ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Βʹ 5
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Περὶ δὲ τὸν καιρὸν τοῦτον τὴν δευτέραν ἔφοδον ὁ Ἀντίοχος εἰς Αἴγυπτον ἐστείλατο.
1Omstreeks dezelfde tijd ondernam Antiochus zijn tweede veldtocht tegen Egypte.
2Συνέβη δὲ καθʼ ὅλην τὴν πόλιν σχεδὸν ἐφʼ ἡμέρας τεσσαράκοντα φαίνεσθαι διὰ τοῦ ἀέρος τρέχοντας ἱππεῖς διαχρύσους στολὰς ἔχοντας, καὶ λόγχας σπειρηδὸν ἐξωπλισμένους,
2Men zag toen in de gehele stad ongeveer veertig dagen lang een verschijning van ruiters, die in gouden klederen en met lansen gewapend door de lucht trokken.
3καὶ ἴλας ἵππων διατεταγμένας, καὶ προσβολὰς γινομένας, καὶ καταδρομὰς ἑκατέρων, καὶ ἀσπίδων κινήσεις, καὶ καμάκων πλήθη, καὶ μαχαιρῶν σπασμούς, καὶ βελῶν βολὰς, καὶ χρυσῶν κόσμων ἐκλάμψεις, καὶ παντοίους θωρακισμούς.
3Men zag het trekken van zwaarden, het in slagorde stellen van ruiterkorpsen, aanvallen en tegenaanvallen aan beide kanten, het bewegen van schilden en speren bij massa' s, het schieten van pijlen, het fonkelen van gouden sieraden en een bonte mengeling van harnassen.
4Διὸ πάντες ἠξίουν ἐπʼ ἀγαθῷ τὴν ἐπιφάνειαν γενέσθαι.
4Allen baden dan ook, dat de verschijning iets goeds mocht voorspellen.
5Γενομένης δὲ λαλιᾶς ψευδοῦς, ὡς μετηλλαχότος τὸν βίον Ἀντιόχου, παραλαβὼν ὁ Ἰάσων οὐκ ἐλάττους τῶν χιλίων, αἰφνιδίως ἐπὶ τὴν πόλιν συνετελέσατο ἐπίθεσιν· τῶν δὲ ἐπὶ τῷ τείχει συνελασθέντων, καὶ τέλος ἤδη καταλαμβανομένης τῆς πόλεως, ὁ Μενέλαος εἰς τὴν ἀκρόπολιν ἐφυγάδευσεν.
5Intussen verspreidde zich het valse gerucht, dat Antiochus was gestorven. Daarom bracht Jáson minstens duizend man op de been, en viel de stad onverhoeds aan. De soldaten op de muur werden in het nauw gedreven en ten slotte viel de stad, zodat Meneláus in de burcht vluchtte.
6Ὁ δὲ Ἰάσων ἐποιεῖτο σφαγὰς τῶν πολιτῶν τῶν ἰδίων ἀφειδῶς, οὐ συννοῶν τὴν εἰς τοὺς συγγενεῖς εὐημερίαν, δυσημερίαν εἶναι τὴν μεγίστην· δοκῶν δὲ πολεμίων καὶ οὐχ ὁμοεθνῶν τρόπαια καταβάλλεσθαι,
6Daarop richtte Jáson een meedogenloze slachting aan onder zijn eigen medeburgers. Hij dacht er niet aan, dat krijgsgeluk over volksgenoten het grootste ongeluk is, maar het leek wel, of hij oorlogsbuit bij vijanden en niet bij volksgenoten behaalde.
7τῆς μὲν ἀρχῆς οὐκ ἐκράτησε, τὸ δὲ τέλος τῆς ἐπιβουλῆς αἰσχύνην λαβών, φυγὰς πάλιν εἰς τὴν Ἀμμανίτιν ἀπῆλθε.
7Toch kreeg hij de macht niet in handen; want zijn plan mislukte schandelijk, en hij moest opnieuw naar het land der Ammonieten vluchten.
