ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Βʹ
Chapter 4

ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Βʹ

Septuagint (Brenton Gree…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΜΑΚΚΑΒΑΙΩΝ Βʹ 4

Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ὁ δὲ προειρημένος Σίμων ὁ τῶν χρημάτων καὶ τῆς πατρίδος ἐνδείκτης γεγονὼς, ἐκακολόγει τὸν Ὀνίαν, ὡς αὐτός τε εἴη τὸν Ἡλιόδωρον ἐπισεσεικὼς, καὶ τῶν κακῶν δημιουργὸς καθεστηκώς.
1Maar nu begon bovengenoemde Sjimon, die tegelijk met de schatten zijn vaderland had verraden, tegen Onias te lasteren, dat hij Heliodórus zou hebben mishandeld, en het onheil zou hebben verwekt.
2Καὶ τὸν εὐεργέτην τῆς πόλεως, καὶ τὸν κηδεμόνα τῶν ὁμοεθνῶν, καὶ ζηλωτὴν τῶν νόμων, ἐπίβουλον τῶν πραγμάτων ἐτόλμα λέγειν.
2Ja, van hoogverraad durfde hij hèm beschuldigen, die toch de weldoener was van de stad, de beschermer van zijn volksgenoten en de ijveraar voor de wet.
3Τῆς δὲ ἔχθρας ἐπὶ τοσοῦτον προβαινούσης, ὥστε καὶ διά τινος τῶν ὑπὸ τοῦ Σίμωνος δεδοκιμασμένων φόνους συντελεῖσθαι,
3De vijandschap liep zo hoog, dat een van Sjimons aanhangers doodslag beging.
4συνορῶν ὁ Ὀνίας τὸ χαλεπὸν τῆς φιλονεικίας, καὶ Ἀπολλώνιον μαίνεσθαι, ὡς τὸν κοίλης Συρίας καὶ Φοινίκης στρατηγὸν, συναύξοντα τὴν κακίαν τοῦ Σίμωνος,
4Onias zag heel goed, hoe gevaarlijk deze gespannen toestand kon worden, omdat Apollónius, de zoon van Menésteus en stadhouder van Celesyrië en Fenicië, het vijandig optreden van Sjimon nog steunde.
5ὡς τὸν βασιλέα διεκομίσθη, οὐ γινόμενος τῶν πολιτῶν κατήγορος, τὸ δὲ συμφέρον κοινῇ κατʼ ἰδίαν παντὶ τῷ πλήθει σκοπῶν.
5Daarom begaf hij zich naar den koning, niet om een van zijn medeburgers aan te klagen, maar uit louter bezorgdheid voor het welzijn van het gehele volk.
6Ἑώρα γὰρ ἄνευ βασιλικῆς προνοίας ἀδύνατον εἶναι τυχεῖν εἰρήνης ἔτι τὰ πράγματα, καὶ τὸν Σίμωνα παῦλαν οὐ ληψόμενον τῆς ἀνοίας.
6Want hij begreep, dat een vredelievende oplossing onmogelijk zou zijn, en dat Sjimon zijn waanzinnig optreden niet staken zou, zolang de koning niet ingreep.
7Μεταλλάξαντος δὲ τὸν βίον Σελεύκου, καὶ παραλαβόντος τὴν βασιλείαν Ἀντιόχου τοῦ προσαγορευθέντος Ἐπιφανοῦς, ὑπενόθευσεν Ἰάσων ὁ ἀδελφὸς Ὀνίου τὴν ἀρχιερωσύνην,
7Toen Antiochus Epifanes na de dood van Seleúkus de regering had overgenomen, wist Jáson, de broer van Onias, op slinkse wijze beslag te leggen op de hogepriesterlijke waardigheid.
8ἐπαγγειλάμενος τῷ βασιλεῖ διʼ ἐντεύξεως ἀργυοίου τάλαντα ἑξήκοντα πρὸς τοῖς τριακοσίοις, καὶ προσόδου τινὸς ἄλλης τάλαντα ὀγδοήκοντα,
8Bij een ontmoeting met den koning beloofde hij hem driehonderd zestig talenten zilver uit de tempelschat, en verder nog tachtig talenten uit andere bronnen van inkomsten.
