Judges 13
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the children of Israel did evil again in the sight of the Lord: and he delivered them into the hands of the Philistines forty years.
1Toen de Israëlieten kwaad bleven doen in de ogen van Jahweh, leverde Jahweh hen voor veertig jaar over in de handen der Filistijnen.
2Now there was a certain man of Saraa, and of the race of Dan, whose name was Manue, and his wife was barren.
2Er leefde toen een man uit Sora van het geslacht Dan, Manóach genaamd, wiens vrouw onvruchtbaar was en geen kinderen had gebaard.
3And an angel of the Lord appeared to her, and said: Thou art barren and without children: but thou shalt conceive and bear a son.
3Aan die vrouw verscheen eens de engel van Jahweh, en sprak tot haar: Zie eens, ge zijt onvruchtbaar en hebt geen kind; maar ge zult zwanger worden en een zoon baren.
4Now therefore beware and drink no wine nor strong drink, and eat not any unclean thing.
4Maar dan moet ge ook zorgen, geen wijn of sterke drank te drinken, of iets onreins te eten.
5Because thou shalt conceive and bear a son, and no razor shall touch his head: for he shall be a Nazarite of God, from his infancy, and from his mother’s womb, and he shall begin to deliver Israel from the hands of the Philistines.
5Want ge zult moeder worden en een zoon baren, aan wiens hoofd geen scheermes mag raken, omdat de jongen van de moederschoot af een Godgewijde zal zijn. Hij is het, die een begin zal maken met Israëls bevrijding uit de hand der Filistijnen.
6And when she was come to her husband she said to him: A man of God came to me, having the countenance of an angel, very awful. And when I asked him who he was, and whence he came, and by what name he was called, he would not tell me.
6De vrouw ging dit aan haar man vertellen: Er is een Godsman bij me geweest. Hij zag er uit als de engel van God vol heerlijkheid; maar ik heb hem niet durven vragen, waar hij vandaan kwam, en hij heeft mij ook zijn naam niet genoemd.
7But he answered thus: Behold thou shalt conceive and bear a son: beware thou drink no wine, nor strong drink, nor eat any unclean thing: for the child shall be a Nazarite of God from his infancy, from his mother’s womb until the day of his death.
7Hij zei me: “Ge zult moeder worden en een zoon baren. Maar ge moogt geen wijn of sterke drank drinken, en niets onreins eten; want van de moederschoot af tot de dag van zijn dood zal die jongen een Godgewijde zijn.”
8Then Manue prayed to the Lord, and said: I beseech thee, O Lord, that the mail of God, whom thou didst send, may come again, and teach us what we ought to do concerning the child that shall be born.
8Toen bad Manóach tot Jahweh: Ach Heer, laat de Godsman, dien Gij gezonden hebt, nog eens tot ons komen, om ons te leren, wat we voor den jongen, die geboren zal worden, moeten doen.
9And the Lord heard the prayer of Manue, and the angel of the Lord appeared again to his wife as she was sitting in the field. But Manue her husband was not with her. And when she saw the angel,
9En God verhoorde Manóach. De engel van God kwam nog eens bij de vrouw, toen ze zich op het veld bevond. Daar Manóach, haar man, niet bij haar was,
10She made haste and ran to her husband: and told him saying: Behold the man hath appeared to me whom I saw before.
10liep de vrouw haastig weg, om het haar man te vertellen. Ze zei hem: De man, die laatst bij me geweest is, is mij verschenen.
11He rose up and followed his wife: and coming to the man, said to him: Art thou he that spoke to the woman? And he answered: I am.
11Manóach stond op, en ging mee met zijn vrouw. Bij den man gekomen, vroeg hij hem: Zijt gij degene, die met mijn vrouw hebt gesproken? Hij antwoordde: Ja.
12And Manue said to him: When thy word shall come to pass, what wilt thou that the child should do? or from what shall he keep himself?
