2 Korintiers 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Ik, Paulus zelf, die dichtbij zo schuchter jegens u ben, maar op een afstand heel dapper, ik vermaan u bij Christus’ zachtmoedigheid en gematigdheid;
1Now by the mildness and gentleness of Christ, I appeal to you—I, Paul, who am humble when face to face with you, but bold when away.
2en ik bid u, bij mijn komst niet krachtdadig te moeten ingrijpen met die beslistheid, waarmee ik denk op te treden tegen dat slag van lieden, die menen, dat we wandelen naar het vlees.
2I beg you that when I come I may not need to be as bold as I expect toward those who presume that we live according to the flesh.
3Want wel wandelen we in het vlees, maar we kampen niet naar het vlees.
3For though we live in the flesh, we do not wage war according to the flesh.
4De wapens toch, waarmee we kampen, zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, om er burchten mee neer te halen; diepzinnigheden werpen we er mee omver,
4The weapons of our warfare are not the weapons of the world. Instead, they have divine power to demolish strongholds.
5ook elke hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God; alle denken nemen we er mee gevangen, om het te brengen onder gehoorzaamheid van Christus;
5We tear down arguments and every presumption set up against the knowledge of God; and we take captive every thought to make it obedient to Christ.
6en we houden ze gereed, om iedere ongehoorzaamheid te straffen, zo gauw úw gehoorzaamheid maar volmaakt is.
6And we will be ready to punish every act of disobedience, as soon as your obedience is complete.
7Geeft acht op wat voor de hand ligt. Is iemand overtuigd, dat hij Christus toebehoort, dan mag hij toch wel bij zichzelf eens bedenken, dat ook wij Christus toebehoren, evengoed als hij.
7You are looking at outward appearances. If anyone is confident that he belongs to Christ, he should remind himself that we belong to Christ just as much as he does.
8Ja, al ging ik nog veel verder met roemen op de volmacht, die de Heer mij gaf, om u op te bouwen, maar niet om u te gronde te richten, ik zou er niet over te blozen hebben.
8For even if I boast somewhat excessively about the authority the Lord gave us for building you up rather than tearing you down, I will not be ashamed.
9Maar ik wil de schijn niet hebben, dat ik u met mijn brieven vrees wil aanjagen.
9I do not want to seem to be trying to frighten you by my letters.
10Want, zo heet het: de brieven zijn gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijk optreden is zwak, zijn spreken onbeduidend.
10For some say, “His letters are weighty and forceful, but his physical presence is unimpressive, and his speaking is of no account.”
11Laat hij, die zó spreekt, er wel aan denken, dat we van dichtbij zó zullen zijn met de daad, als we het uit de verte in onze brieven zijn met het woord.
11Such people should consider that what we are in our letters when absent, we will be in our actions when present.
12Maar wat we niet durven: ons op één lijn stellen, of zelfs vergelijken met dat soort lieden, die zich zo gaarne laten gelden. Zij toch meten zich af naar zichzelf, en vergelijken zich met zichzelf, zonder het te bespeuren.
12We do not dare to classify or compare ourselves with some who commend themselves. When they measure themselves by themselves and compare themselves with themselves, they show their ignorance.
13Wij daarentegen zullen niet gaan roemen zonder maat te houden, maar slechts volgens het meetsnoer, dat God ons tot maat heeft gegeven: en dit is, dat we tot u zouden doordringen.
13We, however, will not boast beyond our limits, but only within the field of influence that God has assigned to us—a field that reaches even to you.
14We rekken ons dus niet buiten dit meetsnoer uit, als waart gij buiten ons bereik gebleven; want feitelijk zijn we tot u doorgedrongen met het Evangelie van Christus.
14We are not overstepping our bounds, as if we had not come to you. Indeed, we were the first to reach you with the gospel of Christ.
15We beroemen ons dan ook niet buiten die maat, en op het werk van anderen. Maar wel koesteren we de hoop, dat we, bij het toenemen van het geloof in uw midden, met ons eigen meetsnoer ons nog aanmerkelijk zullen uitbreiden,
15Neither do we boast beyond our limits in the labors of others. But we hope that as your faith increases, our area of influence among you will greatly increase as well,
16en het Evangelie in verder liggende streken zullen verkondigen. Maar dan niet met het meetsnoer van anderen, om ons te roemen op wat reeds gedaan is!
16so that we can preach the gospel in the regions beyond you. Then we will not be boasting in the work already done in another man’s territory.
17Bovendien, “wie roemt, roeme in den Heer.”
17Rather, “Let him who boasts boast in the Lord.”
18Want niet die zichzelf prijst is goed bevonden, maar die geprezen wordt door den Heer.
18For it is not the one who commends himself who is approved, but the one whom the Lord commends.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.