1 Samuel 30
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And it came to pass, when David and his men were come to Ziklag on the third day, that the Amalekites had made a raid upon the South, and upon Ziklag, and had smitten Ziklag, and burned it with fire;
1Toen David met zijn mannen de derde dag in Sikelag aankwam, hadden de Amalekieten een overval gedaan op de Négeb en op Sikelag. Ze hadden Sikelag ingenomen en in brand gestoken,
2and had taken captive the women and all that were therein, both small and great; they slew not any, but carried them off, and went their way.
2de vrouwen en alle inwoners, groot en klein, gevankelijk weggevoerd, en zonder iemand te doden hun tocht voortgezet.
3And when David and his men came to the city, behold, it was burned with fire; and their wives, and their sons, and their daughters, were taken captives.
3Toen dus David en zijn manschappen de stad bereikten, en zagen, dat ze in brand was gestoken en dat hun vrouwen met hun zonen en dochters gevangen waren,
4Then David and the people that were with him lifted up their voice and wept, until they had no more power to weep.
4begonnen David en het volk, dat bij hem was, luidkeels te wenen, totdat ze er geen kracht meer toe hadden.
5And David's two wives were taken captives, Ahinoam the Jezreelitess, and Abigail the wife of Nabal the Carmelite.
5Ook de beide vrouwen van David, Achinóam uit Jizreël, en Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel, waren gevangen genomen.
6And David was greatly distressed; for the people spoke of stoning him, because the soul of all the people was grieved, every man for his sons and for his daughters; but David strengthened himself in the LORD his God.
6David was ten einde raad; want het volk wilde hem stenigen, zo bitter was de stemming onder heel het volk over het verlies van hun zonen en dochters. Maar David hervond zijn kracht in Jahweh, zijn God.
7And David said to Abiathar the priest, the son of Ahimelech: 'I pray thee, bring me hither the ephod.' And Abiathar brought thither the ephod to David.
7Hij sprak tot den priester Ebjatar, den zoon van Achimélek: Breng mij de efod! En Ebjatar bracht de efod bij David.
8And David inquired of the LORD, saying: 'Shall I pursue after this troop? shall I overtake them?' And He answered him: 'Pursue; for thou shalt surely overtake them, and shalt without fail recover all.'
8Toen vroeg David aan Jahweh: Zal ik die bende achterna zetten, en ze inhalen? Hij antwoordde hem: Ja, zet ze na; want ge zult ze inhalen en buit bemachtigen!
9So David went, he and the six hundred men that were with him, and came to the brook Besor, where those that were left behind stayed.
9David ging dus met de zeshonderd man, die hem volgden, op weg. Bij de beek Besor aangekomen,
10But David pursued, he and four hundred men; for two hundred stayed behind, who were so faint that they could not go over the brook Besor.
10zette David met vierhonderd man de achtervolging voort, terwijl de overige tweehonderd man, die te vermoeid waren, om de beek Besor over te trekken, achterbleven.
11And they found an Egyptian in the field, and brought him to David, and gave him bread, and he did eat; and they gave him water to drink;
11Op de vlakte troffen ze een Egyptenaar aan, dien ze bij David brachten. Ze gaven hem brood, waarvan hij at, en lieten hem water drinken;
12and they gave him a piece of a cake of figs, and two clusters of raisins; and when he had eaten, his spirit came back to him; for he had eaten no bread, nor drunk any water, three days and three nights.
12ook gaven ze hem vijgen-en twee druivenkoeken. Toen hij gegeten had, kwam hij weer bij; hij had namelijk in drie dagen en drie nachten geen voedsel gebruikt en geen water gedronken!
13And David said unto him: 'To whom belongest thou? and whence art thou?' And he said: 'I am a young Egyptian, servant to an Amalekite; and my master left me, because three days ago I fell sick.
13David vroeg hem: Wien behoort ge toe, en waar komt ge vandaan? Hij antwoordde: Ik ben een Egyptische jongen, de slaaf van een Amalekiet; mijn heer heeft me, omdat ik ziek werd, eergisteren aan mijn lot overgelaten.
14We made a raid upon the South of the Cherethites, and upon that which belongeth to Judah, and upon the South of Caleb; and we burned Ziklag with fire.'
14We hebben een overval gedaan op de Négeb van de Keretieten, op het grondgebied van Juda en de Négeb van Kaleb, en Sikelag hebben we in brand gestoken.
15And David said to him: 'Wilt thou bring me down to this troop?' And he said: 'Swear unto me by God, that thou wilt neither kill me, nor deliver me up into the hands of my master, and I will bring thee down to this troop.'
15David vroeg hem: Wilt ge ons de weg wijzen naar die bende? Hij antwoordde: Zweer mij bij God, dat gij me niet zult doden of aan mijn meester zult uitleveren, en ik zal u de weg wijzen naar die bende.
