ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Βʹ
Chapter 11

ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Βʹ

Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Βʹ 11

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Μετʼ ὀλίγον δὲ παντελῶς χρόνον Λυσίας ἐπίτροπος τοῦ βασιλέως καὶ συγγενὴς, καὶ ἐπὶ τῶν πραγμάτων, λίαν βαρέως φέρων ἐπὶ τοῖς γεγονόσι,
1Lúsias, de voogd en bloedverwant1 van den koning en tevens rijkskanselier, was over dit verloop van zaken ten zeerste verbitterd. In zeer korte tijd
2συναθροίσας περὶ τὰς ὀκτὼ μυριάδας καὶ τὴν ἵππον πᾶσαν, παρεγένετο ἐπὶ τοὺς Ἰουδαίους, λογιζόμενος τὴν μὲν πόλιν Ἕλλησιν οἰκητήριον ποιήσειν,
2bracht hij daarom ongeveer tachtigduizend man en de volledige ruiterij op de been, en trok tegen de Joden op. Hij was van plan, van de stad een griekse nederzetting te maken,
3τὸ δὲ ἱερὸν ἀργυρολόγητον καθὼς τὰ λοιπὰ τῶν ἐθνῶν τεμένη, πρατὴν δὲ τὴν ἀρχιερωσύνην κατʼ ἔτος ποιήσειν,
3de tempel evenals andere heidense heiligdommen als een goudmijn uit te buiten, en de hogepriesterlijke waardigheid elk jaar te koop aan te bieden.
4οὐδαμῶς ἐπιλογιζόμενος τὸ τοῦ Θεοῦ κράτος, πεφρενωμένος δὲ ταῖς μυριάσι τῶν πεζῶν καὶ ταῖς χιλιάσι τῶν ἱππέων καὶ τοῖς ἐλέφασι τοῖς ὀγδοήκοντα.
4Geen ogenblik bedacht hij Gods macht, verblind als hij was door de tienduizenden soldaten, de duizenden ruiters en zijn tachtig olifanten.
5Εἰσελθὼν δὲ εἰς τὴν Ἰουδαίαν, καὶ συνεγγίσας τῷ Βαιθσούρᾳ, ὄντι μὲν ἐρυμνῷ χωρίῳ, ἀπὸ δὲ Ἱεροσολύμων ἀπέχοντι ὡσεὶ σταδίους πέντε, τοῦτο ἔθλιβεν.
5Hij viel Judea binnen, trok af op de sterke vesting Bet-Soer, die ongeveer honderdvijftig stadiën van Jerusalem lag en belegerde haar.
6Ὡς δὲ μετέλαβον οἱ περὶ τὸν Μακκαβαῖον πολιορκοῦντα αὐτὸν τὰ ὀχυρώματα, μετʼ ὀδύρμῶν καὶ δακρύων ἱκέτευον σὺν τοῖς ὄχλοις τὸν Κύριον, ἀγαθὸν ἄγγελον ἀποστεῖλαι πρὸς σωτηρίαν τῷ Ἰσραήλ.
6Toen de soldaten van den Makkabeër hoorden, dat Lúsias de vestingen belegerde, begonnen zij te zamen met het volk onder weeklachten en tranen den Heer te smeken, dat Hij een goeden engel zou zenden, om Israël te redden.
7Αὐτὸς δὲ πρῶτος ὁ Μακκαβαῖος ἀναλαβὼν τὰ ὅπλα προετρέψατο τοὺς ἄλλους, ἅμα αὐτῷ διακινδυνεύοντας, ἐπιβοηθεῖν τοῖς ἀδελφοῖς αὐτῶν· ὁμοῦ δὲ καὶ προθύμως ἐξώρμησαν.
7Daarop greep de Makkabeër het eerst van allen naar de wapens, en vuurde de anderen aan, om samen met hem zich in de strijd te wagen en hun broeders hulp te gaan brengen. En op staande voet trokken ze moedig weg.
8Αὐτόθι δὲ καὶ πρὸς τοῖς Ἱεροσολύμοις ὄντων, ἐφάνη προηγούμενος αὐτῶν ἔφιππος ἐν λευκῇ ἐσθῆτι, πανοπλίαν χρυσῆν κραδαίνων.
8Maar nog waren ze niet ver van Jerusalem verwijderd, of er verscheen hun een in het wit geklede ruiter, die gouden wapens zwaaide en voor hen uitging.
