1 Samuel 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Saul sprak er daarom met zijn zoon Jonatan en met al zijn dienaren over, dat hij David wilde doden. Maar Jonatan, de zoon van Saul, die David bijzonder genegen was,
1And Saul spoke to Jonathan his son, and to all his servants, that they should slay David; but Jonathan Saul's son delighted much in David.
2bracht het David over, en sprak: Saul, mijn vader, zoekt u te doden; neem u dus in acht! Ga morgenvroeg in een schuilplaats zitten, en houd u verborgen.
2And Jonathan told David, saying: 'Saul my father seeketh to slay thee; now therefore, I pray thee, take heed to thyself in the morning, and abide in a secret place, and hide thyself.
3Ik zal naar buiten komen, en vlak naast mijn vader gaan staan op het terrein, waar gij zijt. Dan zal ik met mijn vader over u spreken, zien hoe het staat, en het u vertellen.
3And I will go out and stand beside my father in the field where thou art, and I will speak with my father of thee; and if I see aught, I will tell thee.'
4Jonatan pleitte dus voor David bij zijn vader Saul, en hij zeide tot hem: Laat de koning zich toch niet bezondigen aan zijn dienaar David! Want hij heeft niets tegen u misdaan, maar integendeel zich voor u zeer verdienstelijk gemaakt.
4And Jonathan spoke good of David unto Saul his father, and said unto him: 'Let not the king sin against his servant, against David; because he hath not sinned against thee, and because his work hath been very good towards thee;
5Hij heeft zijn leven op het spel gezet en den Filistijn verslagen; en Jahweh heeft door hem voor heel Israël een grote zege bewerkt. Gij hebt het gezien, en hebt u erover verheugd. Waarom zoudt ge u dan bezondigen aan onschuldig bloed, door David zonder enige reden te doden?
5for he put his life in his hand, and smote the Philistine, and the LORD wrought a great victory for all Israel; thou sawest it, and didst rejoice; wherefore then wilt thou sin against innocent blood, to slay David without a cause?'
6Saul luisterde naar de stem van Jonatan en hij zwoer: Zo waar Jahweh leeft, hij zal niet sterven.
6And Saul hearkened unto the voice of Jonathan; and Saul swore: 'As the LORD liveth, he shall not be put to death.'
7Nu riep Jonatan David en deelde hem heel het onderhoud mee. En Jonatan bracht David bij Saul terug, en David diende hem, evenals vroeger.
7And Jonathan called David, and Jonathan told him all those things. And Jonathan brought David to Saul, and he was in his presence, as beforetime.
8Maar toen de oorlog opnieuw was uitgebroken, en David er op uit was getrokken, om tegen de Filistijnen te strijden, bracht hij hun een gevoelige nederlaag toe, zodat ze de vlucht voor hem namen.
8And there was war again; and David went out, and fought with the Philistines, and slew them with a great slaughter; and they fled before him.
9Daardoor kwam er weer een boze geest van Jahweh over Saul. Hij zat thuis met zijn lans in de hand; en terwijl David de citer bespeelde,
9And an evil spirit from the LORD was upon Saul, as he sat in his house with his spear in his hand; and David was playing with his hand.
10trachtte hij David met zijn lans aan de wand te priemen. Maar deze week voor hem uit, zodat Saul de lans in de wand slingerde. Door de vlucht stelde David zich in veiligheid. Maar nog dezelfde nacht
10And Saul sought to smite David even to the wall with the spear; but he slipped away out of Saul's presence, and he smote the spear into the wall; and David fled, and escaped that night.
11stuurde Saul boden naar het huis van David, om hem te bewaken en hem de volgende morgen te doden. Mikal, de vrouw van David, waarschuwde hem echter en zeide: Als ge vannacht uw leven niet in veiligheid brengt, zult ge morgen dood zijn.
11And Saul sent messengers unto David's house, to watch him, and to slay him in the morning; and Michal David's wife told him, saying: 'If thou save not thy life to-night, to-morrow thou shalt be slain.'
