Galaten 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Dit stel ik vast: Zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van den slaaf, ook al is hij heer van alles;
1But I say that so long as the heir is a child, he is no different from a bondservant, though he is lord of all,
2maar hij staat onder voogden en beheerders tot aan de tijd, die door zijn vader is bepaald.
2but is under guardians and stewards until the day appointed by the father.
3Zó ook waren wij, toen we nog onmondig waren, als slaven onderworpen aan de leerbeginselen der wereld.
3So we also, when we were children, were held in bondage under the elemental principles of the world.
4Maar toen de volheid van de tijd was gekomen, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren werd onder de Wet,
4But when the fullness of the time came, God sent out his Son, born to a woman, born under the law,
5opdat Hij allen zou loskopen, die staan onder de Wet, en wij het kindschap zouden beërven.
5that he might redeem those who were under the law, that we might receive the adoption as children.
6En het bewijs, dat gij kinderen zijt: God heeft den Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en Deze roept: Abba, Vader!
6And because you are children, God sent out the Spirit of his Son into your hearts, crying, “Abba, Father!”
7Ge zijt dus geen slaaf meer, maar kind; zijt ge kind, dan zijt ge ook erfgenaam, dank zij God.
7So you are no longer a bondservant, but a son; and if a son, then an heir of God through Christ.
8Zeker, vroeger hebt gij God niet gekend en zijt gij goden gaan dienen, die het in werkelijkheid niet zijn;
8However at that time, not knowing God, you were in bondage to those who by nature are not gods.
9maar thans, nu gij God kent, of liever nog, door God wordt gekend, hoe zoudt gij u weer gaan wenden tot die zwakke en onbeduidende leerbeginselen, wier slaven gij weer worden wilt?
9But now that you have come to know God, or rather to be known by God, why do you turn back again to the weak and miserable elemental principles, to which you desire to be in bondage all over again?
10Gij viert dagen en maanden, seizoenen en jaren?
10You observe days, months, seasons, and years.
11Ik ben bang, dat ik misschien vruchteloos voor u heb gezwoegd!
11I am afraid for you, that I might have wasted my labor for you.
12Ik smeek u, broeders, wordt zoals ik; want ik werd aan u gelijk. —Nog nooit hebt gij mij enig verdriet aangedaan.
12I beg you, brothers, become as I am, for I also have become as you are. You did me no wrong,
13Gij herinnert u toch, hoe ik u de eerste keer in lichaamszwakte het Evangelie verkondigd heb;
13but you know that because of weakness in the flesh I preached the Good News to you the first time.
14en hoe gij me niet met smaad en minachting hebt bejegend om de beproeving, die mijn lichaam u bracht; maar hoe gij me hebt ontvangen als een engel van God, als Christus Jesus zelf.
14That which was a temptation to you in my flesh, you didn’t despise nor reject; but you received me as an angel of God, even as Christ Jesus.
15Waar is nu uw zalig geluk gebleven; want ik kan van u getuigen, dat gij zo mogelijk u de ogen zoudt hebben uitgerukt en ze aan mij zoudt hebben gegeven!
15What was the blessing you enjoyed? For I testify to you that, if possible, you would have plucked out your eyes and given them to me.
16Ben ik dan uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg?
16So then, have I become your enemy by telling you the truth?
17Zij ijveren voor u, maar niet met zuivere bedoeling; maar ze trachten u van mij te vervreemden, opdat gij zoudt ijveren voor hen.
17They zealously seek you in no good way. No, they desire to alienate you, that you may seek them.
18Zeker, het valt te prijzen, wanneer er geijverd wordt; maar dan voor het goede en ten allen tijde; niet slechts als ik bij u ben.
18But it is always good to be zealous in a good cause, and not only when I am present with you.
19Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden, eer Christus in u is gevormd:
19My little children, of whom I am again in travail until Christ is formed in you—
20ik zou op dit ogenblik wel bij u willen zijn, om de juiste toon te treffen; want ik ben ten einde raad over u.
20but I could wish to be present with you now, and to change my tone, for I am perplexed about you.
21Zegt me nu eens, gij die onder de Wet wilt staan, luistert gij niet naar de Wet?
21Tell me, you that desire to be under the law, don’t you listen to the law?
22Er staat toch geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin, en één bij de vrije vrouw;
22For it is written that Abraham had two sons, one by the servant, and one by the free woman.
23maar de zoon der slavin was verwekt naar het vlees, maar die van de vrije vrouw uit kracht der Belofte.
23However, the son by the servant was born according to the flesh, but the son by the free woman was born through promise.
24Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis. Want de twee 4:verbeelden tweeërlei verbond. Het éne, dat van de berg Sinaï, brengt slavenkinderen voort, en dat is Agar;
24These things contain an allegory, for these are two covenants. One is from Mount Sinai, bearing children to bondage, which is Hagar.
25want de berg Sinaï ligt in Arabië, en Agar is het beeld van het hedendaags Jerusalem, want deze stad ligt in slavernij met haar kinderen.
25For this Hagar is Mount Sinai in Arabia, and answers to the Jerusalem that exists now, for she is in bondage with her children.
26Maar het Jerusalem uit den hoge is vrij, en dat is ònze moeder. Want er staat geschreven:
26But the Jerusalem that is above is free, which is the mother of us all.
27“Jubel onvruchtbare, die niet baart; Breek uit in gejuich, die geen barensnood kent. Want talrijker zijn de kinderen der verlatene Dan van haar, die aan een man is gehuwd.”
27For it is written, “Rejoice, you barren who don’t bear. Break out and shout, you who don’t travail. For the desolate women have more children than her who has a husband.”
28Welnu, broeders, gij zijt als Isaäk, kinderen der Belofte.
28Now we, brothers, as Isaac was, are children of promise.
29Maar zoals eertijds hij, die naar het vlees was verwekt, hem ging vervolgen, die verwekt was naar de geest, zo gebeurt het ook thans.
29But as then, he who was born according to the flesh persecuted him who was born according to the Spirit, so also it is now.
30Maar wat zegt de Schrift? “Jaag weg de slavin met haar zoon; want de zoon der slavin zal niet meeërven met den zoon der vrije vrouw.”
30However, what does the Scripture say? “Throw out the servant and her son, for the son of the servant will not inherit with the son of the free woman.”
31Broeders, we zijn dus geen slavenkinderen, maar kinderen der vrije vrouw!
31So then, brothers, we are not children of a servant, but of the free woman.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.