1 Samuel
Chapter 23
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Op zekere dag bracht men David de tijding: Zie, de Filistijnen belegeren Keïla, en plunderen de dorsvloeren leeg.
1On vint dire à David: Voici, les Philistins ont attaqué Keïla, et ils pillent les aires.
2Toen vroeg David aan Jahweh: Zal ik uitrukken en die Filistijnen verslaan? En Jahweh antwoordde David: Ruk uit, versla de Filistijnen en ontzet Keïla.
2David consulta l’Éternel, en disant: Irai-je, et battrai-je ces Philistins? Et l’Éternel lui répondit: Va, tu battras les Philistins, et tu délivreras Keïla.
3Maar de mannen van David zeiden: Hier in Juda zitten we al in de angst; en zouden we dan naar Keïla trekken, waar de Filistijnen in slagorde staan?
3Mais les gens de David lui dirent: Voici, nous ne sommes pas sans crainte ici même en Juda; que sera-ce si nous allons à Keïla contre les troupes des Philistins?
4Daarom ondervroeg David Jahweh nog eens; en Jahweh antwoordde hem: Trek gerust naar Keïla, want Ik lever de Filistijnen aan u over.
4David consulta encore l’Éternel. Et l’Éternel lui répondit: Lève-toi, descends à Keïla, car je livre les Philistins entre tes mains.
5Nu trok David met zijn mannen naar Keïla. Hij viel de Filistijnen aan, dreef hun vee weg en bracht hun een gevoelige nederlaag toe. Zo ontzette David de bewoners van Keïla.
5David alla donc avec ses gens à Keïla, et il se battit contre les Philistins; il emmena leur bétail, et leur fit éprouver une grande défaite. Ainsi David délivra les habitants de Keïla.
6Nu had Ebjatar, de zoon van Achimélek, toen hij naar David vluchtte en David naar Keïla begeleidde, de efod met zich meegenomen.
6Lorsque Abiathar, fils d’Achimélec, s’enfuit vers David à Keïla, il descendit ayant en main l’éphod.
7Toen men nu aan Saul meldde, dat David zich in Keïla bevond, dacht Saul: God heeft hem aan mij overgeleverd; want door een stad met deuren en grendels binnen te gaan, heeft hij zichzelf opgesloten.
7Saül fut informé de l’arrivée de David à Keïla, et il dit: Dieu le livre entre mes mains, car il est venu s’enfermer dans une ville qui a des portes et des barres.
8Saul riep dus al de manschappen tot de strijd op, om naar Keïla te trekken en David met zijn mannen in te sluiten.
8Et Saül convoqua tout le peuple à la guerre, afin de descendre à Keïla et d’assiéger David et ses gens.
9Maar David kwam te weten, dat Saul vijandige plannen tegen hem smeedde. Daarom zeide hij tot Ebjatar, den priester: Breng de efod hier.
9David, ayant eu connaissance du mauvais dessein que Saül projetait contre lui, dit au sacrificateur Abiathar: Apporte l’éphod!
10En David bad: Jahweh, God van Israël; uw dienaar heeft vernomen, dat Saul van plan is, naar Keïla te komen, en om mijnent wil de stad te verwoesten.
10Et David dit: Éternel, Dieu d’Israël, ton serviteur apprend que Saül veut venir à Keïla pour détruire la ville à cause de moi.
11Zal Saul oprukken, zoals uw dienaar vernomen heeft? Jahweh, God van Israël, laat het uw dienaar weten. En Jahweh antwoordde: Ja.
11Les habitants de Keïla me livreront-ils entre ses mains? Saül descendra-t-il, comme ton serviteur l’a appris? Éternel, Dieu d’Israël, daigne le révéler à ton serviteur! Et l’Éternel répondit: Il descendra.
12Daarna vroeg David: Zullen de burgers van Keïla mij en mijn mannen aan Saul uitleveren? En Jahweh antwoordde: Ja.
12David dit encore: Les habitants de Keïla me livreront-ils, moi et mes gens, entre les mains de Saül? Et l’Éternel répondit: Ils te livreront.
13Toen brak David met zijn mannen op; het waren er ongeveer zeshonderd. Ze verlieten Keïla, en zwierven op goed geluk rond. En daar Saul de tijding ontving, dat David uit Keïla ontsnapt was, zag hij van de opmars af.
13Alors David se leva avec ses gens au nombre d’environ six cents hommes; ils sortirent de Keïla, et s’en allèrent où ils purent. Saül, informé que David s’était sauvé de Keïla, suspendit sa marche.
14Nu ging David in bergholen wonen, in de woestijn. Hij verbleef op het gebergte in de woestijn van Zif; en ofschoon Saul hem voortdurend zocht, liet God niet toe, dat David hem in handen viel.
14David demeura au désert, dans des lieux forts, et il resta sur la montagne du désert de Ziph. Saül le cherchait toujours, mais Dieu ne le livra pas entre ses mains.
