Baruch 2
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Propter quod statuit Dominus Deus noster verbum suum, quod locutus est ad nos, et ad judices nostros qui judicaverunt Israël, et ad reges nostros, et ad principes nostros, et ad omnem Israël et Juda:
1Daarom deed ook de Heer zijn woord gestand, dat Hij gesproken had tegen ons, tegen onze leiders die Israël bestuurden, tegen onze koningen en vorsten, en tegen de mannen van Israël en Juda:
2ut adduceret Dominus super nos mala magna, quæ non sunt facta sub cælo quemadmodum facta sunt in Jerusalem, secundum quæ scripta sunt in lege Moysi,
2dat Hij over ons een grote rampspoed zou brengen, en dat Jerusalem zou worden getroffen, zoals nog nooit was gebeurd onder heel de hemel; dat zoals in Moses' wet staat geschreven,
3et manducaret homo carnes filii sui et carnes filiæ suæ.
3ieder van ons het vlees van zijn eigen zoon, het vlees van zijn eigen dochter zou eten.
4Et dedit eos sub manu regum omnium qui sunt in circuitu nostro, in improperium et in desolationem in omnibus populis in quibus nos dispersit Dominus:
4Hij leverde hen over in de macht van alle koninkrijken, die ons omringen, en maakte hen tot spot en hoon bij alle omliggende volken, waaronder de Heer hen had verstrooid.
5et facti sumus subtus, et non supra, quia peccavimus Domino Deo nostro, non obaudiendo voci ipsius.
5Zo werden ze vernederd in plaats van te heersen, omdat wij gezondigd hadden tegen den Heer, onzen God, door niet te luisteren naar zijn stem.
6Domino Deo nostro justitia, nobis autem et patribus nostris confusio faciei, sicut est dies hæc:
6Ja, de Heer, onze God, is rechtvaardig; maar wij moeten blozen van schaamte, evenals onze vaderen.
7quia locutus est Dominus super nos omnia mala hæc quæ venerunt super nos:
7Al de rampen, waarmee de Heer ons gedreigd had, zijn over ons uitgestort.
8et non sumus deprecati faciem Domini Dei nostri, ut reverteremur unusquisque nostrum a viis nostris pessimis.
8Wij hebben 's Heren aanschijn niet verzoend, door ons allen af te keren van de neigingen van ons verdorven hart.
9Et vigilavit Dominus in malis, et adduxit ea super nos: quia justus est Dominus in omnibus operibus suis quæ mandavit nobis,
9Daarom bleef de Heer op de rampen bedacht, en stortte de Heer ze over ons uit.
10et non audivimus vocem ipsius ut iremus in præceptis Domini, quæ dedit ante faciem nostram.]
10Want de Heer is rechtvaardig in al zijn daden, die Hij over ons heeft besloten; maar wij luisterden niet naar zijn stem, en leefden niet naar de geboden, die de Heer ons had voorgeschreven.
11[Et nunc, Domine Deus Israël, qui eduxisti populum tuum de terra Ægypti in manu valida, et in signis, et in prodigiis, et in virtute tua magna, et in brachio excelso, et fecisti tibi nomen sicut est dies iste:
11Nu dan Heer, Israëls God, die uw volk uit het land van Egypte hebt geleid met krachtige hand, met tekens en wonderen, met grote macht en gespierde arm, en zó U een naam hebt verworven tot op de huidige dag:
12peccavimus, impie egimus, inique gessimus, Domine Deus noster, in omnibus justitiis tuis.
12Heer, onze God, wij hebben gezondigd, goddeloos gehandeld, misdaan tegen al uw geboden!
13Avertatur ira tua a nobis, quia derelicti sumus pauci inter gentes ubi dispersisti nos.
13Ach, wend toch uw gramschap van ons af; want van ons zijn er maar weinigen overgebleven onder de volken, waaronder Gij ons hebt verstrooid.
14Exaudi, Domine, preces nostras et orationes nostras, et educ nos propter te, et da nobis invenire gratiam ante faciem eorum qui nos abduxerunt:
14Heer, verhoor ons bidden en smeken: Red ons toch om Uwentwil, en laat ons genade vinden bij hen, die ons hebben verbannen;
15ut sciat omnis terra quia tu es Dominus Deus noster, et quia nomen tuum invocatum est super Israël, et super genus ipsius.
15opdat de hele aarde wete, dat Gij de Heer zijt, onze God, en dat Israël en zijn geslacht naar Uw Naam is genoemd.
16Respice, Domine, de domo sancta tua in nos, et inclina aurem tuam, et exaudi nos.
16Heer, zie neer uit uw heilige woning, en wil ons gedenken; Heer, neig uw oren en luister,
17Aperi oculos tuos et vide: quia non mortui qui sunt in inferno, quorum spiritus acceptus est a visceribus suis, dabunt honorem et justificationem Domino:
17open uw ogen en zie! Neen, niet de doden in de onderwereld, wie de adem uit de borst is genomen, kunnen de glorie des Heren en zijn gerechtigheid prijzen;
18sed anima quæ tristis est super magnitudine mali, et incedit curva et infirma, et oculi deficientes, et anima esuriens, dat tibi gloriam et justitiam Domino.
18maar de ziel, die ten diepste bedroefd is, hij die gebukt gaat en gebroken, de smachtende ogen, de verhongerde geest prijzen uw glorie en gerechtigheid, o Heer!