9πρὸς δὲ τούτοις ὑπισχνεῖτο καὶ ἕτερα διαγράψαι πεντήκοντα πρὸς τοῖς ἑκατόν, ἐὰν συγχωρηθῇ διὰ τῆς ἐξουσίας αὐτοῦ, γυμνάσιον καὶ ἐφηβίαν αὐτῷ συστήσασθαι, καὶ τοὺς ἐν Ἰεροσολύμοις Ἀντιοχεῖς ἀναγράψαι.
9Bovendien zegde hij hem toe, nog honderd vijftig talenten uit te betalen, als hij van hem verlof kreeg, een athletenschool en een worstelperk voor de jeugd te mogen oprichten, en de inwoners van Jerusalem als burgers van Antiochië te laten inschrijven.
10Ἐπινεύσαντος δὲ τοῦ βασιλέως, καὶ τῆς ἀρχῆς κρατήσας, εὐθέως ἐπὶ τὸν Ἑλληνικὸν χαρακτῆρα τοὺς ὁμοφύλους μετῆγε.
10Toen de koning zijn toestemming had gegeven, en Jáson de hogepriesterlijke macht in handen had gekregen, begon hij dadelijk zijn volksgenoten naar grieks model te hervormen.
11Καὶ τὰ κείμενα τοῖς Ἰουδαίοις φιλάνθρωπα βασιλικὰ διὰ Ἰωάννου τοῦ πατρὸς Εὐπολέμου, τοῦ ποιησαμένου τὴν πρεσβείαν ὑπὲρ φιλίας καὶ συμμαχίας πρὸς τοὺς Ῥωμαίους, παρώσατο· καὶ τὰς μὲν νομίμους καταλύων πολιτείας, παρανόμους ἐθισμοὺς ἐκαίνιζεν.
11Hij schafte de voor de Joden gunstige bepalingen af, welke bij de koningen waren bedongen door Johannes, den vader van Eupólemus, die deel had uitgemaakt van het gezantschap naar de Romeinen, om vriend- en bondgenootschap te sluiten. Ook hief hij de gewoonten op, welke in overeenstemming waren met de Wet, en voerde nieuwe gebruiken in, welke tegen de Wet indruisten.
12Ἀσμένως γὰρ ὑπʼ αὐτὴν τὴν ἀκρόπολιν γυμνάσιον καθίδρυσε, καὶ τοὺς κρατίστους τῶν ἐφήβων ὑποτάσσων, ὑπὸ πέτασον ἦγεν.
12Met opzet bouwde hij aan de voet van de burcht een athletenschool, en bracht jongens van onze voornaamste burgers er toe, de griekse hoed te dragen.
13Ἦν δʼ οὕτως ἀκμή τις Ἑλληνισμοῦ, καὶ πρόσβασις ἀλλοφυλισμοῦ διὰ τὴν τοῦ ἀσεβοῦς καὶ οὐκ ἀρχιερέως Ἰάσωνος ὑπερβάλλουσαν ἀναγνείαν,
13Geholpen door de verregaande schaamteloosheid van den goddelozen en onpriesterlijken Jáson, dreef men nu de hellenisering zo ver door en voerde men de verspreiding van vreemde elementen zo hoog op,
14ὥστε μηκέτι περὶ τὰς τοῦ θυσιαστηρίου λειτουργίας προθύμους εἶναι τοὺς ἱερεῖς, ἀλλὰ τοῦ μὲν ναοῦ καταφρονοῦντες, καὶ τῶν θυσιῶν ἀμελοῦντες ἔσπευδον μετέχειν τῆς ἐν παλαίστρᾳ παρανόμου χορηγίας, μετὰ τὴν τοῦ δίσκου πρόκλησιν.
14dat de priesters niets meer voelden voor de altaardienst, minachting hadden voor de tempel en de offers verwaarloosden, maar liever naar het worstelperk liepen, om de zondige kampspelen bij te wonen, welke na de oproep tot het discuswerpen begonnen.
