ΓΕΝΕΣΙΣ 44
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἐνετείλατο ὁ Ἰωσὴφ τῷ ὄντι ἐπὶ τῆς οἰκίας αὐτοῦ λέγων· πλήσατε τοὺς μαρσίππους τῶν ἀνθρώπων βρωμάτων, ὅσα ἐὰν δύνωνται ἆραι, καὶ ἐμβάλετε ἑκάστου τὸ ἀργύριον ἐπὶ τοῦ στόματος τοῦ μαρσίππου
1Daarna gaf hij zijn hofmeester het volgende bevel: Vul de zakken van die mannen met levensmiddelen, zoveel als ze maar kunnen dragen, en leg het geld van ieder boven in zijn zak.
2καὶ τὸ κόνδυ μου τὸ ἀργυροῦν ἐμβάλετε εἰς τὸν μάρσιππον τοῦ νεωτέρου καὶ τὴν τιμὴν τοῦ σίτου αὐτοῦ. ἐγενήθη δὲ κατὰ τὸ ρῆμα Ἰωσήφ, καθὼς εἶπε.
2Maar mijn eigen zilveren beker moet ge boven in de zak van den jongste leggen bij het geld voor zijn koren. Hij deed, wat Josef hem bevolen had.
3τὸ πρωΐ διέφαυσε, καὶ οἱ ἄνθρωποι ἀπεστάλησαν, αὐτοὶ καὶ οἱ ὄνοι αὐτῶν.
3Vroeg in de morgen liet men de mannen met hun ezels vertrekken.
4ἐξελθόντων δὲ αὐτῶν τὴν πόλιν, οὐκ ἀπέσχον μακράν, καὶ Ἰωσὴφ εἶπε τῷ ἐπὶ τῆς οἰκίας αὐτοῦ· ἀναστὰς ἐπιδίωξον ὀπίσω τῶν ἀνθρώπων καὶ καταλήψῃ αὐτοὺς καὶ ἐρεῖς αὐτοῖς· τί ὅτι ἀνταπεδώκατε πονηρὰ ἀντὶ καλῶν; ἱνατί ἐκλέψατέ μου τὸ κόνδυ τὸ ἀργυροῦν;
4Maar zij waren nog niet ver buiten de stad, toen Josef tot zijn hofmeester zeide: Vooruit, jaag die mannen na, en als ge ze ingehaald hebt, zeg hun dan: “Waarom vergeldt ge goed met kwaad?
5οὐ τοῦτό ἐστιν, ἐν ᾧ πίνει ὁ κύριός μου; αὐτὸς δὲ οἰωνισμῷ οἰωνίζεται ἐν αὐτῷ. πονηρὰ συντετελέκατε, ἃ πεποιήκατε.
5Waarom hebt ge de zilveren beker gestolen, en nog wel die, waar mijn heer uit drinkt en waaruit hij de toekomst voorspelt. Ge hebt daar slecht mee gedaan.”
6εὑρὼν δὲ αὐτοὺς εἶπεν αὐτοῖς κατὰ τὰ ρήματα ταῦτα.
6Toen hij hen had ingehaald, sprak hij hen toe, zoals was bevolen.
7οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ· ἱνατί λαλεῖ ὁ κύριος κατὰ τὰ ρήματα ταῦτα; μὴ γένοιτο τοῖς παισί σου ποιῆσαι κατὰ τὸ ρῆμα τοῦτο.
7Zij antwoordden: Hoe kan mijn heer nu zo iets zeggen? Zo iets zouden uw dienaren zeker niet doen.
8εἰ τὸ μὲν ἀργύριον, ὁ εὕρομεν ἐν τοῖς μαρσίπποις ἡμῶν, ἀπεστρέψαμεν πρὸς σὲ ἐκ γῆς Χαναάν, πῶς ἂν κλέψαιμεν ἐκ τοῦ οἴκου τοῦ κυρίου σου ἀργύριον ἢ χρυσίον;
8Zie, het geld, dat wij boven in onze zakken hadden gevonden, hebben we u uit het land Kanaän teruggebracht. Hoe zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw heer durven stelen?
