Judges 13
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the children of Israel again did that which was evil in the sight of the LORD; and the LORD delivered them into the hand of the Philistines forty years.
1Toen de Israëlieten kwaad bleven doen in de ogen van Jahweh, leverde Jahweh hen voor veertig jaar over in de handen der Filistijnen.
2And there was a certain man of Zorah, of the family of the Danites, whose name was Manoah; and his wife was barren, and bore not.
2Er leefde toen een man uit Sora van het geslacht Dan, Manóach genaamd, wiens vrouw onvruchtbaar was en geen kinderen had gebaard.
3And the angel of the LORD appeared unto the woman, and said unto her: 'Behold now, thou art barren, and hast not borne; but thou shalt conceive, and bear a son.
3Aan die vrouw verscheen eens de engel van Jahweh, en sprak tot haar: Zie eens, ge zijt onvruchtbaar en hebt geen kind; maar ge zult zwanger worden en een zoon baren.
4Now therefore beware, I pray thee, and drink no wine nor strong drink, and eat not any unclean thing.
4Maar dan moet ge ook zorgen, geen wijn of sterke drank te drinken, of iets onreins te eten.
5For, lo, thou shalt conceive, and bear a son; and no razor shall come upon his head; for the child shall be a Nazirite unto God from the womb; and he shall begin to save Israel out of the hand of the Philistines.'
5Want ge zult moeder worden en een zoon baren, aan wiens hoofd geen scheermes mag raken, omdat de jongen van de moederschoot af een Godgewijde zal zijn. Hij is het, die een begin zal maken met Israëls bevrijding uit de hand der Filistijnen.
6Then the woman came and told her husband, saying: 'A man of God came unto me, and his countenance was like the countenance of the angel of God, very terrible; and I asked him not whence he was, neither told he me his name;
6De vrouw ging dit aan haar man vertellen: Er is een Godsman bij me geweest. Hij zag er uit als de engel van God vol heerlijkheid; maar ik heb hem niet durven vragen, waar hij vandaan kwam, en hij heeft mij ook zijn naam niet genoemd.
7but he said unto me: Behold, thou shalt conceive, and bear a son; and now drink no wine nor strong drink, and eat not any unclean thing; for the child shall be a Nazirite unto God from the womb to the day of his death.'
7Hij zei me: “Ge zult moeder worden en een zoon baren. Maar ge moogt geen wijn of sterke drank drinken, en niets onreins eten; want van de moederschoot af tot de dag van zijn dood zal die jongen een Godgewijde zijn.”
8Then Manoah entreated the LORD, and said: 'Oh, LORD, I pray Thee, let the man of God whom Thou didst send come again unto us, and teach us what we shall do unto the child that shall be born.'
8Toen bad Manóach tot Jahweh: Ach Heer, laat de Godsman, dien Gij gezonden hebt, nog eens tot ons komen, om ons te leren, wat we voor den jongen, die geboren zal worden, moeten doen.
9And God hearkened to the voice of Manoah; and the angel of God came again unto the woman as she sat in the field; but Manoah her husband was not with her.
9En God verhoorde Manóach. De engel van God kwam nog eens bij de vrouw, toen ze zich op het veld bevond. Daar Manóach, haar man, niet bij haar was,
10And the woman made haste, and ran, and told her husband, and said unto him: 'Behold, the man hath appeared unto me, that came unto me that day.'
10liep de vrouw haastig weg, om het haar man te vertellen. Ze zei hem: De man, die laatst bij me geweest is, is mij verschenen.
11And Manoah arose, and went after his wife, and came to the man, and said unto him: 'Art thou the man that spokest unto the woman?' And he said: 'I am.'
11Manóach stond op, en ging mee met zijn vrouw. Bij den man gekomen, vroeg hij hem: Zijt gij degene, die met mijn vrouw hebt gesproken? Hij antwoordde: Ja.
12And Manoah said: 'Now when thy word cometh to pass, what shall be the rule for the child, and what shall be done with him?'