15Καὶ τὰς μὲν πατρῴους τιμὰς ἐν οὐδενὶ τιθέμενοι, τὰς δὲ Ἑλληνικὰς δόξας καλλίστας ἡγούμενοι.
15Terwijl zij dus niets meer gaven om wat bij hun vaderen in ere stond, waren zij fel op griekse onderscheidingen.
16Ὧν χάριν περιέσχεν αὐτοὺς χαλεπὴ περίστασις, καὶ ὧν ἐζήλουν τὰς ἀγωγὰς, καὶ καθάπαν ἤθελον ἐξομοιοῦσθαι, τούτους πολεμίους καὶ τιμωρητὰς ἔσχον.
16Maar daardoor raakten zij dan ook in een pijnlijke toestand. Want juist diegenen, wier levenswijze zij overnamen en die zij in alles beproefden na te volgen, werden hun vijanden en verdrukkers.
17Ἀσεβεῖν γὰρ εἰς τοὺς θείους νόμους οὐ ῥᾴδιον, ἀλλὰ ταῦτα ὁ ἀκόλουθος καιρὸς δηλώσει.
17Het is dan ook geen kleinigheid, tegen Gods wetten te zondigen, al wreekt dit zich ook eerst later.
18Ἀγομένου δὲ πενταετηρικοῦ ἀγῶνος ἐν Τύρῳ, καὶ τοῦ βασιλέως παρόντος,
18Toen in Tyrus de vijfjaarlijkse wedstrijden in tegenwoordigheid van den koning werden gehouden,
19ἀπέστειλεν Ἰάσων ὁ μιαρὸς θεωροὺς ἀπὸ Ἱεροσολύμων Ἀντιοχεῖς ὄντας, παρακομίζοντας ἀργυρίου δραχμὰς τριακοσίας εἰς τὴν τοῦ Ἡρακλέους θυσίαν· ἃς καὶ ἠξίωσαν οἱ παρακομίσαντες μὴ χρῆσθαι πρὸς θυσίαν διὰ τὸ μὴ καθήκειν, εἰς ἑτέραν δὲ καταθέσθαι δαπάνην.
19zond de ellendige Jáson als vertegenwoordigers van Jerusalem er enkele afgevaardigden heen, die het burgerrecht van Antiochië hadden verkregen. Dezen brachten driehonderd zilveren drachmen mee als een offergave voor Herkules. Maar toen zij het geld overdroegen, gaven zij als hun wens te kennen, dat men het niet aan offers zou besteden, daar dit niet paste, maar voor een ander doel zou uitgeven.
20Ἔπεμψεν οὖν ταῦτα, διὰ μὲν τὸν ἀποστείλαντα εἰς τὴν τοῦ Ἡρακλέους θυσίαν, ἕνεκεν δὲ τῶν παρακομιζόντων, εἰς τὰς τῶν τριήρων κατασκευάς.
20Ofschoon dus de afzender het inderdaad voor een Herkules-offer had bestemd, werd het enkel ten believen van de overbrengers voor de uitrusting van oorlogsschepen gebruikt.
21Ἀποσταλέντος δὲ εἰς Αἴγυπτον Ἀπολλωνίου τοῦ Μενεσθέως διὰ τὰ πρωτοκλίσια Πτολεμαίου τοῦ Φιλομήτορος βασιλέως, μεταλαβὼν Ἀντίοχος ἀλλότριον αὐτὸν τῶυ αὐτῶν γεγονέναι πραγμάτων, τῆς κατʼ αὑτὸν ἀσφαλείας ἐφρόντιζεν· ὅθεν εἰς Ἰόππην παραγενόμενος, κατήντησεν εἰς Ἰεροσόλυμα.