9παρ᾿ ᾧ ἂν εὕρῃς τὸ κόνδυ τῶν παίδων σου, ἀποθνησκέτω· καὶ ἡμεῖς δὲ ἐσόμεθα παῖδες τῷ κυρίῳ ἡμῶν.
9Hij, bij wien de beker gevonden wordt, zal sterven; en de anderen van ons zullen de slaven zijn van uw heer.
10ὁ δὲ εἶπε· καὶ νῦν ὡς λέγετε, οὕτως ἔσται· παρ᾿ ᾧ ἂν εὑρεθῇ τὸ κόνδυ, ἔσται μου παῖς, ὑμεῖς δὲ ἔσεσθε καθαροί.
10Hij zeide toen: Eigenlijk moest het gebeuren, zoals ge zegt. Maar zo zal het wezen: bij wien de beker gevonden wordt, hij zal mijn slaaf zijn; maar de anderen van u gaan vrij uit.
11καὶ ἔσπευσαν καὶ καθεῖλαν ἕκαστος τὸν μάρσιππον αὐτοῦ ἐπὶ τὴν γῆν καὶ ἤνοιξαν ἕκαστος τὸν μάρσιππον αὐτοῦ.
11Toen zette ieder van hen vlug zijn zak op de grond, en maakte hem open.
12ἠρεύνησε δὲ ἀπὸ τοῦ πρεσβυτέρου ἀρξάμενος, ἕως ἦλθεν ἐπὶ τὸν νεώτερον, καὶ εὗρε τὸ κόνδυ ἐν τῷ μαρσίππῳ τοῦ Βενιαμίν.
12Hij begon zijn onderzoek bij den oudste om te eindigen bij den jongste; en de beker werd in de zak van Benjamin gevonden.
13καὶ διέρρηξαν τὰ ἱμάτια αὐτῶν καὶ ἐπέθηκαν ἕκαστος τὸν μάρσιππον αὐτοῦ ἐπί τὸν ὄνον αὐτοῦ, καὶ ἐπέστρεψαν εἰς τὴν πόλιν.
13Nu scheurden zij allen hun kleren, laadden hun zak weer op hun ezels, en keerden terug naar de stad.
14εἰσῆλθε δὲ Ἰούδας καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ πρὸς Ἰωσήφ, ἔτι αὐτοῦ ὄντος ἐκεῖ, καὶ ἔπεσον ἐναντίον αὐτοῦ ἐπὶ τὴν γῆν.
14Zo kwamen Juda en zijn broers aan het huis van Josef, waar deze nog altijd vertoefde, en wierpen zich voor hem op de grond.
15εἶπε δὲ αὐτοῖς Ἰωσήφ· τί τὸ πρᾶγμα τοῦτο ἐποιήσατε; οὐκ οἴδατε ὅτι οἰωνισμῷ οἰωνιεῖται ὁ ἄνθρωπος, οἷος ἐγώ;
15Josef sprak hen aan: Wat hebt ge gedaan; begreept ge dan niet, dat iemand als ik een goed waarzegger is?
16εἶπε δὲ Ἰούδας· τί ἀντεροῦμεν τῷ κυρίῳ, ἢ τί λαλήσομεν, ἢ τί δικαιωθῶμεν; ὁ Θεὸς δὲ εὗρε τὴν ἀδικίαν τῶν παίδων σου. ἰδού ἐσμεν οἰκέται τῷ κυρίῳ ἡμῶν, καὶ ἡμεῖς καὶ παρ᾿ ᾧ εὑρέθη τὸ κόνδυ.
16Juda zeide: Wat zullen we onzen heer antwoorden, wat zullen we zeggen, hoe ons rechtvaardigen? God wreekt de schuld van uw dienaren. Zie, wij zijn de slaven van onzen heer, wij met hem, bij wien de beker is gevonden.
17εἶπε δὲ Ἰωσήφ· μή μοι γένοιτο ποιῆσαι τὸ ρῆμα τοῦτο· ὁ ἄνθρωπος, παρ᾿ ᾧ εὑρέθη τὸ κόνδυ αὐτὸς ἔσται μου παῖς. ὑμεῖς δὲ ἀνάβητε μετὰ σωτηρίας πρὸς τὸν πατέρα ὑμῶν.