15Toch was deze bevreesd, omdat Saul er op uit was, hem uit de weg te ruimen. Terwijl David zich te Chóresj in de woestijn van Zif bevond,
15David, voyant Saül en marche pour attenter à sa vie, se tint au désert de Ziph, dans la forêt.
16besloot Jonatan, de zoon van Saul, naar David te gaan, en hem te sterken door vertrouwen op God.
16Ce fut alors que Jonathan, fils de Saül, se leva et alla vers David dans la forêt. Il fortifia sa confiance en Dieu,
17Hij sprak tot hem: Maak u niet bezorgd, want ge zult mijn vader Saul niet in handen vallen. Ge zult heersen over Israël, en ik zal eerst de tweede zijn; ook Saul, mijn vader, ziet dat in.
17et lui dit: Ne crains rien, car la main de Saül, mon père, ne t’atteindra pas. Tu régneras sur Israël, et moi je serai au second rang près de toi; Saül, mon père, le sait bien aussi.
18En zij sloten samen een verbond voor het aanschijn van Jahweh. David bleef in Chóresj wonen, terwijl Jonatan huiswaarts keerde.
18Ils firent tous deux alliance devant l’Éternel; et David resta dans la forêt, et Jonathan s’en alla chez lui.
19Maar nu kwamen Zifieten naar Saul in Giba, en zeiden: David verschuilt zich bij ons in de bergholen bij Chóresj, op de heuvel van Chakila ten zuiden van de wildernis.
19Les Ziphiens montèrent auprès de Saül à Guibea, et dirent: David n’est-il pas caché parmi nous dans des lieux forts, dans la forêt, sur la colline de Hakila, qui est au midi du désert?
20Welnu, als het u, o koning, behaagt, er heen te gaan, doe het dan; wij zullen zorgen, dat hij aan den koning wordt uitgeleverd.
20Descends donc, ô roi, puisque c’est là tout le désir de ton âme; et à nous de le livrer entre les mains du roi.
21Saul sprak: Weest gezegend door Jahweh, omdat gij met mij medevoelt.
21Saül dit: Que l’Éternel vous bénisse de ce que vous avez pitié de moi!
22Gaat u nog eens vergewissen en achterhaalt nauwkeurig de plek, waar hij zich ophoudt, en wie hem daar heeft gezien; want men heeft mij gezegd, dat hij buitengewoon slim is.
22Allez, je vous prie, prenez encore des informations pour savoir et découvrir dans quel lieu il a dirigé ses pas et qui l’y a vu, car il est, m’a-t-on dit, fort rusé.
23Onderzoekt nog eens goed in alle grotten, waar hij zich schuil kan houden, en komt bij mij terug, om mij in te lichten. Dan zal ik met u meegaan. En mocht hij in het land zijn, dan zal ik hem vinden uit alle duizenden van Juda!
23Examinez et reconnaissez tous les lieux où il se cache, puis revenez vers moi avec quelque chose de certain, et je partirai avec vous. S’il est dans le pays, je le chercherai parmi tous les milliers de Juda.
24Zij trokken er dus op uit, en gingen Saul voor naar Zif. David bevond zich toen met zijn mannen in de woestijn van Maon, in de steppe, zuidelijk van de wildernis.
24Ils se levèrent donc et allèrent à Ziph avant Saül. David et ses gens étaient au désert de Maon, dans la plaine au midi du désert.
25Maar toen hij vernam, dat Saul met zijn mannen hem kwam zoeken, daalde hij af naar de rots in de woestijn van Maon. Saul hoorde het, en ging David in de woestijn van Maon achterna.
25Saül partit avec ses gens à la recherche de David. Et l’on en informa David, qui descendit le rocher et resta dans le désert de Maon. Saül, l’ayant appris, poursuivit David au désert de Maon.
26Saul marcheerde aan de ene kant van de berg, en David met zijn mannen aan de andere kant. David spoedde zich angstig voort, om Saul te ontlopen. En reeds omsingelde Saul met zijn mannen David met de zijnen, om hen gevangen te nemen,
26Saül marchait d’un côté de la montagne, et David avec ses gens de l’autre côté de la montagne. David fuyait précipitamment pour échapper à Saül. Mais déjà Saül et ses gens entouraient David et les siens pour s’emparer d’eux,
27toen er eensklaps bij Saul een bode verscheen met de tijding: Vertrek ogenblikkelijk; want de Filistijnen zijn het land binnengevallen.
27lorsqu’un messager vint dire à Saül: Hâte-toi de venir, car les Philistins ont fait invasion dans le pays.
28Saul staakte dus de achtervolging van David en ging de Filistijnen tegemoet. Daarom heeft men deze plaats Rots der Scheiding genoemd.
28Saül cessa de poursuivre David, et il s’en retourna pour aller à la rencontre des Philistins. C’est pourquoi l’on appela ce lieu Séla-Hammachlekoth.
29Vandaar week David uit naar de spelonken van En-Gédi.
no verse 29 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.