1 Kronieken
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1De zonen van Issakar waren: Tola, Poea, Jasjoeb en Sjimron, in het geheel vier.
1ΚΑΙ τοῖς υἱοῖς Ἰσσάχαρ· Θωλὰ καὶ Φουὰ καὶ Ἰασοὺβ καὶ Σεμερών, τέσσαρες.
2De zonen van Tola waren: Oezzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Sjemoeël. Ze waren familiehoofden van het geslacht Tola, en dappere mannen; het aantal van hun afstammelingen bedroeg ten tijde van David twee en twintigduizend zeshonderd.
2καὶ υἱοὶ Θωλά· Ὀζί, Ραφαΐα καὶ Ἰεριὴλ καὶ Ἰαμαΐ καὶ Ἰεβασὰμ καὶ Σαμουήλ, ἄρχοντες οἴκων πατριῶν αὐτῶν τῷ Θωλά, ἰσχυροὶ δυνάμει κατὰ γενέσεις αὐτῶν. ὁ ἀριθμὸς αὐτῶν ἐν ἡμέραις Δαυὶδ εἴκοσι καὶ δύο χιλιάδες καὶ ἑξακόσιοι.
3De zoon van Oezzi was Jizrachja; de zonen van Jizrachja waren: Mikaël, Obadja, Joël en Jisji-ja; in het geheel vijf opperhoofden.
3καὶ υἱοὶ Ὀζί· Ἰεζραΐα καὶ υἱοὶ Ἰεζραΐα· Μιχαήλ, Ἀβδιοὺ καὶ Ἰωὴλ καὶ Ἰεσία, πέντε, ἄρχοντες πάντες.
4Tot de verschillende families van hun afstammelingen behoorden zes en dertigduizend man krijgsvolk; zoveel vrouwen en kinderen hadden ze!
4καὶ ἐπ᾿ αὐτῶν κατὰ γενέσεις αὐτῶν, κατ᾿ οἴκους πατριῶν αὐτῶν, ἰσχυροὶ παρατάξασθαι εἰς πόλεμον τριάκοντα καὶ ἓξ χιλιάδες, ὅτι ἐπλήθυναν γυναῖκας καὶ υἱούς.
5Al hun stamgenoten, die van Issakar afstamden, waren dappere mannen; in het geheel werden er zeven en tachtigduizend in het stamregister opgenomen.
5καὶ ἀδελφοὶ αὐτῶν εἰς πάσας πατριὰς Ἰσσάχαρ καὶ ἰσχυροὶ δυνάμει ὀγδοήκοντα καὶ ἑπτὰ χιλιάδες, ὁ ἀριθμὸς αὐτῶν τῶν πάντων.
6De zonen van Benjamin waren: Bela, Béker en Je-diaël, in het geheel drie.
6υἱοὶ Βενιαμίν· Βαλὲ καὶ Βαχὶρ καὶ Ἰαδιήλ, τρεῖς.
7De zonen van Bela waren: Esbon, Oezzi, Oezziël, Jerimot en Iri, in het geheel vijf. Ze waren familiehoofden en dappere mannen; twee en twintigduizend vier en dertig stonden er in het stamregister.
7καὶ υἱοὶ Βαλέ· Ἀσεβὼν καὶ Ὀζὶ καὶ Ὀζιὴλ καὶ Ἰεριμὼθ καὶ Οὐρί, πέντε, ἄρχοντες οἴκων πατριῶν ἰσχυροὶ δυνάμει, καὶ ὁ ἀριθμὸς αὐτῶν εἴκοσι καὶ δύο χιλιάδες καὶ τριακοντατέσσαρες.
8De zonen van Béker waren: Zemira, Joasj, Eliézer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abi-ja, Anatot en Alémet; allen zonen van Béker en familiehoofden.
8καὶ υἱοὶ Βαχίρ· Ζεμιρὰ καὶ Ἰωὰς καὶ Ἐλιέζερ καὶ Ἐλιθενὰν καὶ Ἀμαρία καὶ Ἰεριμὼθ καὶ Ἀβιοὺδ καὶ Ἀναθὼθ καὶ Ἐλμεμέθ· πάντες οὗτοι υἱοὶ Βαχίρ.
