Habakuk
Chapter 2

Habakuk

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Nu wil ik mijn wachtpost betrekken, En op de uitkijk gaan staan, Om te zien, wat Hij mij zegt, Wat Hij antwoordt op mijn klacht!
1ΕΠΙ τῆς φυλακῆς μου στήσομαι καὶ ἐπιβήσομαι ἐπὶ πέτραν καὶ ἀποσκοπεύσω τοῦ ἰδεῖν τί λαλήσει ἐν ἐμοὶ καὶ τί ἀποκριθῶ ἐπὶ τὸν ἔλεγχόν μου.
2Jahweh gaf mij antwoord, en sprak: Schrijf het visioen neer, en grif het op tabletten, Opdat men het gemakkelijk leest.
2καὶ ἀπεκρίθη πρός με Κύριος καὶ εἶπε· γράψον ὅρασιν καὶ σαφῶς εἰς πυξίον, ὅπως διώκῃ ὁ ἀναγινώσκων αὐτά.
3Want er is nog een ander visioen, waarvan de tijd is bepaald, Dat zijn vervulling bereikt, en niet faalt! Mocht het al toeven, blijf het verbeiden, Want het komt zeker, en blijft niet uit:
3διότι ἔτι ὅρασις εἰς καιρὸν καὶ ἀνατελεῖ εἰς πέρας καὶ οὐκ εἰς κενόν· ἐὰν ὑστερήσῃ, ὑπόμεινον αὐτόν, ὅτι ἐρχόμενος ἥξει καὶ οὐ μὴ χρονίσῃ.
4Wie moedeloos is, in hem heeft mijn ziel geen behagen, Maar de rechtvaardige leeft door zijn geloof!
4ἐὰν ὑποστείληται, οὐκ εὐδοκεῖ ἡ ψυχή μου ἐν αὐτῷ· ὁ δὲ δίκαιος ἐκ πίστεώς μου ζήσεται.
5Wee des te meer den vermetelen rover, Den overmoedigen, rustelozen mens, Gulzig als de onderwereld, Onverzadelijk als de dood! Die alle naties naar zich toetrekt, Alle volken tot zich haalt:
5ὁ δὲ κατοιόμενος καὶ καταφρονητής, ἀνὴρ ἀλαζών, οὐθὲν μὴ περάνῃ, ὃς ἐπλάτυνε καθὼς ᾅδης τὴν ψυχὴν αὐτοῦ καὶ οὗτος ὡς θάνατος οὐκ ἐμπιπλάμενος καὶ ἐπισυνάξει ἐπ᾿ αὐτὸν πάντα τὰ ἔθνη καὶ εἰσδέξεται πρὸς αὐτὸν πάντας τοὺς λαούς.
6Zullen die allen geen spreuk op hem dichten, Geen spotlied en puntdicht op hem zeggen? Wee, die ophoopt wat het zijne niet is, En zich bezwaart met andermans goed:
6οὐχὶ ταῦτα πάντα κατ᾿ αὐτοῦ παραβολὴν λήψονται καὶ πρόβλημα εἰς διήγησιν αὐτοῦ; καὶ ἐροῦσιν· οὐαὶ ὁ πληθύνων ἑαυτῷ τὰ οὐκ ὄντα αὐτοῦ ἕως τίνος; καὶ βαρύνων τὸν κλοιὸν αὐτοῦ στιβαρῶς.
7Zullen uw schuldeisers niet plotseling opstaan, Uw vervolgers ontwaken, en valt ge hun niet ten prooi?
7ὅτι ἐξαίφνης ἀναστήσονται δάκνοντες αὐτόν, καὶ ἐκνήψουσιν οἱ ἐπίβουλοί σου, καὶ ἔσῃ εἰς διαρπαγὴν αὐτοῖς.
8Om uw beroving van talloze naties Maakt de rest van de volken u buit, Om het bloed van de mensen, het geweld tegen het land, Tegen de stad en al haar bewoners!
8διότι σὺ ἐσκύλευσας ἔθνη πολλά, σκυλεύσουσί σε πάντες οἱ ὑπολελειμμένοι λαοὶ δι᾿ αἵματα ἀνθρώπων καὶ ἀσεβείας γῆς καὶ πόλεως καὶ πάντων τῶν κατοικούντων αὐτήν.
9Wee hem, die vuil gewin behaalt voor zijn huis, Om zijn nest in de hoogte te bouwen, En de greep van de ramp te ontsnappen:
9ὦ ὁ πλεονεκτῶν πλεονεξίαν κακὴν τῷ οἴκῳ αὐτοῦ τοῦ τάξαι εἰς ὕψος νοσσιὰν αὐτοῦ τοῦ ἐκσπασθῆναι ἐκ χειρὸς κακῶν.