21Bij gelegenheid van de troonsbestijging van koning Filómetor, was Apollónius, de zoon van Menésteus, als afgevaardigde in Egypte geweest. Van hem hoorde Antiochus, dat Filómetor een vijand was van zijn politiek. Daarom ging hij, op eigen veiligheid bedacht, naar Jóppe en vandaar naar Jerusalem,
22Μεγαλοπρεπῶς δὲ ὑπὸ τοῦ Ἰάσωνος καὶ τῆς πόλεως παραδεχθεὶς, μετὰ δᾳδουχίας καὶ βοῶν εἰσπεπόρευται εἶθʼ οὕτως εἰς τὴν Φοινίκην κατεστρατοπέδευσε.
22waar hij door Jáson en de bevolking met pracht en praal werd ontvangen, en met fakkellicht en onder gejubel werd ingehaald. Daarna trok hij met zijn leger naar Fenicië.
23Μετὰ δὲ τριετῆ χρόνον ἀπέστειλεν Ἰάσων Μενέλαον τὸν τοῦ προσημαινομένου Σίμωνος ἀδελφόν, παρακομίζοντα τὰ χρήματα τῷ βασιλεῖ, καὶ περὶ πραγμάτων ἀναγκαίων ὑπομνηματισμοὺς τελέσοντα.
23Maar toen Jáson drie jaren later Meneláus, den broer van bovengenoemden Sjimon, naar den koning zond, om het geld af te dragen en de onderhandelingen over enkele dringende staatsaangelegenheden af te wikkelen,
24Ὁ δὲ συσταθεὶς τῷ βασιλεῖ, καὶ δοξάσας αὐτὸν τῷ προσώπῳ τῆς ἐξουσίας, εἰς ἑαυτὸν κατήντησε τὴν ἀρχιερωσύνην, ὑπερβαλὼν τὸν Ἰάσωνα τάλαντα ἀργυρίου τριακόσια.
24wist deze den koning voor zich te winnen, door zich voor te doen als een invloedrijk man, en op de hogepriesterlijke macht beslag te leggen, door driehonderd talenten meer te bieden dan Jáson.
25Λαβὼν δὲ τὰς βασιλικὰς ἐντολὰς παρεγένετο, τῆς μὲν ἀρχιερωσύνης οὐδὲν ἄξιον φέρων, θυμοὺς δὲ ὠμοῦ τυράννου, καὶ θηρὸς βαρβάρου ὀργὰς ἔχων.
25In het bezit van een koninklijke aanstelling kwam hij thuis. Toch was hij in geen enkel opzicht het hogepriesterschap waardig; integendeel: hij raasde als een wrede tyran, en ging te keer als een wild dier.
26Καὶ ὁ μὲν Ἰάσων ὁ τὸν ἴδιον ἀδελφὸν ὑπονοθεύσας, ὑπονοθευθεὶς ὑφʼ ἑτέρου φυγὰς εἰς τὴν Ἀμμανῖτιν χώραν συνήλαστο.
26Zo werd Jáson zelf, die zijn eigen broer de voet had gelicht, door een ander verdrongen, en genoodzaakt, de vlucht te nemen naar het land der Ammonieten.
27Ὁ δὲ Μενέλαος τῆς μὲν ἀρχῆς ἐκράτει, τῶν δὲ ἐπηγγελμένων τῷ βασιλεῖ χρημάτων οὐδὲν εὐτάκτει,
27Nu had Meneláus de macht wel in handen, maar voor het geld, dat hij den koning beloofd had, zorgde hij niet, ondanks de vorderingen van Sostrátes, den bevelhebber van de burcht, die de belastingen moest innen.
28ποιουμένου δὲ τὴν ἀπαίτησιν Σωστράτου τοῦ τῆς ἀκροπόλεως ἐπάρχου· πρὸς τοῦτον γὰρ ἦν ἡ τῶν φόρων πρᾶξις· διʼ ἣν αἰτίαν οἱ δύο ὑπὸ τοῦ βασιλέως προσεκλήθησαν.
28Daarom werden zij beiden door den koning ontboden.
29Καὶ ὁ μὲν Μενέλαος ἀπέλιπε τῆς ἀρχιερωσύνης διάδοχον Λυσίμαχον τὸν ἑαυτοῦ ἀδελφόν, Σώστρατος δὲ, Κράτητα τὸν ἐπὶ τῶν Κυπρίων.
