Hosea 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Hoort het woord van Jahweh, Israëls kinderen: Jahweh heeft een aanklacht Tegen de bewoners van het land! Want er is geen trouw meer, geen liefde, Geen kennis van God in het land;
1ΑΚΟΥΣΑΤΕ λόγον Κυρίου, υἱοὶ Ἰσραήλ, ὅτι κρίσις τῷ Κυρίῳ πρὸς τοὺς κατοικοῦντας τὴν γῆν, διότι οὐκ ἔστιν ἀλήθεια οὐδὲ ἔλεος οὐδὲ ἐπίγνωσις Θεοῦ ἐπὶ τῆς γῆς.
2Zweren en liegen, moorden, stelen en echtbreuk plegen, Het éne bloedbad volgt op het andere.
2ἀρὰ καὶ ψεῦδος καὶ φόνος καὶ κλοπὴ καὶ μοιχεία κέχυται ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ αἵματα ἀφ᾿ αἵμασι μίσγουσι.
3Daarom is het land in rouw gedompeld, En kwijnen al zijn bewoners; Zelfs de beesten in het wild, de vogels in de lucht, En de vissen in de zee komen om.
3διὰ τοῦτο πενθήσει ἡ γῆ καὶ σμικρυνθήσεται σὺν πᾶσι τοῖς κατοικοῦσιν αὐτήν, σὺν τοῖς θηρίοις τοῦ ἀγροῦ καὶ σὺν τοῖς ἑρπετοῖς τῆς γῆς καὶ σὺν τοῖς πετεινοῖς τοῦ οὐρανοῦ, καὶ οἱ ἰχθύες τῆς θαλάσσης ἐκλείψουσιν,
4Toch is er niemand, die zich verzet, of berispt; Priesters, ook tegen u is mijn aanklacht gericht!
4ὅπως μηδεὶς μήτε δικάζηται μήτε ἐλέγχῃ μηδείς· ὁ δὲ λαός μου ὡς ἀντιλεγόμενος ἱερεύς.
5Gij zijt gestruikeld op klaarlichte dag, De profeet met u in de nacht.
5καὶ ἀσθενήσεις ἡμέρας, καὶ ἀσθενήσει ὁ προφήτης μετὰ σοῦ· νυκτὶ ὡμοίωσα τὴν μητέρα σου.
6Ik zal u verdelgen, zoals mijn volk wordt verdelgd, Daar het geen kennis van God meer bezit; Omdat ook gij die kennis hebt verworpen, Zal Ik u uit mijn priesterschap werpen. Omdat gij de wet van uw God hebt vergeten, Zal Ik ook uw zonen vergeten;
6ὡμοιώθη ὁ λαός μου ὡς οὐκ ἔχων γνῶσιν· ὅτι σὺ ἐπίγνωσιν ἀπώσω, κἀγὼ ἀπώσομαί σε τοῦ μὴ ἱερατεύειν μοι· καὶ ἐπελάθου νόμον Θεοῦ σου, κἀγὼ ἐπιλήσομαι τέκνων σου.
7Hoe talrijker ze werden, hoe meer ze tegen Mij misdeden, En hun glorie in schande verkeerden.
7κατὰ τὸ πλῆθος αὐτῶν οὕτως ἥμαρτόν μοι· τὴν δόξαν αὐτῶν εἰς ἀτιμίαν θήσομαι.
8Ze leven van de zonde van mijn volk, En zitten te vlassen op zijn schuld;
8ἁμαρτίας λαοῦ μου φάγονται καὶ ἐν ταῖς ἀδικίαις αὐτῶν λήψονται τὰς ψυχὰς αὐτῶν.
9Daarom zal het den priester gaan als het volk: Ik zal zijn gedrag op hem wreken, zijn werken vergelden.
9καὶ ἔσται καθὼς ὁ λαὸς οὕτως καὶ ὁ ἱερεύς· καὶ ἐκδικήσω ἐπ᾿ αὐτὸν τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ καὶ τὰ διαβούλια αὐτοῦ ἀνταποδώσω αὐτῷ.
10Ze zullen eten, maar niet worden verzadigd, Ontucht bedrijven, geen genot er in vinden. Want ze hebben Jahweh verlaten, om ontucht te doen,
10καὶ φάγονται καὶ οὐ μὴ ἐμπλησθῶσιν, ἐπόρνευσαν καὶ οὐ μὴ κατευθύνωσι, διότι τὸν Κύριον ἐγκατέλιπον τοῦ φυλάξαι.