9Hun afstammelingen waren dappere mannen; twintigduizend tweehonderd stonden er in het stamregister.
9καὶ ὁ ἀριθμὸς αὐτῶν κατὰ γενέσεις αὐτῶν, ἄρχοντες οἴκων πατριῶν αὐτῶν ἰσχυροὶ δυνάμει, εἴκοσι χιλιάδες καὶ διακόσιοι.
10De zoon van Jediaël was Bilhan; de zonen van Bilhan waren: Jeöesj, Binjamin, Ehoed, Kenaäna, Zetan, Tarsjisj en Achisjáchar:
10καὶ υἱοὶ Ἰαδιήλ· Βαλαάν. καὶ υἱοὶ Βαλαάν· Ἰαοὺς καὶ Βενιαμὶν καὶ Ἀὼθ καὶ Χανανὰ καὶ Ζαιθὰν καὶ Θαρσὶ καὶ Ἀχισαάρ.
11allen zonen van Jediaël en familiehoofden. Hun afstammelingen waren dappere mannen, en telden zeventienduizend tweehonderd dienstplichtigen.
11πάντες οὗτοι υἱοὶ Ἰαδιήλ, ἄρχοντες τῶν πατριῶν ἰσχυροὶ δυνάμει ἑπτακαίδεκα χιλιάδες καὶ διακόσιοι, ἐκπορευόμενοι δυνάμει τοῦ πολεμεῖν.
12Sjoeppim en Choeppim waren zonen van Ira; Choesjim was de zoon van Acher.
12καὶ Σαπφὶν καὶ Ἀπφὶν καὶ υἱοὶ Ραώμ· υἱὸς αὐτοῦ Ἀέρ.
13De zonen van Neftali waren: Jachaziël, Goeni, Jéser en Sjalloem; ze waren kinderen van Bilha.
13υἱοὶ Νεφθαλί· Ἰασιήλ, Γωνὶ καὶ Ἰσσιὴρ καὶ Σαλλούρ, υἱοὶ Βαλαά.
14De zonen van Manasse waren vooreerst Asriël, die een ongenoemde hem schonk. Dan schonk zijn aramese bijvrouw hem Makir, den stamvader van Gilad.
14υἱοὶ Μανασσῆ· Ἀσεριήλ, ὃν ἔτεκεν ἡ παλλακὴ αὐτοῦ ἡ Σύρα· ἔτεκε δὲ αὐτῷ καὶ Μαχὶρ πατέρα Γαλαάδ.
15Makir nam een vrouw voor Choeppim en Sjoeppim; zijn ene zuster heette Maäka, de andere Selofchad. Selofchad kreeg dochters,
15καὶ Μαχὶρ ἔλαβε γυναῖκα τῷ Ἀμφὶν καὶ Μαμφίν· καὶ ὄνομα ἀδελφῆς αὐτοῦ Μοωχά. καὶ ὄνομα τῷ δευτέρῳ Σαλπαάδ, καὶ ἐγεννήθησαν τῷ Σαλπαὰδ θυγατέρες.
16maar Maäka, de vrouw van Makir, kreeg een zoon, dien ze Péresj noemde; zijn broer heette Sjéres, en zijn zonen: Oelam en Rékem.
16καὶ ἔτεκε Μοωχὰ γυνὴ Μαχὶρ υἱὸν καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Φαρές, καὶ ὄνομα ἀδελφοῦ αὐτοῦ Σόρος· υἱοὶ αὐτοῦ Οὐλὰμ καὶ Ροκόμ.
17De zoon van Oelam was Bedan. Dit waren de afstammelingen van Gilad, den zoon van Makir, zoon van Manasse.
17καὶ υἱοὶ Οὐλάμ, Βαδάν. οὗτοι υἱοὶ Γαλαὰδ υἱοῦ Μαχὶρ υἱοῦ Μανασσῆ.
18Zijn zuster Hammoléket schonk het leven aan Isjhod, Abiézer en Machla.
