Filippenzen
Chapter 4

Filippenzen

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1En daarom, mijn innig geliefde broeders, mijn vreugde en mijn kroon: geliefden, staat vast in den Heer!
1Perciò fratelli miei cari e desideratissimi, allegrezza e corona mia, state in questa maniera fermi nel Signore, diletti.
2Evódia vermaan ik, en Suntuche ook, om eensgezind te zijn in den Heer.
2Io esorto Evodia, esorto parimente Sintiche, d'avere un medesimo sentimento nel Signore.
3En u, trouwe Sunzuchus verzoek ik dringend, beiden daarbij behulpzaam te zijn. Want ze hebben me bijgestaan in de strijd voor het Evangelie; zij en Clemens en mijn andere medewerkers, wier namen in het boek des levens staan.
3Io prego te ancora, leal consorte, sovvieni a queste donne , le quali hanno combattuto meco nell'evangelo, insieme con Clemente, e gli altri miei compagni d'opera, i cui nomi sono nel libro della vita.
4Verblijdt u altijd in den Heer; ik herhaal het: Verblijdt u!
4Rallegratevi del continuo nel Signore; da capo dico, rallegratevi.
5Laat alle mensen uw minzaamheid zien. De Heer is nabij;
5La vostra mansuetudine sia nota a tutti gli uomini, il Signore è vicino.
6maakt u over niets bezorgd, doch maakt aan God al uw wensen bekend door bidden en smeken en danken.
6Non siate con ansietà solleciti di cosa alcuna; ma sieno in ogni cosa le vostre richieste notificate a Dio, per l'orazione e per la preghiera, con ringraziamento.
7En de vrede Gods, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren in Christus Jesus.
7E la pace di Dio, la qual sopravanza ogni intelletto, guarderà i vostri cuori, e le vostre menti, in Cristo Gesù.
8Ten slotte, broeders, houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar, op al wat edel, rechtvaardig, rein, liefelijk en welgevallig is, op al wat deugd heet en lof verdient.
8Quant'è al rimanente, fratelli, tutte le cose che son veraci, tutte le cose che sono oneste, tutte le cose che son giuste, tutte le cose che sono pure, tutte le cose che sono amabili, tutte le cose che son di buona fama, se vi è alcuna virtù, e se vi è alcuna lode, a queste cose pensate.
9Handelt naar wat gij geleerd en aanvaard hebt, naar wat gij van mij hebt gehoord en gezien. En de God van de vrede zal met u zijn.
9Le quali ancora avete imparate, e ricevute, e udite da me , e vedute in me; fate queste cose, e l'Iddio della pace sarà con voi.
10Het was me een grote vreugde in den Heer, dat gij weer eens gelegenheid hadt, om voor mij te zorgen. Wel zijt gij er bedacht op gebleven, maar gij hadt er geen gelegenheid toe.
10OR io mi son grandemente rallegrato nel Signore, che omai voi siete rinverditi ad aver cura di me; di cui ancora avevate cura, ma vi mancava l'opportunità.
11Ik zeg dit niet, omdat ik gebrek heb geleden. Want ik heb geleerd, tevreden te zijn met wat ik heb.
11Io no l dico, perchè io abbia mancamento; perciocchè io ho imparato ad esser contento nello stato nel qual mi trovo.
12Ik weet armoede te lijden en in overvloed te leven; met alles ben ik in alle omstandigheden vertrouwd: met verzadigd zijn en honger lijden, met overvloed en met gebrek.
12Io so essere abbassato, so altresì abbondare; in tutto, e per tutto sono ammaestrato ad esser saziato, e ad aver fame; ad abbondare, ed a sofferir mancamento.
13Tot alles ben ik in staat door Hem, die mij sterkt.
13Io posso ogni cosa in Cristo, che mi fortifica.
14Toch hebt gij goed gedaan, met me bij te staan in mijn nood.
14Tuttavolta, voi avete fatto bene d'aver dal canto vostro preso parte alla mia afflizione.
15Gij weet zelf toch wel, Filippenzen, dat bij mijn vertrek uit Macedónië in het begin van mijn prediking, geen enkele kerk, dan gij alleen, met mij een rekening had van uitgave en ontvangst,
15Or voi ancora, o Filippesi, sapete che nel principio dell'evangelo, quando io partii di Macedonia, niuna chiesa mi comunicò nulla, per conto del dare e dell'avere, se non voi soli.
16en dat gij tot tweemaal toe mij ook in Tessalonika iets voor eigen gebruik hebt gezonden.
16Poichè ancora in Tessalonica mi avete mandato, una e due volte, quel che mi era bisogno.
17Zeker, het is me niet om de gave te doen, maar het is me te doen om de rente, die rijkelijk op uw rekening wordt geboekt.
17Non già ch'io ricerchi i doni, anzi ricerco il frutto che abbondi a vostra ragione.
18Maar nu heb ik het hele bedrag gekregen, en zelfs meer dan dat. Ik bezit volop, sinds ik door Epafroditus uw gift heb ontvangen: een welriekende geur, een aangenaam, Gode welgevallig offer.
18Or io ho ricevuto il tutto, ed abbondo; io son ripieno, avendo ricevuto da Epafrodito ciò che mi è stato mandato da voi, che è un odor soave, un sacrificio accettevole, piacevole a Dio.
19Mijn God zal dan ook in Christus Jesus in al uw behoeften voorzien naar zijn rijkdom en door zijn heerlijkheid.
19Or l'Iddio mio supplirà ogni vostro bisogno, secondo le ricchezze sue in gloria, in Cristo Gesù.
20Aan onzen God en Vader zij de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.
20Or all'Iddio, e Padre nostro, sia la gloria ne' secoli de' secoli. Amen.
21Groet alle heiligen in Christus Jesus. U groeten de broeders, die bij me zijn.
21Salutate tutti i santi in Cristo Gesù.
22Alle heiligen groeten u, vooral die tot het huis van Cesar behoren.
22I fratelli che son meco vi salutano; tutti i santi vi salutano, e massimamente quei della casa di Cesare.
23De genade van den Heer Jesus Christus zij met uw geest.
23La grazia del Signor nostro Gesù Cristo sia con tutti voi. Amen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.