1 Samuel 3
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the child Samuel ministered unto the LORD before Eli. And the word of the LORD was precious in those days; there was no frequent vision.
1Nog altijd verrichtte de jonge Samuël de dienst van Jahweh onder toezicht van Eli. Nu was in die dagen een woord van Jahweh zeldzaam, en visioenen kwamen niet dikwijls voor.
2And it came to pass at that time, when Eli was laid down in his place — now his eyes had begun to wax dim, that he could not see—
2Maar eens gebeurde het volgende. Eli lag thuis te slapen, daar zijn ogen zo zwak begonnen te worden, dat hij niets meer kon zien;
3and the lamp of God was not yet gone out, and Samuel was laid down to sleep in the temple of the LORD, where the ark of God was,
3de godslamp was nog niet gedoofd en Samuël lag te rusten in Jahweh’s heiligdom, waar de ark van God stond.
4that the LORD called Samuel; and he said: 'Here am I.'
4Toen riep Jahweh: Samuël! Hij antwoordde: Hier ben ik!
5And he ran unto Eli, and said: 'Here am I; for thou didst call me.' And he said: 'I called not; lie down again.' And he went and lay down.
5Hij liep naar Eli en zeide: Hier ben ik; gij hebt me immers geroepen? Maar deze antwoordde: Ik heb niet geroepen; ga weer slapen. Hij ging heen, en legde zich weer te rusten.
6And the LORD called yet again Samuel. And Samuel arose and went to Eli, and said: 'Here am I; for thou didst call me.' And he answered: 'I called not, my son; lie down again.'
6En weer riep Jahweh: Samuël! Samuël stond op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik; gij hebt me immers geroepen? Deze antwoordde: Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen.
7Now Samuel did not yet know the LORD, neither was the word of the LORD yet revealed unto him.
7Want Samuël was nog niet met Jahweh vertrouwd; nog nooit was het woord van Jahweh tot hem gericht.
8And the LORD called Samuel again the third time. And he arose and went to Eli, and said: 'Here am I; for thou didst call me.' And Eli perceived that the LORD was calling the child.
8En weer riep Jahweh, nu voor de derde maal: Samuël! Hij stond op, liep naar Eli en zeide: Hier ben ik; gij hebt me immers geroepen? Toen begreep Eli, dat het Jahweh was, die den jongen riep,
9Therefore Eli said unto Samuel: 'Go, lie down; and it shall be, if thou be called, that thou shalt say: Speak, LORD; for Thy servant heareth.' So Samuel went and lay down in his place.
9en hij zeide tot Samuël: Ga weer slapen; en mocht het gebeuren, dat iemand u roept, antwoord dan: Spreek Jahweh, uw dienaar luistert. Samuël ging dus heen, en legde zich op zijn plaats te rusten.
10And the LORD came, and stood, and called as at other times: 'Samuel, Samuel.' Then Samuel said: 'Speak; for Thy servant heareth.'
10Toen kwam Jahweh bij hem staan, en evenals de vorige malen riep Hij: Samuël, Samuël! Nu antwoordde Samuël: Spreek, uw dienaar luistert.
11And the LORD said to Samuel: 'Behold, I will do a thing in Israel, at which both the ears of every one that heareth it shall tingle.
11En Jahweh sprak tot Samuël: Waarachtig, Ik ga in Israël iets doen; en ieder die het verneemt, zijn beide oren zullen ervan tuiten!
12In that day I will perform against Eli all that I have spoken concerning his house, from the beginning even unto the end.
12Die dag ga Ik van begin tot eind aan Eli alles voltrekken, waarmede Ik zijn huis heb bedreigd.
13For I have told him that I will judge his house for ever, for the iniquity, in that he knew that his sons did bring a curse upon themselves, and he rebuked them not.
13Ge moet hem verkondigen, dat Ik zijn huis voor altijd veroordeel, en wel omdat hij, wetend dat zijn zonen God verachtten, hen niet heeft bestraft.
14And therefore I have sworn unto the house of Eli, that the iniquity of Eli's house shall not be expiated with sacrifice nor offering for ever.'
14Daarom ook zweer Ik het huis van Eli: Nooit in der eeuwigheid zal de schuld van Eli’s huis door offer of gave worden verzoend.
15And Samuel lay until the morning, and opened the doors of the house of the LORD. And Samuel feared to tell Eli the vision.
15Samuël sliep nu door tot de morgen, en zette toen de deuren van Jahweh’s huis open. Maar Samuël zag er tegen op, om het visioen aan Eli mee te delen.
16Then Eli called Samuel, and said: 'Samuel, my son.' And he said: 'Here am I.'
16Eli echter riep Samuël, en zeide: Samuël, mijn jongen! Deze antwoordde: Hier ben ik!
17And he said: 'What is the thing that He hath spoken unto thee? I pray thee, hide it not from me, God do so to thee, and more also, if thou hide any thing from me of all the things that He spoke unto thee.'
17Hij vroeg: Wat heeft Hij tot u gesproken? Verberg het mij niet. Zo mag God met u doen, en nog erger, als ge mij iets verzwijgt van alles wat Hij u heeft gezegd!
18And Samuel told him all the words, and hid nothing from him. And he said: 'It is the LORD; let Him do what seemeth Him good.'
18Toen deelde Samuël hem alles mee, zonder iets achter te houden. Waarop hij antwoordde: Het was Jahweh! Hij moge doen, wat Hem goeddunkt.
19And Samuel grew, and the LORD was with him, and did let none of his words fall to the ground.
19Samuël groeide op, en Jahweh was met hem; niet één van zijn woorden liet Hij onvervuld.
20And all Israel from Dan even to Beer-sheba knew that Samuel was established to be a prophet of the LORD.
20en van Dan tot Beër-Sjéba erkende heel Israël, dat Samuël tot profeet van Jahweh was aangesteld.
21And the LORD appeared again in Shiloh; for the LORD revealed Himself to Samuel in Shiloh by the word of the LORD.
21Nog meerdere malen verscheen Jahweh in Sjilo; want in Sjilo openbaarde Hij Zich aan Samuël door het woord van Jahweh.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.