9Ὁμοῦ δὲ πάντες εὐλόγησαν τὸν ἐλεήμονα Θεὸν, καὶ ἐπεῤῥώσθησαν ταῖς ψυχαῖς, οὐ μόνον ἀνθρώπους ἀλλὰ καὶ θῆρας τοὺς ἀγριωτάτους, καὶ σιδηρᾶ τείχη τιτρώσκειν ὄντες ἕτοιμοι.
9Nu prezen zij allen den barmhartigen God, en hun moed werd zó gesterkt, dat zij in staat waren geweest, om niet alleen mensen, maar zelfs de wildste dieren en ijzeren muren omver te lopen.
10Προσῆγον ἐν διασκευῇ τὸν ἀπʼ οὐρανοῦ σύμμαχον ἔχοντες, ἐλεήσαντος αὐτοὺς τοῦ Κυρίου.
10Slagvaardig trokken zij voort, vergezeld van hun hemelsen medestrijder, dien Gods barmhartigheid hun had geschonken.
11Λεοντηδὸν δὲ ἐντινάξαντες εἰς τοὺς πολεμίους, κατέστρωσαν αὐτῶν χιλίους πρὸς τοῖς μυρίοις, ἱππεῖς δὲ ἑξακοσίους πρὸς τοῖς χιλίοις· τοὺς δὲ πάντας ἠνάγκασαν φυγεῖν.
11Als leeuwen vielen zij op den vijand aan, doodden elfduizend soldaten en zestienhonderd ruiters, en sloegen de overigen op de vlucht.
12Οἱ πλείονες δὲ αὐτῶν τραυματίαι γυμνοὶ διεσώθησαν· καὶ αὐτὸς δὲ ὁ Λυσίας αἰσχρῶς φεύγων διεσώθη.
12De meesten van deze laatsten waren bovendien nog gewond, en konden slechts het naakte leven redden. Lúsias zelf wist door een schandelijke vlucht te ontkomen.
13Οὐκ ἄνους δὲ ὑπάρχων, πρὸς ἑαυτὸν ἀντιβάλλων τὸ γεγονὸς περὶ ἐαυτὸν ἐλάσσωμα, καὶ συννοήσας ἀνικήτους εἶναι τοὺς Ἑβραίους, τοῦ πάντα δυναμένου Θεοῦ συμμαχοῦντος αὐτοῖς,
13Hij dacht over zijn nederlaag na, en had verstand genoeg, om te begrijpen, dat de Hebreën onoverwinnelijk waren, omdat ze werden geholpen door den almachtigen God.
14προσαποστείλας ἔπεισε συλλύσεσθαι ἐπὶ πᾶσι τοῖς δικαίοις· καὶ διότι καὶ τὸν βασιλέα πείσειν φίλον αὐτοῖς ἀναγκάζειν γενέσθαι.
14Daarom zond hij hun een gezantschap met de verzekering, dat hij op alleszins billijke voorwaarden vrede wilde sluiten, en dus ook den koning zou overhalen, om hun vriend te worden.
15Ἐπένευσε δὲ ὁ Μακκαβαῖος ἐπὶ πᾶσιν οἷς ὁ Λυσίας παρεκάλει τοῦ συμφέροντος φροντίζων· ὅσα γὰρ ὁ Μακκαβαῖος ἐπέδωκε τῷ Λυσίᾳ διὰ γραπτῶν περὶ τῶν Ἰουδαίων, συνεχώρησεν ὁ βασιλεύς.
15Met het oog op het algemeen welzijn ging de Makkabeër op alle voorstellen van Lúsias in; de koning van zijn kant willigde alle joodse eisen in, die de Makkabeër schriftelijk aan Lúsias had medegedeeld.
16Ἦσαν γὰρ αἱ γεγραμμέναι τοῖς Ἰουδαίοις ἐπιοτολαὶ παρὰ μὲν Λυσίου περιέχουσαι τὸν τρόπον τοῦτον· Λυσίας τῷ πλήθει τῶν Ἰουδαίων χαίρειν.
16De brief van Lúsias aan de Joden luidde als volgt: Lúsias aan het volk der Joden: heil!
17Ἰωάννης καὶ Ἀβεσσαλὼμ οἱ πεμφθέντες παρʼ ὑμῶν, ἐπιδόντες τὸν ὑπογεγραμμένον χρηματισμὸν, ἠξίουν περὶ τῶν διʼ αὐτοῦ σημαινομένων.