11Wijn en most namen hun hart in beslag.
11Πορνείαν καὶ οἶνον καὶ μέθυσμα ἐδέξατο καρδία λαοῦ μου.
12Mijn volk ondervraagt zijn stuk hout, En zijn stok moet hem de toekomst voorspellen; Want hun wulpse geest heeft ze op een dwaalspoor gebracht, Door hun ontucht hebben ze hun God verlaten.
12ἐν συμβόλοις ἐπηρώτων, καὶ ἐν ράβδοις αὐτοῦ ἀπήγγελλον αὐτῷ· πνεύματι πορνείας ἐπλανήθησαν καὶ ἐξεπόρνευσαν ἀπὸ τοῦ Θεοῦ αὐτῶν.
13Ze offeren op de toppen der bergen, En branden wierook op de heuvels, Onder eik, wilg en terebint, Omdat daar de schaduw zo goed is. Neen, als uw dochters ontucht bedrijven, En uw schoondochters overspel doen,
13ἐπὶ τὰς κορυφὰς τῶν ὀρέων ἐθυσίαζον καὶ ἐπὶ τοὺς βουνοὺς ἔθυον, ὑποκάτω δρυὸς καὶ λεύκης καὶ δένδρου συσκιάζοντος, ὅτι καλὸν σκέπη. διὰ τοῦτο ἐκπορνεύσουσιν αἱ θυγατέρες ὑμῶν, καὶ αἱ νύμφαι ὑμῶν μοιχεύσουσι·
14Zal Ik uw dochters niet straffen, omdat ze ontucht bedrijven, Uw schoondochters niet, omdat ze overspel doen. Want zelf zonderen zij zich met deernen af, En offeren met tempelhoeren; Zo is het onverstandige volk Geheel te gronde gegaan!
14καὶ οὐ μὴ ἐπισκέψωμαι ἐπὶ τὰς θυγατέρας ὑμῶν, ὅταν πορνεύσωσι, καὶ ἐπὶ τὰς νύμφας ὑμῶν, ὅταν μοιχεύσωσιν· ὅτι αὐτοὶ μετὰ τῶν πορνῶν συνεφύροντο καὶ μετὰ τῶν τετελεσμένων ἔθυον, καὶ ὁ λαὸς ὁ συνίων συνεπλέκετο μετὰ πόρνης.
15Israël, wilt gij ontucht bedrijven, Laat Juda zich niet schuldig maken! Gaat niet naar Gilgal, niet naar Bet-Awen, Zweert niet: “Zo waar als Jahweh leeft!”
15Σὺ δέ, Ἰσραήλ, μὴ ἀγνόει, καὶ Ἰούδα, μὴ εἰσπορεύεσθε εἰς Γάλγαλα καὶ μὴ ἀναβαίνετε εἰς τὸν Οἶκον Ὦν καὶ μὴ ὀμνύετε ζῶντα Κύριον.
16Want Israël heeft zich verzet als een koppige koe, Nu zal Jahweh ze weiden als een losbandig lam;
16διότι ὡς δάμαλις παροιστρῶσα παροίστρησεν Ἰσραήλ· νῦν νεμήσει αὐτοὺς Κύριος ὡς ἀμνὸν ἐν εὐρυχώρῳ.
17Efraïm heeft zich aan afgodsbeelden gekoppeld, Laat het begaan!
17μέτοχος εἰδώλων Ἐφραὶμ ἔθηκεν ἑαυτῷ σκάνδαλα,
18Ze slempen wijn, zijn op ontucht verzot, En verkiezen de schande boven hun glorie!
18ἡρέτισε Χαναναίους· πορνεύοντες ἐξεπόρνευσαν, ἠγάπησαν ἀτιμίαν ἐκ φρυάγματος αὐτῶν.
19Maar de storm pakt ze weg op zijn vleugels, Van hun altaren oogsten ze schande!
19συστροφὴ πνεύματος σὺ εἶ ἐν ταῖς πτέρυξιν αὐτῆς, καὶ καταισχυνθήσονται ἐκ τῶν θυσιαστηρίων αὐτῶν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.