8Πέρας οὖν κακῆς ἀναστροφῆς ἔτυχεν ἐγκλεισθεὶς πρὸς Ἀρέταν τὸν τῶν Ἀράβων τύραννον, πόλιν ἐκ πόλεως φεύγων, διωκόμενος ὑπὸ πάντων, καὶ στυγούμενος ὡς τῶν νόμων ἀποστάτης, καὶ βδελυσσόμενος ὡς πατρίδος καὶ πολιτῶν δήμιος, εἰς Αἴγυπτον συνεβράσθη.
8Het einde van zijn misdadig leven was als volgt. Toen hij door den arabischen vorst Arétas werd gevangen gehouden, wist hij te ontsnappen, en trok van de ene stad naar de andere; maar hij werd door allen vervolgd en gehaat als een afvallige van de wet, en, veracht als de beul van zijn vaderland en volksgenoten, naar Egypte verjaagd. Ten slotte vluchtte hij naar de Spartanen, waar hij op grond van verwantschap bescherming hoopte te vinden.
9Καὶ ὁ συχνοὺς τῆς πατρίδος ἀποξενώσας, ἐπὶ ξένης ἀπώλετο πρὸς Λακεδαιμονίους ἀναχθείς, ὡς διὰ τὴν συγγένειαν τευξόμενος σκέπης.
9Zo stierf hij, die zovelen uit hun vaderland had verbannen, zelf in den vreemde;
10Καὶ ὁ πλῆθος ἀτάφων ἐκρίψας ἀπένθητος ἐγενήθη, καὶ κηδείας οὐδʼ ἡστινοσοῦν οὔτε πατρῴου τάφου μετέσχε.
10en niemand treurde om hem, die zovelen zonder begrafenis ergens had laten neergooien. Hij kreeg in het geheel geen begrafenis en geen graf bij zijn vaderen.
11Προσπεσόντων δὲ τῷ βασιλεῖ περὶ τῶν γεγονότων, διέλαβεν ἀποστατεῖν τὴν Ἰουδαίαν· ὅθεν ἀναζεύξας ἐξ Αἰγύπτου τεθηριωμένος τῇ ψυχῇ, ἔλαβε τὴν μὲν πόλιν δορυάλωτον.
11Toen de berichten hiervan den koning bereikten, meende hij, dat Judea in opstand was gekomen. Woedend als een wild dier trok hij dus uit Egypte weg en nam de stad gewapenderhand in.
12Καὶ ἐκέλευσε τοῖς στρατιώταις κόπτειν ἀφειδῶς τοὺς ἐμπίπτοντας, καὶ τοὺς εἰς τὰς οἰκίας ἀναβαίνοντας κατασφάζειν.
12Aan de soldaten gaf hij bevel, allen, die hun in handen vielen, meedogenloos neer te slaan, en iedereen die in huis was gevlucht, om het leven te brengen.
13Ἐγίνοντο δὲ νέων καὶ πρεσβυτέρων ἀναιρέσιες, ἀνδρῶν τε καὶ γυναικῶν καὶ τέκνων ἀφανισμὸς, παρθένων τε καὶ νηπίων σφαγαί.
13Het werd een afmaken van jong en oud, een vermoorden van mannen, vrouwen en kinderen, een afslachten van meisjes en zuigelingen.
14Ὀκτὼ δὲ μυριάδες ἐν ταῖς πάσαις ἡμέραις τρισὶ κατεφθάρησαν, τέσσαρες μὲν ἐν χειρῶν νομαῖς, οὐκ ἧττον δὲ τῶν ἐσφαγμένων ἐπράθησαν.
14In de korte tijd van drie dagen gingen er tachtigduizend mensen verloren; veertigduizend vielen door het moordende staal, en een even groot aantal werd als slaven verkocht.
15Καὶ οὐκ ἀρκεσθεὶς δὲ τούτοις, κατετόλμησεν εἰς τὸ πάσης τῆς γῆς ἁγιώτατον ἱερὸν εἰσελθεῖν, ὁδηγὸν ἔχων τὸν Μενέλαον, τὸν καὶ τῶν νόμων καὶ τῆς πατρίδος προδότην γεγονότα.