17Uw afgevaardigden, Johannes en Absalom, hebben het verzoek, door u ondertekend, overgebracht en om een antwoord op de inhoud gevraagd.
18Ὅσα μὲν οὖν ἔδει καὶ τῷ βασιλεῖ προσενεχθῆναι διεσάφησα, ἃ δὲ ἦν ἐνδεχόμενα, συνεχώρησεν.
18De punten, die eerst nog aan den koning moeten worden voorgelegd, heb ik aangewezen; maar wat onder mijn bevoegdheid valt, heb ik ingewilligd.
19Ἐὰν μὲν οὖν συντηρήσητε τὴν εἰς τὰ πράγματα εὔνοιαν, καὶ εἰς τὸ λοιπὸν πειράσομαι παραίτιος ὑμῖν ἀγαθῶν γενέσθαι.
19Indien gij nu in uw goede gezindheid tegenover de regering volhardt, zal ook ik nog verder mijn best doen, om uw welzijn te bevorderen.
20Ὑπὲρ δὲ τῶν κατὰ μέρος ἐντέταλμαι τούτοις τε καὶ τοῖς παρʼ ἐμοῦ διαλεχθῆναι ὑμῖν.
20Ik heb opdracht gegeven, zowel aan mijn als uw afgevaardigden, om de afzonderlijke punten met u te bespreken.
21Ἔῤῥωσθε· ἔτους ἑκατοστοῦ τεσσαρακοστοῦ ὀγδόου, Διοσκορινθίου εἰκοστῇ τετάρτῃ.
21Moge het u goed gaan! In het jaar 148, de vier en twintigste Dústros
22Ἡ δὲ τοῦ βασιλέως ἐπιστολὴ περιεῖχεν οὕτως· βασιλεὺς Ἀντίοχος τῷ ἀδελφῷ Λυσίᾳ χαίρειν.
22De brief van den koning luidde aldus: Koning Antiochus aan zijn broeder Lúsias: heil!
23Τοῦ πατρὸς ἡμῶν εἰς θεοὺς μεταστάντος, βουλόμενοι τοὺς ἐκ τῆς βασιλείας ἀταράχους ὄντας γενέσθαι πρὸς τὴν τῶν ἰδίων ἐπιμέλειαν,
23Nu onze vader6 onder de goden is opgenomen, is het onze wens, dat alle onderdanen van het rijk zich ongestoord aan hun zaken kunnen wijden.
24ἀκηκοότες τοὺς Ἰουδαίους μὴ συνευδοκοῦντας τῇ τοῦ πατρὸς ἐπὶ τὰ Ἑλληνικὰ μεταθέσει, ἀλλὰ τὴν ἑαυτῶν ἀγωγὴν αἱρετίζοντας, καὶ διὰ τοῦτο ἀξιοῦντας συγχωρηθῆναι αὐτοῖς τὰ νόμιμα αὐτῶν·
24Nu hebben wij bemerkt, dat de Joden de overgang tot het heidendom afkeuren, zoals dat door mijn vader was voorgeschreven, liever hun eigen levenswijze willen bewaren, en daarom verzocht hebben, hun eigen wetten te mogen behouden.
25Αἱρούμενοι οὖν καὶ τοῦτο τὸ ἔθνος ἐκτὸς ταραχῆς εἶναι, κρίνομεν τό, τε ἱερὸν αὐτοῖς ἀποκατασταθῆναι, καὶ πολιτεύεσθαι κατὰ τὰ ἐπὶ τῶν προγόνων αὐτῶν ἔθη.
25Wij wensen derhalve, dat ook dit volk met rust wordt gelaten, en wij bepalen, dat de tempel hun moet worden teruggegeven, en dat het hun vrij moet staan, hun leven volgens de gewoonten hunner vaderen in te richten.
26Εὖ οὖν ποιήσεις διαπεμψάμενος πρὸς αὐτοὺς καὶ δοὺς δεξιὰς, ὅπως εἰδότες τὴν ἡμετέραν προαίρεσιν, εὔθυμοί τε ὦσι, καὶ ἡδέως διαγίνωνται πρὸς τὴν τῶν ἰδίων ἀντίληψιν.
26Gij zult dus goed doen, gezanten naar hen toe te zenden en u met hen te verstaan, opdat zij bij het bekendmaken van ons besluit goede moed krijgen en blij gestemd hun zaken behartigen.
