Ester
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Enige tijd later verhief koning Achasjwerosj dezen Haman, den Agagiet, den zoon van Hammedata, tot de hoogste waardigheid en plaatste zijn zetel hoger dan die der andere vorsten, die bij hem waren.
1After these things did king Ahasuerus promote Haman the son of Hammedatha the Agagite, and advanced him, and set his seat above all the princes that were with him.
2En alle dienaren van den koning, die zich in het koninklijke poortgebouw bevonden, bogen voor Haman en wierpen zich voor hem neer; want dit had de koning ter ere van Haman gelast. Maar Mordokai boog niet, en wierp zich niet ter aarde neer.
2And all the king's servants, that were in the king's gate, bowed down, and prostrated themselves before Haman; for the king had so commanded concerning him. But Mordecai bowed not down, nor prostrated himself before him.
3Daarom zeiden de dienaren van den koning, die zich in het koninklijke poortgebouw bevonden tot Mordokai: Waarom overtreedt gij het bevel van den koning?
3Then the king's servants, that were in the king's gate, said unto Mordecai: 'Why transgressest thou the king's commandment?'
4Maar toen hij niet naar hen wilde luisteren, ofschoon ze hem dagen lang hetzelfde zeiden, gingen zij het aan Haman vertellen, om te zien, of Mordokai dit vol kon houden; want hij had hun geantwoord, dat hij een Jood was.
4Now it came to pass, when they spoke daily unto him, and he hearkened not unto them, that they told Haman, to see whether Mordecai's words would stand; for he had told them that he was a Jew.
5Toen Haman dus zag, dat Mordokai niet boog en zich niet voor hem neerwierp, werd hij hevig vertoornd.
5And when Haman saw that Mordecai bowed not down, nor prostrated himself before him, then was Haman full of wrath.
6Maar het was hem te min, de hand alleen aan Mordokai te slaan; want men had hem verteld, tot welk volk Mordokai behoorde. Daarom zocht Haman naar een middel, om al de Joden, het volk van Mordokai, in heel het rijk van Achasjwerosj te vernietigen.
6But it seemed contemptible in his eyes to lay hands on Mordecai alone; for they had made known to him the people of Mordecai; wherefore Haman sought to destroy all the Jews that were throughout the whole kingdom of Ahasuerus, even the people of Mordecai.
7In de eerste maand, dat is de maand Nisan, in het twaalfde regeringsjaar van koning Achasjwerosj, werd in het bijzijn van Haman het Poer of lot geworpen, en daardoor bepaald, in welke maand en op welke dag het geslacht van Mordokai in een enkele dag zou worden uitgeroeid. En het lot viel op de dertiende dag van de maand Adar, de twaalfde maand.
7In the first month, which is the month Nisan, in the twelfth year of king Ahasuerus, they cast pur, that is, the lot, before Haman from day to day, and from month to month, to the twelfth month, which is the month Adar.
8Nu sprak Haman tot koning Achasjwerosj: Er is een heel eigenaardig volk, dat in al de provincies van uw rijk onder de volkeren is verstrooid, maar toch afgezonderd van hen leeft. Het heeft andere wetten dan alle andere volkeren, en gehoorzaamt niet aan de wetten des konings. Het is dus niet goed, dat de koning het ongemoeid laat.
8And Haman said unto king Ahasuerus: 'There is a certain people scattered abroad and dispersed among the peoples in all the provinces of thy kingdom; and their laws are diverse from those of every people; neither keep they the king's laws; therefore it profiteth not the king to suffer them.
9Wanneer de koning het goed vindt, worde een schriftelijk bevel uitgevaardigd, om het uit te roeien, en ik zal aan de beambten tien duizend talenten zilver afwegen ten bate van de koninklijke schatkist.
9If it please the king, let it be written that they be destroyed; and I will pay ten thousand talents of silver into the hands of those that have the charge of the king's business, to bring it into the king's treasuries.'
10Hierop nam de koning zijn zegelring van zijn hand, gaf die aan den Agagiet Haman, den zoon van Hammedata, den doodsvijand der Joden,
10And the king took his ring from his hand, and gave it unto Haman the son of Hammedatha the Agagite, the Jews' enemy.
11en sprak tot hem: Dat geld is voor u, en met dat volk kunt ge doen wat ge wilt.
11And the king said unto Haman: 'The silver is given to thee, the people also, to do with them as it seemeth good to thee.'
12Zo werden dan op de dertiende dag van de eerste maand de koninklijke geheimschrijvers ontboden, en schreven al wat Haman beval aan de koninklijke stadhouders, de landvoogden der provincies en de vorsten der verschillende volkeren, aan iedere provincie in haar eigen schrift en aan ieder volk in zijn eigen taal. Het werd in naam des konings geschreven, en met de zegelring van den koning verzegeld.
12Then were the king's scribes called in the first month, on the thirteenth day thereof, and there was written, according to all that Haman commanded, unto the king's satraps, and to the governors that were over every province, and to the princes of every people; to every province according to the writing thereof, and to every people after their language; in the name of king Ahasuerus was it written, and it was sealed with the king's ring.
13De brieven werden met ijlboden naar alle koninklijke provincies verzonden; zij hielden het bevel in, dat men alle Joden moest doden, verdelgen en uitroeien, van jong tot oud, met vrouwen en kinderen, en wel op één en dezelfde dag, namelijk de dertiende van Adar, de twaalfde maand, en dat men hun bezittingen kon plunderen.
13And letters were sent by posts into all the king's provinces, to destroy, to slay, and to cause to perish, all Jews, both young and old, little children and women, in one day, even upon the thirteenth day of the twelfth month, which is the month Adar, and to take the spoil of them for a prey.
14Dit bevelschrift, dat in alle provincies als wet zou worden uitgevaardigd, moest bij alle volkeren worden voorgelezen, opdat men zich op de bepaalde dag gereed kon houden.
14The copy of the writing, to be given out for a decree in every province, was to be published unto all peoples, that they should be ready against that day.
15De ijlboden vertrokken dus op koninklijk bevel. En terwijl de wet ook in de vesting Sjoesjan werd uitgevaardigd, en de stad Sjoesjan in beroering kwam, zaten de koning en Haman rustig te drinken.
15The posts went forth in haste by the king's commandment, and the decree was given out in Shushan the castle; and the king and Haman sat down to drink; but the city of Shushan was perplexed.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.