Apokalyps
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Ik bleef toezien: Zie, op de berg Sion stond het Lam, en tezamen met Hem honderd vier en veertig duizend, die zijn Naam en de Naam van zijn Vader op hun voorhoofden hadden geschreven.
1Tedy pohleděl jsem, a aj, Beránek stál na hoře Sion, a s ním sto čtyřidceti a čtyři tisíců majících jméno Otce jeho napsané na čelích svých.
2En ik hoorde een geluid uit de hemel als het geruis van talrijke wateren en het daveren van geweldige donder, maar toch was het geluid, dat ik hoorde, als dat van citerspelers, die op hun citers tokkelen.
2A slyšel jsem hlas s nebe, jako hlas vod mnohých, a jako hlas hromu velikého. A hlas slyšel jsem, jako těch, kteříž hrají na harfy své.
3En een nieuw lied hieven ze aan voor de Troon, voor de vier Dieren en de Oudsten; niemand kon dat lied leren zingen, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde zijn vrijgekocht.
3A zpívali jakožto píseň novou, před trůnem, a před čtyřmi zvířaty, a před starci, a žádný nemohl se naučiti té písni, jediné těch sto čtyřidceti a čtyři tisíce, kteříž jsou koupeni z země.
4Zij zijn het, die zich met vrouwen niet hebben besmet, Want ze zijn maagden. Zij zijn het, die het Lam volgen, Waar Het ook gaat. Zij zijn het, die zijn vrijgekocht uit de mensen, Als eerstelingen voor God en het Lam;
4Totoť jsou ti, kteříž s ženami nejsou poskvrněni; nebo panicové jsou. Tiť jsou, jenž následují Beránka, kamž by koli šel; tiť jsou koupeni ze všech lidí, prvotiny Bohu a Beránkovi.
5In hun mond wordt geen leugen gevonden; Ze zijn zonder enige smet.
5A v ústech jejich není nalezena lest; neboť jsou bez úhony před trůnem Božím.
6Toen zag ik een anderen engel, vliegend hoog tegen de lucht. Hij moest een eeuwig Evangelie verkondigen aan hen, die de aarde bewonen, aan alle naties en stammen, talen en volken.
6I viděl jsem jiného anděla letícího po prostředku nebe, majícího evangelium věčné, aby je zvěstoval těm, jenž bydlí na zemi, a všelikému národu, i pokolení, i jazyku, i lidu,
7En hij riep met machtige stem: Vreest God! Geeft Hem ere! Want gekomen is het uur van zijn oordeel. Aanbidt Hem, die hemel en aarde gemaakt heeft, De zee en de waterbronnen.
7Řkoucího velikým hlasem: Bojte se Boha, a vzdejte jemu chválu, neboť přišla hodina soudu jeho; a klanějte se tomu, kterýž učinil nebe i zemi i moře i studnice vod.
8Een andere engel, een tweede, volgde en riep: Gevallen, gevallen! Bábylon de grote! Die al de volken dronken maakt Met de driftwijn van haar ontucht.
8A jiný anděl letěl za ním, řka: Padl, padl Babylon, město to veliké, nebo vínem hněvu smilství svého napájelo všecky národy.
9Een andere engel, een derde, volgde en riep met machtige stem: Zo iemand het Beest aanbidt en zijn beeld, Het merkteken aanneemt op voorhoofd of hand;
9A třetí anděl letěl za nimi, pravě velikým hlasem: Bude-li se kdo klaněti šelmě a obrazu jejímu, a vezme-li znamení její na čelo své aneb na ruku svou,
10Dan zal hij drinken de wijn van Gods toorn, Onvermengd bereid in de beker van zijn gramschap. Gepijnigd zal hij worden Door vuur en door zwavel. Ten aanschouwen der heilige engelen En voor het aanschijn van het Lam.
10I tenť také bude píti víno hněvu Božího, víno, pravím, kteréž jest vlito do kalichu hněvu jeho; a trápen bude ohněm a sirou před obličejem andělů svatých a před obličejem Beránka.
11De rook hunner foltering stijgt op in de eeuwen der eeuwen, Ze hebben geen rust dag of nacht: Zij die aanbidden het Beest en zijn beeld, Al wie het merkteken draagt van zijn naam.
11A dým muk jejich vstoupíť na věky věků, a nebudouť míti odpočinutí dnem i nocí ti, kteříž se klanějí šelmě a obrazu jejímu, a jestliže kdo přijme znamení jména jejího.
12Hier geldt slechts het geduld der heiligen, Die de geboden van God en het geloof in Jesus bewaren!
12Tuť jest trpělivost svatých, tu jsou ti, kteříž ostříhají přikázání Božích a víry Ježíšovy
13Toen hoorde ik een stem uit de hemel, die sprak: “Schrijf op: Zalig de doden, die in den Heer sterven; van nu af! Ja, zegt de Geest, ze zullen uitrusten van hun zwoegen; want hun werken volgen hen achterna.”
13I slyšel jsem hlas s nebe, řkoucí ke mně: Piš: Blahoslavení jsou od této chvíle mrtví, kteříž v Pánu umírají. Duch zajisté dí jim, aby odpočinuli od prací svých, nebo skutkové jejich následují jich.
14Ik zag toe, en zie: Een witte wolk, en op die wolk zat Iemand, een Mensenzoon gelijk, met een gouden kroon op zijn hoofd, een scherpe sikkel in zijn hand.
14I pohleděl jsem, a aj, oblak bělostkvoucí, a na tom oblaku seděl podobný Synu člověka, maje na hlavě své korunu zlatou a v ruce své srp ostrý.
15En weer een andere engel trad uit de tempel, en riep met machtige stem tot Hem, die op de wolk was gezeten: Sla uw scherpe sikkel uit, Want gekomen is het uur om te maaien; Geel staat de oogst van de aarde.
15A jiný anděl vyšel z chrámu, volaje hlasem velikým na toho, kterýž seděl na oblaku: Pusť srp svůj a žni; nebť jest přišla tobě hodina žni, nebo již dozrala žeň země.
16En Die op de wolk was gezeten sloeg zijn sikkel uit over de aarde, en de aarde werd afgemaaid.
16I spustil ten, kterýž seděl na oblaku, srp svůj na zem, a požata jest země.
17Nog een andere engel trad uit de tempel des hemels; ook hij droeg een scherpe sikkel.
17A jiný anděl vyšel z chrámu toho, kterýž jest na nebi, maje i on srp ostrý.
18Weer een andere trad uit van het altaar, en deze had macht over het vuur; hij riep met geweldige stem tot hem, die de scherpe sikkel voert, en hij sprak: Sla uw scherpe sikkel uit, Snijd af de trossen van de wijnstok der aarde; Want zijn druiven zijn rijp.
18Opět vyšel jiný anděl z oltáře, kterýž měl moc nad ohněm, a volal křikem velikým na toho, jenž měl srp ostrý, řka: Pusť srp svůj ostrý, a zbeř hrozny vinice zemské; neboť jsou uzrali hroznové její.
19Toen sloeg de engel zijn sikkel uit over de aarde; hij sneed de trossen af van de wijnstok der aarde, en wierp ze in de grote perskuip van Gods toorn.
19I spustil anděl srp svůj na zemi, a sebral vinici země, a vmetal hrozny do jezera velikého hněvu Božího.
20En buiten de stad werd de perskuip getreden, en uit de kuip stroomde het bloed tot aan de tomen der paarden, duizend zes honderd stadiën ver.
20I tlačeno jest jezero před městem, a vyšla krev z jezera až do udidl koňům za tisíc a za šest set honů.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.