29Meneláus liet zijn broer Lusimachus als plaatsvervangend hogepriester achter, en Sostrátes stelde Krátes, den bevelhebber der Cypriërs, als zijn plaatsvervanger aan.
30Τοιούτων δὲ συνεστηκότων, συνέβη Ταρσεῖς, καὶ Μαλλώτας στασιάζειν, διὰ τὸ Ἀντιοχίδι τῇ παλλακῇ τοῦ βασιλέως ἐν δωρεᾷ δεδόσθαι.
30Terwijl deze zaken aanhangig waren, kwamen de inwoners van Tarsus en Mállus in opstand, omdat men hun gebied aan Antiochis, de bijzit van den koning, ten geschenke had gegeven.
31Θᾶττον οὖν ὁ βασιλεὺς ἧκε καταστεῖλαι τὰ πράγματα, καταλιπὼν τὸν διαδεχόμενον Ἀνδρόνικον, τῶν ἐν ἀξιώματι κειμένων.
31In allerijl trok dus de koning er heen, om het oproer te onderdrukken, en liet Andrónikus, een van zijn hoge ambtenaren, als plaatsvervanger achter.
32Νομίσας δὲ ὁ Μενέλαος εἰληφέναι καιρὸν εὐφυῆ, χρυσώματά τινα τῶν τοῦ ἱεροῦ νοσφισάμενος ἐχαρίσατο τῷ Ἀνδρονίκῳ, καὶ ἕτερα ἐτύγχανε πεπρακὼς εἴς τε Τύρον καὶ τὰς κύκλῳ πόλεις.
32In de mening, deze gunstige gelegenheid te moeten benutten, roofde Meneláus enkele gouden voorwerpen uit de tempel en schonk die aan Andrónikus, terwijl hij andere in Tyrus en omliggende steden wist te verkopen.
33Ἃ καὶ σαφῶς ἐπεγνωκὼς ὁ Ὀνίας, παρήλεγχεν ἀποκεχωρηκὼς εἰς ἄσυλον τόπον, ἐπὶ Δάφνης τῆς πρὸς Ἀντιόχειαν κειμένης.
33Toen Onias hierover nauwkeurig was ingelicht, zond hij een heftig protest uit zijn vrijplaats te Dáfne, bij Antiochië, waar hij zich had teruggetrokken.
34Ὅθεν ὁ Μενέλαος λαβὼν ἰδίᾳ τὸν Ἀνδρόνικον, παρεκάλει χειρώσασθαι τὸν Ὀνίαν· ὁ δὲ παραγενόμενος ἐπὶ τὸν Ὀνίαν, καὶ πεισθεὶς ἐπὶ δόλῳ, καὶ δεξιὰς μεθʼ ὅρκων δοὺς, καίπερ ἐν ὑποψίᾳ κείμενος ἔπεισεν ἐκ τοῦ ἀσύλου προελθεῖν, ὃν καὶ παραχρῆμα παρέκλεισεν, οὐκ αἰδεσθεὶς τὸ δίκαιον.
34Het gevolg hiervan was, dat Meneláus er in het geheim bij Andrónikus op aandrong, Onias uit de weg te ruimen. Deze ging dus naar Onias toe, stelde hem door een meineed gerust, en stak hem de hand toe. Ofschoon zijn optreden argwaan wekte, wist hij Onias toch uit zijn vrijplaats te lokken, waarop hij hem onmiddellijk van kant maakte, zonder de minste eerbied voor recht.
35Διʼ ἣν αἰτίαν οὐ μόνον Ἰουδαῖοι, πολλοὶ δὲ καὶ τῶν ἄλλων ἐθνῶν ἐδείναζον, καὶ ἐδυσφόρουν ἐπὶ τῷ τοῦ ἀνδρὸς ἀδίκῳ φόνῳ.
35Hierover waren niet alleen de Joden, maar ook verschillende andere volksgroepen ontdaan; zij waren verontwaardigd over de wederrechtelijke moord op dien man.