17Hij sprak: Ik denk er niet aan, zo iets te doen; alleen de man, bij wien de beker is gevonden, zal mijn slaaf zijn, maar gij kunt in vrede naar uw vader gaan.
18Ἐγγίσας δὲ αὐτῷ Ἰούδας εἶπε· δέομαι, κύριε· λαλησάτω ὁ παῖς σου ρῆμα ἐναντίον σου, καὶ μὴ θυμωθῇς τῷ παιδί σου, ὅτι σὺ εἶ μετὰ Φαραώ.
18Nu trad Juda naar voren, en sprak: Met uw verlof, heer! Laat uw dienaar een enkel woord tot mijn heer mogen spreken, zonder dat gij toornig wordt op uw dienaar; want gij zijt verheven als Farao!
19κύριε, σὺ ἠρώτησας τοὺς παῖδάς σου, λέγων· εἰ ἔχετε πατέρα ἢ ἀδελφόν;
19Mijn heer heeft aan zijn dienaars gevraagd: “Hebt gij nog een vader of een broer?”
20καὶ εἴπαμεν τῷ κυρίῳ· ἔστιν ἡμῖν πατὴρ πρεσβύτερος καὶ παιδίον γήρους νεώτερον αὐτῷ, καὶ ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ ἀπέθανεν, αὐτὸς δὲ μόνος ὑπελείφθη τῇ μητρὶ αὐτοῦ, ὁ δὲ πατὴρ αὐτὸν ἠγάπησεν.
20Wij hebben onzen heer toen geantwoord: “Wij hebben een ouden vader en een jongen broer, die hem op zijn oude dag is geboren. Zijn broer is dood, zijn moeder heeft hem alleen nog over, en hij is de lieveling van zijn vader”.
21εἶπας δὲ τοῖς παισί σου· καταγάγετε αὐτὸν πρός με, καὶ ἐπιμελοῦμαι αὐτοῦ.
21Gij hebt toen tot uw dienaars gezegd: “Brengt hem naar mij toe, opdat ik hem met eigen ogen kan zien”.
22καὶ εἴπαμεν τῷ κυρίῳ· οὐ δυνήσεται τὸ παιδίον καταλιπεῖν τὸν πατέρα αὐτοῦ· ἐὰν δὲ καταλίπῃ τὸν πατέρα, ἀποθανεῖται.
22Wij hebben onzen heer geantwoord: “De jongen kan niet weg van zijn vader; zijn vader zou sterven, als hij hem verliet”.
23σὺ δὲ εἶπας τοῖς παισί σου· ἐὰν μὴ καταβῇ ὁ ἀδελφὸς ὑμῶν ὁ νεώτερος μεθ᾿ ὑμῶν, οὐ προσθήσεσθε ἰδεῖν τὸ πρόσωπόν μου.
23Maar gij hebt toen uw dienaars gedreigd: “Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw jongste broer niet met u mee komt”.
24ἐγένετο δὲ ἡνίκα ἀνέβημεν πρὸς τὸν παῖδά σου πατέρα ἡμῶν, ἀπηγγείλαμεν αὐτῷ τὰ ρήματα τοῦ κυρίου ἡμῶν.
24Nadat wij dus waren teruggekeerd naar onzen vader, uw dienaar, hebben wij hem de woorden van onzen heer meegedeeld.
25εἶπε δὲ ὁ πατὴρ ἡμῶν· βαδίσατε πάλιν καὶ ἀγοράσατε ἡμῖν μικρὰ βρώματα.
25En toen onze vader beval: “Gaat weer wat levensmiddelen voor ons kopen”
26ἡμεῖς δέ εἴπομεν· οὐ δυνησόμεθα καταβῆναι. ἀλλ᾿ εἰ μὲν ὁ ἀδελφὸς ἡμῶν ὁ νεώτερος καταβαίνει μεθ᾿ ἡμῶν, καταβησόμεθα· οὐ γὰρ δυνησόμεθα ἰδεῖν τὸ πρόσωπον τοῦ ἀνθρώπου, τοῦ ἀδελφοῦ ἡμῶν τοῦ νεωτέρου μὴ ὄντος μεθ᾿ ἡμῶν.