19Quia non secundum justitias patrum nostrorum nos fundimus preces et petimus misericordiam ante conspectum tuum, Domine Deus noster:
19Neen, niet op grond der verdiensten van onze vaderen en koningen leggen wij ons gebed voor U neer, Heer, onze God!
20sed quia misisti iram tuam et furorem tuum super nos, sicut locutus es in manu puerorum tuorum prophetarum, dicens:
20Neen, Gij hebt uw grimmige toorn op ons losgelaten, zoals Gij door de profeten, uw dienaars, gezegd had:
21Sic dicit Dominus: Inclinate humerum vestrum et cervicem vestram, et opera facite regi Babylonis, et sedebitis in terra quam dedi patribus vestris.
21“Zo spreekt de Heer! Buigt uw nek, en dient den koning van Babel; dan zult ge in het land blijven wonen, dat Ik uw vaderen heb gegeven.
22Quod si non audieritis vocem Domini Dei vestri, operari regi Babyloniæ, defectionem vestram faciam de civitatibus Juda, et a foris Jerusalem,
22Maar wanneer ge niet luistert naar de stem van den Heer, en den koning van Babel niet dient,
23et auferam a vobis vocem jucunditatis et vocem gaudii, et vocem sponsi et vocem sponsæ, et erit omnis terra sine vestigio ab inhabitantibus eam.
23dan zal Ik in de steden van Juda en in Jerusalems omgeving de kreten van vreugde en blijdschap verstommen, de jubel van bruidegom, de jubel der bruid, en het hele land zal een wildernis worden zonder bewoners”.
24Et non audierunt vocem tuam, ut operarentur regi Babylonis: et statuisti verba tua, quæ locutus es in manibus puerorum tuorum prophetarum, ut transferrentur ossa regum nostrorum et ossa patrum nostrorum de loco suo:
24Maar wij luisterden niet naar uw bevel, om den koning van Babel te dienen; toen hebt Gij uw woord in vervulling doen gaan, dat Gij gesproken hebt door de profeten, uw dienaars: dat het gebeente van onze koningen en onze vaderen uit de graven zou worden geworpen.
25et ecce projecta sunt in calore solis et in gelu noctis, et mortui sunt in doloribus pessimis, in fame et in gladio, et in emissione.
25En zie, het is er uitgeworpen voor de hitte overdag, en voor de koude des nachts; ze zijn gestorven door de ergste plagen, door de honger, het zwaard en de pest;
26Et posuisti templum in quo invocatum est nomen tuum in ipso sicut hæc dies, propter iniquitatem domus Israël et domus Juda.
26en de tempel, waarover uw Naam was uitgeroepen, hebt Gij om de misdaad van het huis van Israël en Juda getroffen, zoals hij heden nog ligt.
27Et fecisti in nobis, Domine Deus noster, secundum omnem bonitatem tuam et secundum omnem miserationem tuam illam magnam:
27Maar Gij zult met ons handelen, Heer onze God, naar heel uw goedheid en naar de volheid van uw grote ontferming,
28sicut locutus es in manu pueri tui Moysi, in die qua præcepisti ei scribere legem tuam coram filiis Israël,
28zoals Gij beloofd hebt door Moses, uw dienaar, toen Gij hem hebt bevolen, uw wet aan de kinderen Israëls voor te schrijven:
29dicens: Si non audieritis vocem meam, multitudo hæc magna convertetur in minimam inter gentes, quo ego eos dispergam:
29“Wanneer ge niet luistert naar mijn stem, dan zal deze grote en talrijke schare een nietig hoopje worden onder de volkeren, waaronder Ik ze verstrooien zal;
30quia scio quod me non audiet populus: populus est enim dura cervice. Et convertetur ad cor suum in terra captivitatis suæ,
30ja, Ik weet, dat zij niet naar Mij zullen horen, want het is een halsstarrig volk. Maar in het land hunner ballingschap zullen zij tot inkeer komen,
31et scient quia ego sum Dominus Deus eorum: et dabo eis cor, et intelligent; aures, et audient:
31en erkennen, dat Ik de Heer ben, hun God. Dan zal Ik hun een gewillig hart en gewillige oren verlenen:
32et laudabunt me in terra captivitatis suæ, et memores erunt nominis mei,
32en zij zullen Mij in het land hunner ballingschap loven, en mijn Naam weer gedenken;
33et avertent se a dorso suo duro, et a malignitatibus suis: quia reminiscentur viam patrum suorum, qui peccaverunt in me.
33zij zullen zich van hun halsstarrigheid en boze werken bekeren, indachtig het lot hunner vaderen, die gezondigd hebben tegen den Heer.
34Et revocabo illos in terram quam juravi patribus eorum, Abraham, Isaac, et Jacob: et dominabuntur ejus, et multiplicabo eos, et non minorabuntur:
34Dan breng Ik ze terug naar het land, dat Ik hun vaderen, Abraham, Isaäk en Jakob, met een eed heb beloofd; zij zullen er bezit van nemen en Ik zal ze vermeerderen, en nooit meer worden ze klein.
35et statuam illis testamentum alterum sempiternum, ut sim illis in Deum, et ipsi erunt mihi in populum: et non movebo amplius populum meum, filios Israël, a terra quam dedi illis.]
35Dan zal Ik een eeuwig verbond met hen sluiten: Ik zal hun God, zij zullen mijn volk zijn; en nooit meer zal Ik Israël, mijn volk, uit het land verdrijven, dat Ik hun heb geschonken!”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.