10Gij beraamt slechts schande voor uw huis! Door vele volken te plunderen, Hebt gij uw leven verbeurd:
10ἐβουλεύσω αἰσχύνην τῷ οἴκῳ σου, συνεπέρανας πολλοὺς λαούς, καὶ ἐξήμαρτεν ἡ ψυχή σου·
11Want de steen roept wraak uit de muur, De balk antwoordt hem uit de binten.
11διότι λίθος ἐκ τοίχου βοήσεται, καὶ κάνθαρος ἐκ ξύλου φθέγξεται αὐτά.
12Wee, die een stad wil bouwen in bloed, En een vesting op onrecht wil gronden!
12οὐαὶ ὁ οἰκοδομῶν πόλιν ἐν αἵμασι καὶ ἑτοιμάζων πόλιν ἐν ἀδικίαις.
13Zie, moet zo iets niet uitgaan Van Jahweh der heirscharen? De volken tobben zich af voor het vuur, De naties maken zich moe voor niets:
13οὐ ταῦτά ἐστι παρὰ Κυρίου παντοκράτορος; καὶ ἐξέλιπον λαοὶ ἱκανοὶ ἐν πυρί, καὶ ἔθνη πολλὰ ὠλιγοψύχησαν.
14Maar de aarde zal worden vervuld van de kennis der glorie van Jahweh, Zoals de wateren de bodem der zeeën bedekken!
14ὅτι ἐπλησθήσεται ἡ γῆ τοῦ γνῶναι τὴν δόξαν Κυρίου, ὡς ὕδωρ κατακαλύψει αὐτούς.
15Wee hem, die zijn naaste laat drinken Uit zijn vergiftigde beker, Die hem dronken maakt, Om zijn schaamte te zien!
15ὦ ὁ ποτίζων τὸν πλησίον αὐτοῦ ἀνατροπῇ θολερᾷ καὶ μεθύσκων, ὅπως ἐπιβλέπῃ ἐπὶ τὰ σπήλαια αὐτῶν.
16Gij wordt dronken van schande, in plaats van eer: Drink op uw beurt, en ontbloot uw schaamte! De beker uit Jahweh’s rechterhand wordt u gereikt, De smaad, in plaats van uw glorie.
16πλησμονὴν ἀτιμίας ἐκ δόξης πίε καὶ σύ, καρδία σαλεύθητι καὶ σείσθητι· ἐκύκλωσεν ἐπὶ σὲ ποτήριον δεξιᾶς Κυρίου καὶ συνήχθη ἀτιμία ἐπὶ τὴν δόξαν σου.
17Want het geweld tegen de Libanon drukt op u neer, De moord op de dieren zal u verschrikken: Het bloed van de mensen, het geweld tegen het land, Tegen de stad en al haar bewoners.
17διότι ἀσέβεια τοῦ Λιβάνου καλύψει σε, καὶ ταλαιπωρία θηρίων πτοήσει σε δι᾿ αἵματα ἀνθρώπων καὶ ἀσεβείας γῆς καὶ πόλεως καὶ πάντων τῶν κατοικούντων αὐτήν.
18Wat baat toch een gesneden beeld, Dat zijn maker het snijdt; Het gegoten beeld, die leugenmeester, Wat kan het leren? Ja, de werkman vertrouwt op zijn maaksel, Zodat hij stomme goden snijdt:
18τί ὠφελεῖ γλυπτόν, ὅτι ἔγλυψαν αὐτό; ἔπλασεν αὐτὸ χώνευμα, φαντασίαν ψευδῆ, ὅτι πέποιθεν ὁ πλάσας ἐπὶ τὸ πλάσμα αὐτοῦ τοῦ ποιῆσαι εἴδωλα κωφά.
19Wee hem, die tot hout zegt: Word wakker, En tot de stomme steen: Sta op! Zie, het is in goud en zilver gevat, Maar levensadem heeft het niet.
19οὐαὶ ὁ λέγων τῷ ξύλῳ· ἔκνηψον, ἐξεγέρθητι, καὶ τῷ λίθῳ· ὑψώθητι· καὶ αὐτό ἐστι φαντασία, τοῦτο δέ ἐστιν ἔλασμα χρυσίου καὶ ἀργυρίου, καὶ πᾶν πνεῦμα οὐκ ἔστιν ἐν αὐτῷ.
20Maar Jahweh woont in zijn heilige tempel, Heel de aarde moet zwijgen voor Hèm!
20ὁ δὲ Κύριος ἐν ναῷ ἁγίῳ αὐτοῦ· εὐλαβείσθω ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ πᾶσα ἡ γῆ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.