Ephesios 2
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et vos, cum essetis mortui delictis et peccatis vestris,
1Gij ook waart dood door uw overtredingen en zonden,
2in quibus aliquando ambulastis secundum sæculum mundi hujus, secundum principem potestatis aëris hujus, spiritus, qui nunc operatur in filios diffidentiæ,
2waarin gij eertijds geleefd hebt in navolging van deze aardse wereld, in navolging ook van den vorst der macht in de lucht, van den vorst van de geest, die nog altijd werkt in de zonen der ongehoorzaamheid.
3in quibus et nos omnes aliquando conversati sumus in desideriis carnis nostræ, facientes voluntatem carnis et cogitationum, et eramus natura filii iræ, sicut et ceteri:
3Ook wij allen behoorden daartoe, en hebben vroeger naar onze vleselijke lusten geleefd, de begeerten van het vlees en van de zinnen volbracht, en waren van nature kinderen van toorn, juist zoals de anderen.
4Deus autem, qui dives est in misericordia, propter nimiam caritatem suam, qua dilexit nos,
4Maar God, die rijk aan ontferming is, heeft door de grote liefde, die Hij ons toedroeg,
5et cum essemus mortui peccatis, convivificavit nos in Christo (cujus gratia estis salvati),
5ook ons, die dood waren door de overtredingen, ten leven verwekt tezamen met Christus; door de genade zijt gij gered.
6et conresuscitavit, et consedere fecit in cælestibus in Christo Jesu:
6En in Christus Jesus heeft Hij ons opgewekt en in de hemel een plaats bereid te zamen met Hem;
7ut ostenderet in sæculis supervenientibus abundantes divitias gratiæ suæ, in bonitate super nos in Christo Jesu.
7opdat in de toekomende tijden de overgrote rijkdom zijner genade zou worden geopenbaard, die Hij in zijn goedheid ons in Christus Jesus heeft geschonken.
8Gratia enim estis salvati per fidem, et hoc non ex vobis: Dei enim donum est:
8Want uit genade zijt gij gered door het geloof. Niet uit uzelf; Gods gave is het.
9non ex operibus, ut ne quis glorietur.
9Niet uit de werken, opdat niemand zou roemen;
10Ipsius enim sumus factura, creati in Christo Jesu in operibus bonis, quæ præparavit Deus ut in illis ambulemus.
10want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jesus geschapen tot goede werken, die God vooruit heeft bereid, opdat we daarin zouden leven. De volkomen gelijkheid der goddelijke genade van roeping voor Joden en heidenen.
11Propter quod memores estote quod aliquando vos gentes in carne, qui dicimini præputium ab ea quæ dicitur circumcisio in carne, manu facta:
11Denkt er dus aan, dat gij eertijds heidenen waart van geboorte, en onbesnedenen werdt genoemd door de zogenaamde besnijdenis, die met de hand in het vlees wordt aangebracht;
12quia eratis illo in tempore sine Christo, alienati a conversatione Israël, et hospites testamentorum, promissionis spem non habentes, et sine Deo in hoc mundo.
12en dat gij toen zonder Christus waart, uitgesloten van Israëls burgerschap, vreemd aan het verbond der Belofte, zonder hoop in de wereld en zonder God.
13Nunc autem in Christo Jesu, vos, qui aliquando eratis longe, facti estis prope in sanguine Christi.
13Maar thans, nu gij in Christus Jesus zijt, thans zijt gij nabij gekomen door Christus’ Bloed, gij die eertijds verre waart.
14Ipse enim est pax nostra, qui fecit utraque unum, et medium parietem maceriæ solvens, inimicitias in carne sua,
14Want Hij is onze vrede, Hij die beide groepen één heeft gemaakt, en de scheidsmuur-dat is de vijandschap, -heeft weggebroken.
15legem mandatorum decretis evacuans, ut duos condat in semetipso in unum novum hominem, faciens pacem:
15Door zijn Vlees heeft Hij de Wet afgeschaft met haar geboden en instellingen, om als Vredestichter beide groepen om te scheppen in Hem tot één enkelen nieuwen mens;
16et reconciliet ambos in uno corpore, Deo per crucem, interficiens inimicitias in semetipso.
16om beiden in één Lichaam met God door het kruis te verzoenen, en zó de vijandschap te doden.
17Et veniens evangelizavit pacem vobis, qui longe fuistis, et pacem iis, qui prope.
17Hij is gekomen om vrede te preken aan u, die verre waart, en vrede aan hen, die nabij waren gebleven.
18Quoniam per ipsum habemus accessum ambo in uno Spiritu ad Patrem.
18Want door Hem hebben we beiden toegang tot den Vader in één Geest.
19Ergo jam non estis hospites, et advenæ: sed estis cives sanctorum, et domestici Dei,
19Dus zijt gij niet langer vreemdelingen en gasten, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods,
20superædificati super fundamentum apostolorum, et prophetarum, ipso summo angulari lapide Christo Jesu:
20gebouwd op de grondslag der Apostelen en Profeten, waarvan Christus Jesus de hoeksteen is.
21in quo omnis ædificatio constructa crescit in templum sanctum in Domino,
21In Hem wordt heel het gebouw bijeen gehouden, en rijst het op tot een tempel, heilig in den Heer;
22in quo et vos coædificamini in habitaculum Dei in Spiritu.
22in Hem wordt ook gij opgebouwd, tezamen met de anderen, tot een woning van God in den Geest.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.