36Τοῦ δὲ βασιλέως ἐπανελθόντος ἀπὸ τῶν κατὰ Κιλικίαν τόπων, ἐνετύγχανον οἱ κατὰ πόλιν Ἰουδαῖοι συμισοπονηρούντων καὶ τῶν Ἑλλήνων, ὑπὲρ τοῦ παρὰ λόγον τὸν Ὀνίαν ἀπεκτάνθαι.
36Toen de koning dan ook uit de streken van Cilicië was teruggekeerd, gingen de Joden uit de stad zich bij hem beklagen en de Grieken gaven eveneens hun afkeer te kennen over de onrechtvaardige moord op Onias.
37Ψυχικῶς οὖν ὁ Ἀντίοχος ἐπιλυπηθεὶς, καὶ τραπεὶς εἰς ἔλεον, καὶ δακρύσας διὰ τὴν τοῦ μετηλλαχότος σωφροσύνην, καὶ πολλὴν εὐταξίαν,
37Zielsbedroefd en vol medelijden werd Antiochus tot tranen bewogen om de deugdzaamheid en grote rechtschapenheid van den dode;
38καὶ πυρωθεὶς τοῖς θυμοῖς, παραχρῆμα τὴν τοῦ Ἀνδρονίκου πορφύραν περιελόμενος, καὶ τοὺς χιτῶνας περιῤῥήξας, περιαγαγὼν καθʼ ὅλην τὴν πόλιν, ἐπʼ αὐτὸν τὸν τόπον οὗπερ εἰς τὸν Ὀνίαν ἠσέβησεν, ἐκεῖ τὸν μιαιφόνον ἀπεκόσμησε, τοῦ Κυρίου τὴν ἀξίαν αὐτῷ κόλασιν ἀποδόντος.
38en in woede ontstoken, nam hij Andrónikus onmiddellijk zijn purper af, liet hem de kleren van het lijf rukken, door de gehele stad rondvoeren tot op de plek, waar hij zich aan Onias had vergrepen, en liet daar den moordenaar terechtstellen. Zo had de Heer hem naar verdienste gestraft.
39Γενομένων δὲ πολλῶν ἱεροσυλημάτων κατὰ τὴν πόλιν ὑπὸ τοῦ Λυσιμάχου μετὰ τῆς Μενελάου γνώμης, καὶ διαδοθείσης ἔξω τῆς φήμης, ἐπισυνήχθη τὸ πλῆθος ἐπὶ τὸν Λυσίμαχον, χρυσωμάτων ἤδη πολλῶν διενηνεγμένων.
39Intussen werd er door Lusimachus, met toestemming van Meneláus, in de stad telkens tempelroof gepleegd. Toen het bericht zich naar buiten verspreidde, dat er reeds veel gouden voorwerpen waren weggehaald, liep het volk tegen Lusimachus te hoop.
40Ἐπεγειρομένων δὲ τῶν ὄχλων, καὶ ταῖς ὀργαῖς διεμπιπλαμένων, καθοπλίσας ὁ Λυσίμαχος πρὸς τρισχιλίους, κατήρξατο χειρῶν ἀδίκων, προηγησαμένου τινὸς Τυράννου προβεβηκότος τὴν ἡλικίαν, οὐδὲν δὲ ἧττον καὶ τὴν ἄνοιαν.
40Maar Lusimachus liet tegen de opgewonden menigte, die van woede kookte, ongeveer drieduizend man bewapenen, en begon met geweld op te treden; een zekere Auránus, die al op jaren was, maar daarom nog niet minder wreed, voerde het bevel.
41Συνιδότες δὲ καὶ τὴν ἐπίθεσιν τοῦ Λυσιμάχου, συναρπάσαντες οἱ μὲν πέτρους, οἱ δὲ ξύλων πάχη, τινὲς δὲ ἐκ τῆς παρακειμένης σποδοῦ δρασσόμενοι, φύρδην ἐνετίνασσον εἰς τοὺς περὶ τὸν Λυσίμαχον.
41Maar zodra men bemerkte, dat Lusimachus liet aanvallen, greep de een naar stenen, de ander naar zware stukken hout, weer anderen pakten het vuil op, dat er lag, en gooiden alles door elkaar naar de manschappen van Lusimachus.