16And when he had brought him down, behold, they were spread abroad over all the ground, eating and drinking, and feasting, because of all the great spoil that they had taken out of the land of the Philistines, and out of the land of Judah.
16En hij wees hun de weg. En zie, daar lagen ze over de gehele streek verspreid, etend en drinkend en fuivend van heel die grote buit, die ze uit het Filistijnenland en het judese land hadden opgedaan.
17And David smote them from the twilight even unto the evening of the next day; and there escaped not a man of them, save four hundred young men, who rode upon camels and fled.
17En David sloeg op hen in van de dageraad af tot de avond van de volgende dag; niet één ontkwam, behalve vierhonderd jongemannen, die de kamelen bestegen en de vlucht namen.
18And David recovered all that the Amalekites had taken; and David rescued his two wives.
18Alles wat de Amalekieten hem ontnomen hadden, kreeg David terug. Ook zijn beide vrouwen kreeg David terug.
19And there was nothing lacking to them, neither small nor great, neither sons nor daughters, neither spoil, nor any thing that they had taken to them; David brought back all.
19Niets werd hun in handen gelaten: klein en groot, zonen en dochters, de buit, en alles wat ze hadden geroofd; dat alles bracht David terug.
20And David took all the flocks and the herds, which they drove before those other cattle, and said: 'This is David's spoil.'
20Bovendien nam David al hun schapen en rundvee. Men stelde die aan de spits van wat men veroverd had, en zeide: Dit is Davids aandeel.
21And David came to the two hundred men, who were so faint that they could not follow David, whom also they had made to abide at the brook Besor; and they went forth to meet David, and to meet the people that were with him; and when David came near to the people, he saluted them.
21Toen David terugkwam bij de tweehonderd man, die te vermoeid waren geweest, om David te volgen, en die hij aan de beek Besor had achtergelaten, gingen dezen David en het volk, dat bij hem was, tegemoet. David trad op het volk toe, en groette het vriendelijk;
22Then answered all the wicked men and base fellows, of those that went with David, and said: 'Because they went not with us, we will not give them aught of the spoil that we have recovered, save to every man his wife and his children, that they may lead them away, and depart.'
22maar alle kwade en ongure elementen uit het gevolg van David beweerden: Omdat ze niet met ons zijn meegegaan, mag hun niets gegeven worden van de buit, die wij veroverd hebben. Laat ieder zijn vrouw en kinderen terug nemen, en maken dat hij weg komt.
23Then said David: 'Ye shall not do so, my brethren, with that which the LORD hath given unto us, who hath preserved us, and delivered the troop that came against us into our hand.
23Maar David sprak: Zo moet gij niet doen, nadat Jahweh aan ons dit alles gegeven heeft, ons heeft beschermd, en de bende, die ons overvallen had, aan ons heeft overgeleverd!
24And who will hearken unto you in this matter? for as is the share of him that goeth down to the battle, so shall be the share of him that tarrieth by the baggage; they shall share alike.'
24Wie zou ook maar naar uw voorstel willen luisteren? Neen, die ten strijde trekt, krijgt niet meer dan die bij de legertros blijft; ze moeten gelijk opdelen.
25And it was so from that day forward, that he made it a statute and an ordinance for Israel unto this day.
25Zo is het sedert dien gebleven; hij stelde het vast als wet en recht in Israël, tot op de dag van heden.
26And when David came to Ziklag, he sent of the spoil unto the elders of Judah, even to his friends, saying: 'Behold a present for you of the spoil of the enemies of the LORD';
26In Sikelag teruggekomen, zond David aan de oudsten van het naburige Juda een gedeelte van de buit met de boodschap: Hier is voor u een geschenk uit de buit, op Jahweh’s vijanden behaald.
27to them that were in Beth-el, and to them that were in Ramoth of the South, and to them that were in Jattir;
27Het waren de oudsten van Betoeël, van Rama uit de Négeb, van Jattir,
28and to them that were in Aroer, and to them that were in Siphmoth, and to them that were in Eshtemoa;
28van Aroër, van Sifmot, van Esjtemóa,
29and to them that were in Racal, and to them that were in the cities of the Jerahmeelites, and to them that were in the cities of the Kenites;
29van Karmel, van de steden der Jerachmeëlieten, van de steden der Kenieten,
30and to them that were in Hormah, and to them that were in Bor-ashan, and to them that were in Athach;
30van Chorma, van Bor-Asjan, van Atak,
31and to them that were in Hebron, and to all the places where David himself and his men were wont to haunt.
31van Hebron en van alle plaatsen, waar David met zijn mannen had rondgezworven.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.