27Πρὸς δὲ τὸ ἔθνος ἡ τοῦ βασιλέως ἐπιστολὴ τοιαύτη ἦν· βασιλεὺς Ἀντίοχος τῇ γερουσίᾳ τῶν Ἰουδαίων καὶ τοῖς ἄλλοις Ἰουδαίοις χαίρειν.
27De brief van den koning aan het volk luidde aldus: Koning Antiochus aan de Hoge Raad der Joden en aan de overige Joden: heil!
28Εἰ ἔῤῥωσθε, εἴη ἂν ὡς βουλόμεθα· καὶ αὐτοὶ δὲ ὑγιαίνομεν.
28Wij wensen, dat het u goed gaat. Wij persoonlijk maken het uitstekend.
29Ἐνεφάνισεν ἡμῖν ὁ Μενέλαος βούλεσθαι κατελθόντας ὑμᾶς γίνεσθαι πρὸς τοῖς ἰδίοις.
29Meneláus heeft ons medegedeeld, dat gij naar huis terug wilt keren, om uw zaken te behartigen.
30Τοῖς οὖν καταπορευομένοις μέχρι τριακάδος Ξανθικοῦ ὑπάρξει δεξιὰ μετὰ τῆς ἀδείας,
30Welnu, al wie voor de dertigste Xántikus teruggaat, zal worden beschermd. Ook geven wij de verzekering,
31χρῆσθαι τοὺς Ἰουδαίους τοῖς ἑαυτῶν δαπανήμασι καὶ νόμοις καθὰ καὶ τὸ πρότερον, καὶ οὐδεὶς αὐτῶν κατʼ οὐδένα τρόπον παρενοχληθήσεται περὶ τῶν ἠγνοημένων.
31dat de Joden evenals vroeger hun eigen spijswetten en voorschriften mogen volgen, en dat niemand van hen op enige wijze mag worden lastig gevallen over vroegere overtredingen.
32Πέπομφα δὲ καὶ τὸν Μενέλαον παρακαλέσοντα ὑμᾶς.
32Tegelijkertijd zend ik Meneláus naar u toe, die u verder zal geruststellen.
33Ἔῤῥωσθε· ἔτους ἑκατοστοῦ τεσσαρακοστοῦ ὀγδόου, Ξανθικοῦ πέμπτῃ καὶ δεκάτῃ.
33Moge het u goed gaan! De vijftiende Xántikus van het jaar 148.
34Ἔπεμψαν δὲ καὶ οἱ Ῥωμαιοῖ πρὸς αὐτοὺς ἐπιστολὴν ἔχουσαν οὕτως· Κόϊντος Μέμμιος, Τίτος Μάνλιος, πρεσβύται Ῥωμαίων, τῷ δήμῳ τῶν Ἰουδαίων χαίρειν.
34Ook de Romeinen zonden hun een brief van de volgende inhoud: De romeinse gezanten, Quintus Mémmius en Titus Mánlius, aan het volk der Joden: heil!
35Ὑπὲρ ὧν Λυσίας ὁ συγγενὴς τοῦ βασιλέως συνεχώρησεν ὑμῖν, καὶ ἡμεῖς συνευδοκοῦμεν.
35Wat Lúsias, de bloedverwant van den koning, u heeft toegestaan, keuren ook wij goed.
36Ἃ δὲ ἔκρινε προσανενεχθῆναι τῷ βασιλεῖ, πέμψατέ τινα παραχρῆμα ἐπισκεψάμενοι περὶ τούτων, ἵνα ἐκθῶμεν ὡς καθήκει ὑμῖν· ἡμεῖς γὰρ προσάγομεν πρὸς Ἀντιόχειαν.
36Wat de punten betreft, die naar zijn mening aan den koning moeten worden voorgelegd, moet gij ons onmiddellijk iemand sturen, die van de zaak op de hoogte is; dan kunnen wij naar bevinden van zaken een beslissing nemen, daar wij toch op weg naar Antiochië zijn.
37Διὸ σπεύσατε, καὶ πέμψατέ τινας, ὅπως καὶ ἡμεῖς ἐπιγνῶμεν ὁποίας ἐστὲ γνώμης.
37Zendt ons haastig enkele mannen, opdat ook wij uw mening kennen.
38Ὑγιαίνετε· ἔτους ἑκατοστοῦ τεσσαρακοστοῦ ὀγδόου, Ξανθικοῦ πέμπτῃ καὶ δεκάτῃ.
38Moge het u goed gaan! De vijftiende Xántikus van het jaar 148.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.