12Manóach hernam: Wanneer uw woord vervuld wordt, wat moet er dan met den jongen gebeuren, en wat moet hij doen?
13And the angel of the Lord said to Manue: From all the things I have spoken of to thy wife, let her refrain herself:
13De engel van Jahweh gaf Manóach ten antwoord: Uw vrouw moet zich van alles onthouden, wat ik haar heb opgenoemd;
14And let her eat nothing that cometh of the vine, neither let her drink wine or strong drink, nor eat any unclean thing: and whatsoever I have commanded her, let her fulfill and observe.
14ze mag niets eten van wat er van de wijnstok komt, geen wijn of sterke drank drinken, of iets onreins gebruiken. Al wat ik haar bevolen heb, moet ze onderhouden.
15And Manue said to the angel of the Lord: I beseech thee to consent to my request, and let us dress a kid for thee.
15Nu zei Manóach tot den engel van Jahweh: We zouden u graag nog wat hier houden, om een geitebokje voor u te bereiden.
16And the angel answered him: If thou press me, I will not eat of thy bread: but if thou wilt offer a holocaust, offer it to the Lord. And Manue knew not it was the angel of the Lord.
16Maar de engel van Jahweh sprak tot Manóach: Ook al hieldt ge mij hier, toch zou ik van uw spijs niet eten. Maar als ge soms een offer wilt brengen aan Jahweh, dan moogt ge dat doen. Manóach begreep immers maar niet, dat het de engel van Jahweh was.
17And he said to him: What is thy name, that, if thy word shall come to pass, we may honour thee?
17Daarop vroeg Manóach aan den engel van Jahweh: Hoe is uw naam? Want als uw woord in vervulling gegaan is, willen we u toch eren.
18And he answered him: Why askest thou my name, which is wonderful?
18Doch de engel van Jahweh antwoordde: Wat vraagt ge naar mijn naam? Die is onbegrijpelijk.
19Then Manue took a kid of the flocks, and the libations, and put them upon a rock, offering to the Lord, who doth wonderful things: and he and his wife looked on.
19Manóach nam nu het geitebokje met het meeloffer, en bracht het op de rots ten offer aan Jahweh, die wonderbare dingen doet; en Manóach en zijn vrouw zagen toe.
20And when the flame from the altar went up towards heaven, the angel of the lord ascended also in the flame. And when Manue and his wife saw this, they fell flat on the ground.
20En terwijl de vlam van het altaar af omhoog ging ten hemel, steeg ook de engel van Jahweh met de altaarvlam omhoog. Manóach en zijn vrouw zagen het, en vielen plat ter aarde neer.
21And the angel of the Lord appeared to them no more. And forthwith Manue understood that it was an angel of the Lord,
21Toen de engel van Jahweh zich niet langer aan Manóach en diens vrouw vertoonde, begreep Manóach, dat het de engel van Jahweh geweest was.
22And he said to his wife: We shall certainly die, because we have seen God.
22En Manóach zei tot zijn vrouw: We zullen zeker sterven, want we hebben God gezien.
23And his wife answered him: If the Lord had a mind to kill us, he would not have received a holocaust and libations at our hands, neither would he have shewed us all these things, nor have told us the things that are to come.
23Maar zijn vrouw zeide tot hem: Als Jahweh ons had willen doden, zou Hij uit onze hand geen brand- en spijsoffer hebben aangenomen; dan had Hij ons dat alles niet laten zien, noch zo iets aangekondigd.
24And she bore a son, and called his name Samson. And the child grew, and the Lord blessed him.
24En de vrouw baarde een zoon, en noemde hem Samson. De jongen groeide op onder de zegen van Jahweh.
25And the spirit of the Lord began to be with him in the camp of Dan, between Saraa and Esthaol.
25En de geest van Jahweh begon over hem vaardig te worden in Machane van Dan, dat tussen Sora en Esjtaol ligt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.