18καὶ ἡ ἀδελφὴ αὐτοῦ ἡ Μαλεχὲθ ἔτεκε τὸν Ἰσαδὲκ καὶ τὸν Ἀβιέζερ καὶ τὸν Μαελά.
19De kinderen van Sjemida heetten Achjan, Sjekem, Likchi en Aniam.
19καὶ ἦσαν υἱοὶ Σεμιρά· Ἰααὶμ καὶ Συχὲμ καὶ Λαχὶμ καὶ Ἀνιάν.
20De zoon van Efraïm was Sjoetélach. De zoon van Sjoetélach was Béred; die van Béred was Táchat; die van Táchat was Elada; die van Elada was Táchat; die van Táchat was Zabad;
20καὶ υἱοὶ Ἐφραίμ· Σωθαλὰ καὶ Βαρὰδ υἱὸς αὐτοῦ καὶ Θαὰθ υἱὸς αὐτοῦ, Ἐλεαδὰ υἱὸς αὐτοῦ, Νομεὲ υἱὸς αὐτοῦ,
21die van Zabad waren Sjoetélach, Ézer en Elad. Dezen werden door de burgers van Gat, de inheemse bevolking, gedood, toen ze uitgetrokken waren, om hun vee te roven.
21Ζαβὲδ υἱὸς αὐτοῦ, Σωθελὲ υἱὸς αὐτοῦ καὶ Ἀζὲρ καὶ Ἐλεάδ. καὶ ἀπέκτειναν αὐτοὺς οἱ ἄνδρες Γὲθ οἱ τεχθέντες ἐν τῇ γῇ, ὅτι κατέβησαν τοῦ λαβεῖν τὰ κτήνη αὐτῶν.
22Efraïm, hun vader, betreurde ze lange tijd; maar toen zijn broeders hem waren komen troosten,
22καὶ ἐπένθησεν Ἐφραὶμ ὁ πατὴρ αὐτῶν ἡμέρας πολλάς, καὶ ἦλθον οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ τοῦ παρακαλέσαι αὐτόν.
23had hij weer gemeenschap met zijn vrouw. Zij werd zwanger, en schonk het leven aan een zoon, dien zij Beria noemde, omdat zij in zijn huis een kwade tijd had beleefd.
23καὶ εἰσῆλθε πρὸς τὴν γυναῖκα αὐτοῦ, καὶ ἔλαβεν ἐν γαστρὶ καὶ ἔτεκεν υἱόν, καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Βαραγά, ὅτι ἐν κακοῖς ἐγένετο ἐν οἴκῳ μου.
24De dochter van Beria was Sjeëra; zij bouwde Boven- en Beneden Bet-Choron en Oezzen-Sjeëra.
24καὶ ἐν ἐκείνοις τοῖς καταλοίποις καὶ ᾠκοδόμησε τὴν Βαιθωρὼν τὴν κάτω καὶ τὴν ἄνω. καὶ υἱοὶ Ὀζάν· Σεηρά,
25De zoon van Beria was Réfach; die van Réfach waren Résjef en Télach; die van Télach was Táchan;
25καὶ Ραφὴ υἱοὶ αὐτοῦ, Σαρὰφ καὶ Θαλεὲς υἱοὶ αὐτοῦ, Θαὲν υἱὸς αὐτοῦ.
26die van Táchan was Ladan; die van Ladan was Ammihoed; die van Ammihoed was Elisjama;
26τῷ Λααδὰν υἱῷ αὐτοῦ υἱὸς Ἀμιούδ, Ἐλισαμαΐ υἱὸς αὐτοῦ,
27die van Elisjama was Non; die van Non was Jehosjóea.
27Νοὺμ υἱὸς αὐτοῦ, Ἰησουὲ υἱὸς αὐτοῦ.
28Hun erfgoed en woonplaatsen waren Betel met bijbehorende plaatsen; verder Naäran in het oosten, en Gézer, Sikem en Ajja in het westen, alle met bijbehorende plaatsen.
28καὶ κατάσχεσις αὐτῶν καὶ κατοικία αὐτῶν· Βαιθὴλ καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς, κατ᾿ ἀνατολὰς Νοαράν, πρὸς δυσμαῖς Γαζὲρ καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς· καὶ Συχὲμ καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς ἕως Γαιὰν καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς.