12Manóach hernam: Wanneer uw woord vervuld wordt, wat moet er dan met den jongen gebeuren, en wat moet hij doen?
13And the angel of the LORD said unto Manoah: 'Of all that I said unto the woman let her beware.
13De engel van Jahweh gaf Manóach ten antwoord: Uw vrouw moet zich van alles onthouden, wat ik haar heb opgenoemd;
14She may not eat of any thing that cometh of the grapevine, neither let her drink wine or strong drink, nor eat any unclean thing; all that I commanded her let her observe.'
14ze mag niets eten van wat er van de wijnstok komt, geen wijn of sterke drank drinken, of iets onreins gebruiken. Al wat ik haar bevolen heb, moet ze onderhouden.
15And Manoah said unto the angel of the LORD: 'I pray thee, let us detain thee, that we may make ready a kid for thee.'
15Nu zei Manóach tot den engel van Jahweh: We zouden u graag nog wat hier houden, om een geitebokje voor u te bereiden.
16And the angel of the LORD said unto Manoah: 'Though thou detain me, I will not eat of thy bread; and if thou wilt make ready a burnt-offering, thou must offer it unto the LORD.' For Manoah knew not that he was the angel of the LORD.
16Maar de engel van Jahweh sprak tot Manóach: Ook al hieldt ge mij hier, toch zou ik van uw spijs niet eten. Maar als ge soms een offer wilt brengen aan Jahweh, dan moogt ge dat doen. Manóach begreep immers maar niet, dat het de engel van Jahweh was.
17And Manoah said unto the angel of the LORD: 'What is thy name, that when thy words come to pass we may do thee honour?'
17Daarop vroeg Manóach aan den engel van Jahweh: Hoe is uw naam? Want als uw woord in vervulling gegaan is, willen we u toch eren.
18And the angel of the LORD said unto him: 'Wherefore askest thou after my name, seeing it is hidden?'
18Doch de engel van Jahweh antwoordde: Wat vraagt ge naar mijn naam? Die is onbegrijpelijk.
19So Manoah took the kid with the meal-offering, and offered it upon the rock unto the LORD; and the angel did wondrously, and Manoah and his wife looked on.
19Manóach nam nu het geitebokje met het meeloffer, en bracht het op de rots ten offer aan Jahweh, die wonderbare dingen doet; en Manóach en zijn vrouw zagen toe.
20For it came to pass, when the flame went up toward heaven from off the altar, that the angel of the LORD ascended in the flame of the altar; and Manoah and his wife looked on; and they fell on their faces to the ground.
20En terwijl de vlam van het altaar af omhoog ging ten hemel, steeg ook de engel van Jahweh met de altaarvlam omhoog. Manóach en zijn vrouw zagen het, en vielen plat ter aarde neer.
21But the angel of the LORD did no more appear to Manoah or to his wife. Then Manoah knew that he was the angel of the LORD.
21Toen de engel van Jahweh zich niet langer aan Manóach en diens vrouw vertoonde, begreep Manóach, dat het de engel van Jahweh geweest was.
22And Manoah said unto his wife: 'We shall surely die, because we have seen God.'
22En Manóach zei tot zijn vrouw: We zullen zeker sterven, want we hebben God gezien.
23But his wife said unto him: 'If the LORD were pleased to kill us, He would not have received a burnt-offering and a meal-offering at our hand, neither would He have shown us all these things, nor would at this time have told such things as these.'
23Maar zijn vrouw zeide tot hem: Als Jahweh ons had willen doden, zou Hij uit onze hand geen brand- en spijsoffer hebben aangenomen; dan had Hij ons dat alles niet laten zien, noch zo iets aangekondigd.
24And the woman bore a son, and called his name Samson; and the child grew, and the LORD blessed him.
24En de vrouw baarde een zoon, en noemde hem Samson. De jongen groeide op onder de zegen van Jahweh.
25And the spirit of the LORD began to move him in Mahaneh-dan, between Zorah and Eshtaol.
25En de geest van Jahweh begon over hem vaardig te worden in Machane van Dan, dat tussen Sora en Esjtaol ligt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.