15Hiermede nog niet tevreden, waagde hij het, de heiligste tempel van de gehele wereld binnen te gaan, en Meneláus, die de wet en zijn vaderland had verraden, was hierbij zijn gids.
16Καὶ ταῖς μιαραῖς χερσὶ τὰ ἱερὰ σκεύη λαμβάνων, καὶ τὰ ὑπʼ ἄλλων βασιλέων ἀνατεθέντα πρὸς αὔξησιν καὶ δόξαν τοῦ τόπου καὶ τιμήν, ταῖς βεβήλοις χερσὶ συσσύρων ἐπεδίδου.
16Hij nam de heilige vaten weg met zijn bezoedelde handen, en wat andere koningen tot verheerlijking, roem en eer aan deze plaats hadden geschonken, sleepte hij mee met zijn onreine handen.
17Καὶ ἐμετεωρίζετο τὴν διάνοιαν ὁ Ἀντίοχος, οὐ συνορῶν ὅτι διὰ τὰς ἁμαρτίας τῶν τὴν πόλιν οἰκούντων ἀπώργισται βραχέως ὁ Δεσπότης, διὸ γέγονε περὶ τὸν τόπον παρόρασις.
17In zijn grenzenloze hoogmoed dacht Antiochus er niet aan, dat de Heer om de zonden van de bewoners der stad slechts voor korte tijd was vertoornd, en dat Hij daarom de heilige plaats aan haar lot had overgelaten.
18Εἰ δὲ μὴ συνέβαινε προενέχεσθαι πολλοῖς ἁμαρτήμασι, καθάπερ ὁ Ἡλιόδωρος ὁ πεμφθεὶς ὑπὸ Σελεύκου τοῦ βασιλέως ἐπὶ τὴν ἐπίσκεψιν τοῦ γαζοφυλακίου, οὗτος προαχθεὶς παραχρῆμα μαστιγωθεὶς ἀνετράπη τοῦ θράσους.
18Want als de last van vele zonden haar niet had bezwaard, zou hij, toen hij zich naar binnen waagde, onmiddellijk zijn gegeseld en van zijn vermetelheid zijn genezen, zoals het ook Heliodórus was vergaan, dien koning Seleúkus had afgezonden, om een onderzoek naar de tempelschat in te stellen.
19Ἀλλʼ οὐ διὰ τὸν τόπον τὸ ἔθνος, ἀλλὰ διὰ τὸ ἔθνος τὸν τόπον ὁ Κύριος ἐξελέξατο.
19Maar de Heer had het volk niet uitgekozen om de heilige plaats, maar de plaats om het volk.
20Διόπερ καὶ αὐτὸς ὁ τόπος συμμετασχὼν τῶν τοῦ ἔθνους δυσπετημάτων γενομένων, ὕστερον εὐεργετημάτων ὑπὸ τοῦ Κυρίου ἐκοινώνησε· καὶ ὁ καταλειφθεὶς ἐν τῇ τοῦ παντοκράτορος ὀργῇ, πάλιν ἐν τῇ τοῦ μεγάλου Δεσπότου καταλλαγῇ μετὰ πάσης δόξης ἐπανωρθώθη.
20Daarom moest de heilige plaats in de rampen delen van het volk, zoals ze later ook delen zou in zijn zegeningen. Nu werd ze door de toorn van den Almachtige aan haar lot overgelaten; maar was de grote Heerser eenmaal verzoend, dan zou ze in alle heerlijkheid weer worden hersteld.
21Ὁ γοῦν Ἀντίοχος ὀκτακόσια πρὸς τοῖς χιλίοις ἀπενεγκάμενος ἐκ τοῦ ἱεροῦ τάλαντα, θᾶττον εἰς Ἀντιόχειαν ἐχωρίσθη, οἰόμενος ἀπὸ τῆς ὑπερηφανίας τὴν μὲν γῆν πλωτὴν, καὶ τὸ πέλαγος πορευτὸν θέσθαι διὰ τὸν μετεωρισμὸν τῆς καρδίας.