29In het bezit van de Manassieten waren ook Bet-Sjean, Taänak, Megiddo en Dor, alle met bijbehorende plaatsen; in deze steden waren de zonen van Josef gevestigd, den zoon van Israël.
29καὶ ἕως ὁρίων υἱῶν Μανασσῆ· Βαιθσαὰν καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς, Θαανὰχ καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς, Μαγεδδὼ καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς, Δὼρ καὶ αἱ κῶμαι αὐτῆς. ἐν ταύταις κατῴκησαν υἱοὶ Ἰωσὴφ υἱοῦ Ἰσραήλ.
30De zonen van Aser waren: Jimna, Jisjwa, Jisjwi en Beria; ze hadden een zuster Sérach.
30υἱοὶ Ἀσήρ· Ἰεμνὰ καὶ Σουΐα. καὶ Ἰσουΐ καὶ Βεριὰ καὶ Σορὲ ἀδελφὴ αὐτῶν.
31De zonen van Beria waren Chéber en Malkiël. Malkiël was de vader van Birzáit.
31καὶ υἱοὶ Βεριά· Χάβερ καὶ Μελχιήλ, οὗτος πατὴρ Βερζαΐθ.
32Chéber was de vader van Jaflet, Sjomer en Chotam; dezen hadden een zuster Sjóea.
32καὶ Χάβερ ἐγέννησε τὸν Ἰαφλὴτ καὶ τὸν Σαμὴρ καὶ τὸν Χωθὰμ καὶ τὴν Σωλὰ ἀδελφὴν αὐτῶν.
33De zonen van Jaflet waren: Pasak, Bimhal en Asjwat, allen zonen van Jaflet.
33καὶ υἱοὶ Ἰαφλήτ· Φασὲκ καὶ Βαβαὴλ καὶ Ἀσίθ· οὗτοι υἱοὶ Ἰαφλήτ.
34De zonen van Sjomer waren: Achi, Rogga, Jechoebba en Aram.
34καὶ υἱοὶ Σεμμήρ· Ἀχιουραογὰ καὶ Ὀβὰ καὶ Ἀρὰμ
35De zonen van Chélem, zijn broeder, waren: Sofach, Jimna, Sjélesj en Amal.
35καὶ Βανηελάμ· ἀδελφοὶ αὐτοῦ Σοφὰ καὶ Ἰμανὰ καὶ Σελλὴς καὶ Ἀμάλ.
36De zonen van Sofach waren: Sóeach, Charnéfer, Sjoeal, Beri, Jimra,
36υἱοὶ Σωφά· Σουὲ καὶ Ἀρναφὰρ καὶ Σουδὰ καὶ Βαρὶν καὶ Ἰμρὰν
37Béser, Hod, Sjamma, Sjilsja, Jitran en Beëra.
37καὶ Σοβὰλ καὶ Ὢδ καὶ Σεμμὰ καὶ Σαλισὰ καὶ Ἰεθρὰν καὶ Βεηρά.
38De zonen van Jéter waren: Jefoenne, Pispa en Ara;
38καὶ υἱοὶ Ἰεθήρ· Ἰεφινὰ καὶ Φασφὰ καὶ Ἀρά.
39die van Oella waren: Arach, Channiël en Ris-ja.
39καὶ υἱοὶ Ὡλά· Ὀρέχ, Ἀνιὴλ καὶ Ρασιά.
40Het waren allen zonen van Aser: uitstekende familiehoofden, dappere mannen en hoofden der vorsten. In hun stamregister stond een aantal van zes en twintigduizend dienstplichtigen.
40πάντες οὗτοι υἱοὶ Ἀσήρ, πάντες ἄρχοντες πατριῶν ἐκλεκτοὶ ἰσχυροὶ δυνάμει, ἄρχοντες ἡγούμενοι· ὁ ἀριθμὸς αὐτῶν εἰς παράταξιν τοῦ πολεμεῖν, ἀριθμὸς αὐτῶν ἄνδρες εἰκοσιὲξ χιλιάδες.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.