12Mikal liet David dus door het venster naar beneden; hij ging op de vlucht en stelde zich in veiligheid.
12So Michal let David down through the window; and he went, and fled, and escaped.
13Daarop nam Mikal den huisgod, legde dien op het bed, spreidde een net van geitenhaar over het hoofdeinde, en dekte hem met een mantel toe.
13And Michal took the teraphim, and laid it in the bed, and put a quilt of goats' hair at the head thereof, and covered it with a cloth.
14En toen Saul boden zond om David gevangen te nemen, sprak zij: Hij is ziek!
14And when Saul sent messengers to take David, she said: 'He is sick.'
15Maar Saul stuurde de boden terug, om zich van Davids toestand op de hoogte te stellen, met het bevel: Brengt hem met bed en al bij me; hij moet dood!
15And Saul sent the messengers to see David, saying: 'Bring him up to me in the bed, that I may slay him.'
16De boden gingen dus naar binnen, en daar lag zowaar de huisgod op het bed, met een net van geitenhaar over het hoofdeinde.
16And when the messengers came in, behold, the teraphim was in the bed, with the quilt of goats' hair at the head thereof.
17Saul vroeg aan Mikal: Waarom hebt ge me aldus bedrogen, door mijn vijand te laten ontsnappen? Mikal gaf Saul ten antwoord: Hij heeft tegen mij gezegd: “Laat me gaan, of ik sla je dood!”
17And Saul said unto Michal: 'Why hast thou deceived me thus, and let mine enemy go, that he is escaped?' And Michal answered Saul: 'He said unto me: Let me go; why should I kill thee?'
18Intussen was David gevlucht en had hij zich in veiligheid gesteld. Hij kwam bij Samuël in Rama, vertelde hem alles wat Saul hem had aangedaan en nam met Samuël zijn intrek in het profetenhuis te Rama.
18Now David fled, and escaped, and came to Samuel to Ramah, and told him all that Saul had done to him. And he and Samuel went and dwelt in Naioth.
19Doch men berichtte aan Saul, dat David in het profetenhuis te Rama vertoefde;
19And it was told Saul, saying: 'Behold, David is at Naioth in Ramah.'
20daarom zond Saul boden, om David gevangen te nemen. Maar toen zij de groep profeten zagen profeteren met Samuël als leider aan het hoofd, kwam de geest van God over de boden van Saul, en begonnen ook zij te profeteren.
20And Saul sent messengers to take David; and when they saw the company of the prophets prophesying, and Samuel standing as head over them, the spirit of God came upon the messengers of Saul, and they also prophesied.
21Toen dit aan Saul bekend werd, zond hij andere boden, die eveneens profeteerden. Voor de derde maal zond Saul boden; maar ook zij gingen profeteren.
21And when it was told Saul, he sent other messengers, and they also prophesied. And Saul sent messengers again the third time, and they also prophesied.
22Daarom ging hij zelf naar Rama. Bij de grote put in Sekoe aangekomen, vroeg hij: Waar zijn Samuël en David? Men antwoordde hem: In het profetenhuis te Rama.
22Then went he also to Ramah, and came to the great cistern that is in Secu; and he asked and said: 'Where are Samuel and David?' And one said: 'Behold, they are at Naioth in Ramah.'
23Hij ging dus vandaar naar het profetenhuis te Rama. Maar toen kwam ook op hem de geest van God; al voortgaande profeteerde hij, totdat hij in het profetenhuis te Rama aankwam.
23And he went thither to Naioth in Ramah; and the spirit of God came upon him also, and he went on, and prophesied, until he came to Naioth in Ramah.
24Daar rukte hij zich de klederen van het lijf, profeteerde in het bijzijn van Samuël, en bleef heel die dag en nacht naakt liggen. Daarom zegt men: Behoort ook Saul bij de profeten?
24And he also stripped off his clothes, and he also prophesied before Samuel, and lay down naked all that day and all that night. Wherefore they say: 'Is Saul also among the prophets?'
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.