21Nadat Antiochus zo achttienhonderd talenten uit de tempel had weggeroofd, trok hij in allerijl naar Antiochië. In zijn hoogmoed en grenzenloze ijdelheid waande hij, dat hij het land bevaarbaar en de zee begaanbaar kon maken!
22Κατέλιπε δὲ καὶ ἐπιστάτας τοῦ κακοῦν τὸ γένος, ἐν μὲν Ἱεροσολύμοις Φίλιππον, τὸ μὲν γένος Φρύγα, τὸν δὲ τρόπον βαρβαρώτερον ἔχοντα τοῦ καταστήσαντος·
22Maar hij liet ambtenaren achter, om het volk te kwellen. In Jerusalem was het Filippus, die van afkomst een Frugiër was, doch in zijn optreden een nog groter barbaar dan de man, die hem had aangesteld;
23ἐν δὲ Γαριζὶν Ἀνδρόνικον, πρὸς δὲ τούτοις Μενέλαον, ὃς χείριστα τῶν ἄλλων ὑπερῄρετο τοῖς πολίταις, ἀπεχθῆ δὲ πρὸς τοὺς πολίτας Ἰουδαίους ἔχων διάθεσιν.
23op de Gerizzim was het Andrónikus; en als de ergste van allen Meneláus, die zijn medeburgers uit de hoogte behandelde, en de joodse burgers vijandig gezind was.
24Ἔπεμψε δὲ τὸν μυσάρχην Ἀπολλώνιον μετὰ στρατεύματος δισμυρίων πρὸς τοῖς δισχιλίοις, προστάξας τοὺς ἐν ἡλικίᾳ πάντας κατασφάξαι, τὰς δὲ γυναῖκας καὶ νεωτέρους πωλεῖν.
24Bovendien zond hij den aartsbooswicht Apollónius met een leger van twee en twintigduizend man er op af, en beval hem, alle volwassenen ter dood te brengen, maar vrouwen en kinderen als slaven te verkopen.
25Οὗτος δὲ παραγενόμενος εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ τὸν εἰρηνικὸν ὑποκριθείς, ἐπέσχεν ἕως τῆς ἁγίας ἡμέρας τοῦ σαββάτου· καὶ λαβὼν ἀργοῦντας τοὺς Ἰουδαίους, τοῖς ὑφʼ ἑαυτὸν ἐξοπλησίαν παρήγγειλε.
25Deze begaf zich dus naar Jerusalem, maar speelde den vredelievenden man, en hield zich rustig tot aan de heilige sabbat.
26Καὶ τοὺς ἐξελθόντας πάντας ἐπὶ τὴν θεωρίαν συνεξεκέντησε, καὶ εἰς τὴν πόλιν σὺν τοῖς ὅπλοις εἰσδραμὼν ἱκανὰ κατέστρωσε πλήθη.
26Toen hij zag, dat de Joden rustdag hielden, liet hij zijn manschappen onder de wapenen komen, en allen vermoorden, die kwamen uitgelopen, om dat schouwspel te zien. Daarna drong hij met de wapens in de hand de stad binnen, en doodde een grote menigte mensen.
27Ἰούδας δὲ ὁ Μακκαβαῖος δέκατός που γενηθεὶς, καὶ ἀναχωρήσας εἰς τὴν ἔρημον, θηρίων τρόπον ἐν τοῖς ὄρεσι διέζη σὺν τοῖς μετʼ αὐτοῦ, καὶ τὴν χορτώδη τροφὴν σιτούμενοι διατέλουν, πρὸς τὸ μὴ μετασχεῖν τοῦ μολυσμοῦ
27Toen trok Judas de Makkabeër met nog negen anderen naar de woestijn. Evenals het wild leefde hij met zijn mannen in de bergen, en om niet onrein te worden als de anderen, voedden zij zich al die tijd met kruiden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.