42Διʼ ἣν αἰτίαν πολλοὺς μὲν αὐτῶν τραυματίας ἐποίησαν, τινὰς δὲ καὶ κατέβαλον, πάντας δὲ εἰς φυγὴν συνήλασαν, αὐτὸν δὲ τὸν ἱερόσυλον παρὰ τὸ γαζοφυλάκιον ἐχειρώσαντο.
42Zo verwondden zij een groot aantal van hen, sloegen anderen neer, joegen de hele troep op de vlucht, en vermoordden den tempelrover zelf bij de schatkamer.
43Περὶ δὲ τούτων ἐνέστη κρίσις πρὸς τὸν Μενέλαον.
43Naar aanleiding hiervan werd er een gerechtelijk onderzoek tegen Meneláus ingesteld,
44Καταντήσαντος δὲ τοῦ βασιλέως εἰς Τύρον, ἐπʼ αὐτοῦ τὴν δικαιολογίαν ἐποιήσαντο οἱ πεμφθέντες ἄνδρες τρεῖς ὑπὸ τῆς γερουσίας.
44en toen de koning daarvoor naar Tyrus kwam, dienden drie mannen, die door de hoge raad waren afgevaardigd, een aanklacht tegen Meneláus in.
45Ἤδη δὲ λελειμμένος ὁ Μενέλαος ἐπηγγείλατο χρήματα ἱκανὰ τῷ Πτολεμαίῳ τῷ Δορυμένους πρὸς τὸ πεῖσαι τὸν βασιλέα.
45Daar deze zich reeds verloren waande, beloofde hij Ptoleméus, den zoon van Dorúmenes, veel geld, als hij den koning wist om te praten.
46Ὅθεν ἀπολαβὼν ὁ Πτολεμαῖος εἴς τι περίστυλον ὡς ἀναψύξοντα τὸν βασιλέα, μετέθηκε.
46Daarom nam Ptoleméus den koning mee naar een zuilengang, schijnbaar om hem wat te laten uitrusten, en deed hem van mening veranderen.
47Καὶ τὸν μὲν τῆς ὅλης κακίας αἴτιον Μενέλαον ἀπέλυσε τῶν κατηγορημάτων, τοῖς δὲ ταλαιπώροις, οἵτινες εἰ καὶ ἐπὶ Σκυθῶν ἔλεγον, ἀπελύθησαν ἄν ἀκατάγνωστοι, τούτοις θάνατον ἐπέκρινε.
47Deze sprak Meneláus, den hoofdschuldige van het gehele ongeluk, van alle aanklacht vrij, maar velde het doodvonnis over de ongelukkigen, die al hadden zij voor Skyten terechtgestaan, als onschuldigen zouden zijn vrijgesproken.
48Ταχέως οὖν τὴν ἄδικον ζημίαν ὑπέσχον οἱ ὑπὲρ πόλεως καὶ δήμων καὶ τῶν ἱερῶν σκευῶν προαγορεύσαντες.
48En de onrechtvaardige straf werd onmiddellijk voltrokken aan mensen, die slechts voor stad en volk en voor de heilige vaten waren opgekomen.
49Διʼ ἣν αἰτίαν καὶ Τύριοι μισοπονηρήσαντες τὰ πρὸς τὴν κηδείαν αὐτῶν μεγαλοπρεπῶς ἐχορήγησαν.
49Zelfs de inwoners van Tyrus waren hierover zo verontwaardigd, dat zij op vorstelijke wijze voor hun begrafenis zorgden.
50Ὁ δὲ Μενέλαος διὰ τὰς τῶν κρατούντων πλεονεξίας, ἔμενεν ἐπὶ τῆς ἀρχῆς, ἐπιφυόμενος τῇ κακίᾳ, μέγας τῶν πολιτῶν ἐπίβουλος καθεστώς.
50Zo behield Meneláus zijn post, dank zij de hebzucht der machthebbers. Hij stapelde misdaad op misdaad, en bleef zijn medeburgers verschrikkelijk vervolgen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.