26hebben we geantwoord: “Zo kunnen we niet gaan! Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen we vertrekken; want we durven dien man niet meer onder de ogen komen, als onze jongste broeder ons niet vergezelt”.
27εἶπε δὲ ὁ παῖς σου, ὁ πατὴρ ἡμῶν πρὸς ἡμᾶς· ὑμεῖς γινώσκετε ὅτι δύο ἔτεκέ μοι ἡ γυνή·
27Toen sprak mijn vader, uw dienaar, tot ons: “Ge weet, dat mijn vrouw mij maar twee zonen heeft geschonken.
28καὶ ἐξῆλθεν ὁ εἷς ἀπ᾿ ἐμοῦ, καὶ εἴπατε ὅτι θηριόβρωτος γέγονε, καὶ οὐκ εἶδον αὐτὸν ἄχρι νῦν·
28De een is van mij heengegaan; ik denk dat hij verscheurd is, want ik heb hem nooit meer gezien.
29ἐὰν οὖν λάβητε καὶ τοῦτον ἐκ τοῦ προσώπου μου καὶ συμβῇ αὐτῷ μαλακία ἐν τῇ ὁδῷ, καὶ κατάξετέ μου τὸ γῆρας μετὰ λύπης εἰς ᾅδου.
29Als ge nu ook dezen van mij wegneemt, en hem een ongeluk overkomt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen”.
30νῦν οὖν ἐὰν εἰσπορεύωμαι πρὸς τὸν παῖδά σου, πατέρα δὲ ἡμῶν, καὶ τὸ παιδίον μὴ ᾖ μεθ᾿ ἡμῶν, ἡ δὲ ψυχὴ αὐτοῦ ἐκκρέμαται ἐκ τῆς τούτου ψυχῆς,
30Wanneer ik nu dus terugkom bij mijn vader, uw dienaar, en de knaap, aan wien hij met heel zijn ziel hangt, ons niet vergezelt,
31καὶ ἔσται ἐν τῷ ἰδεῖν αὐτὸν μὴ ὂν τὸ παιδίον μεθ᾿ ἡμῶν, τελευτήσει, καὶ κατάξουσιν οἱ παῖδές σου τὸ γῆρας τοῦ παιδός σου, πατρὸς δὲ ἡμῶν, μετὰ λύπης εἰς ᾅδου.
31dan zal hij sterven, als hij ziet, dat de jongen er niet is, en uw dienaars zullen de grijze haren van onzen vader, uw dienaar, met kommer ten grave doen dalen.
32ὁ γὰρ παῖς σου παρὰ τοῦ πατρὸς ἐκδέδεκται τὸ παιδίον λέγων· ἐὰν μὴ ἀγάγω αὐτὸν πρὸς σὲ καὶ στήσω αὐτὸν ἐνώπιόν σου, ἡμαρτηκὼς ἔσομαι εἰς τὸν πατέρα πάσας τάς ἡμέρας.
32Waarachtig, uw dienaar is borg gebleven voor den knaap bij mijn vader, en heeft hem gezegd: “Als ik hem niet bij u terugbreng, blijf ik mijn leven lang schuldig voor mijn vader.”
33νῦν οὖν παραμενῶ σοι παῖς ἀντὶ τοῦ παιδίου, οἰκέτης τοῦ κυρίου· τὸ δὲ παιδίον ἀναβήτω μετὰ τῶν ἀδελφῶν αὐτοῦ.
33Laat dus uw dienaar, in plaats van den jongen, als slaaf van mijn heer achterblijven, maar laat de knaap met zijn broers vertrekken.
34πῶς γὰρ ἀναβήσομαι πρὸς τὸν πατέρα, τοῦ παιδίου μὴ ὄντος μεθ᾿ ἡμῶν; ἵνα μὴ ἴδω τὰ κακά, ἃ εὑρήσει τὸν πατέρα μου.
34Want hoe zou ik naar mijn vader durven terugkeren, als de jongen mij niet vergezelt! Ik zou de smart niet kunnen aanzien, die mijn vader zou treffen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.