er op zat, had een weegschaal in zijn hand.
5A když otevřel pečet třetí, slyšel jsem třetí zvíře, řkoucí: Pojď a viz. I pohleděl jsem, a aj, kůň vraný, a ten, jenž na něm seděl, měl váhu v ruce své.
6En ik hoorde een stem te midden der vier Dieren roepen: “Een maat tarwe voor een tienling, en voor een tienling drie maten gerst; maar de olie en de wijn moogt ge niet schaden!”
6I slyšel jsem hlas z prostředku čtyř zvířat, an praví: Měřice pšenice za peníz, a tři měřice ječmene za peníz, oleji pak a vínu neškoď.
7Toen het Lam het vierde zegel opende, hoorde ik de stem van het vierde Dier roepen: “Kom uit!” Ik zag toe. En zie: een vaal paard; en die er op zat, heette de Dood, en de Onderwereld kwam achter hem aan.
7A když otevřel pečet čtvrtou, slyšel jsem hlas čtvrtého zvířete, řkoucí: Pojď a viz.
8En hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde, om te doden met zwaard en hongersnood, met pest en wilde beesten.
8I pohleděl jsem, a aj, kůň plavý, a toho, kterýž seděl na něm, jméno smrt, a peklo šlo za ním. I dána jest jim moc nad čtvrtým dílem země, aby mordovali mečem, a hladem, a morem, a šelmami zemskými.
9En toen het Lam het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die waren geslacht om Gods woord en om de getuigenis, die ze hadden beleden.
9A když otevřel pečet pátou, viděl jsem pod oltářem duše zmordovaných pro slovo Boží a pro svědectví, kteréž vydávali.
10En ze riepen met machtige stem: Hoelang nog, o heilige, waarachtige Heer, Velt Gij geen oordeel, En wreekt Gij ons bloed niet op hen, Die de aarde bewonen?
10I volali hlasem velikým, řkouce: Až dokud, Pane svatý a pravý, nesoudíš a nemstíš krve naší nad těmi, kteříž přebývají na zemi?
11Toen werd aan ieder van hen een wit gewaad geschonken. Maar er werd hun aangezegd, dat ze nog een korte tijd moesten rusten, totdat hun mededienaars en broeders, die gedood zouden worden juist zoals zij, geheel voltallig zouden zijn.
11Tedy dáno jednomu každému z nich roucho bílé, a řečeno jest jim, aby odpočívali ještě za malý čas, až by se naplnil počet spoluslužebníků jejich a bratří jejich, kteříž zmordováni býti mají, jako i oni.
12Ik bleef toezien, toen het Lam het zesde zegel opende: Een hevige aardbeving brak los; de zon werd zwart als een haren zak, de maan geheel als bloed;
12I pohleděl jsem, když otevřel pečet šestou, a aj, země třesení veliké stalo se, a slunce učiněno jest černé jako pytel žíněný, a měsíc všecken byl jako krev.
13de sterren des hemels vielen neer op de aarde, zoals een vijgeboom zijn onrijpe vijgen laat vallen, als hij door een sterke wind wordt geschud;
13A hvězdy nebeské padaly na zemi, podobně jako dřevo fíkové smítá s sebe ovoce své, když od velikého větru kláceno bývá.
14de hemel kromp samen als een boek, dat zich oprolt; alle bergen en eilanden vloden weg van hun plaats.
14A nebe se schovalo jako knihy zavřené, a všeliká hora i ostrovové z místa svého pohnuli se.
15En de koningen der aarde, rijksgroten en legerhoofden, rijken en machtigen, alle slaven en vrijen, ze verborgen zich in de spelonken en rotsen der bergen.
15A králové země, i knížata, i bohatí, a úředníci, a mocní, i každý služebník, i všeliký svobodný, skryli se v jeskyních a v skalí hor,
16En tot bergen en rotsen riepen ze uit: Valt op ons neer! Verbergt ons voor het aanschijn van Hem, die op de troon is gezeten, en voor de toorn van het Lam.
16A řekli horám a skalí: Padněte na nás a skrejte nás před tváří toho, jenž sedí na trůnu, a před hněvem Beránka.
17Want gekomen is de groote Dag van hun toorn! En wie kan dan blijven bestaan!
17Nebť jest přišel den veliký hněvu jeho. I kdo bude moci ostáti?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.