ΓΕΝΕΣΙΣ 30
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΙΔΟΥΣΑ δὲ Ραχὴλ ὅτι οὐ τέτοκε τῷ Ἰακώβ, καὶ ἐζήλωσε Ραχὴλ τὴν ἀδελφὴν αὐτῆς καὶ εἶπε τῷ Ἰακώβ· δός μοι τέκνα· εἰ δὲ μή, τελευτήσω ἐγώ.
1Toen Rachel zag, dat zij Jakob geen kinderen schonk, werd zij jaloers op haar zuster, en zei tegen Jakob: Geef mij zonen, anders ga ik dood.
2θυματωθεὶς δὲ Ἰακὼβ τῇ Ραχὴλ εἶπεν αὐτῇ· μὴ ἀντὶ Θεοῦ ἐγώ εἰμι, ὃς ἐστέρησέ σε καρπὸν κοιλίας;
2Toornig gaf Jakob Rachel ten antwoord: Neem ik soms de plaats in van God, die een vrucht aan uw schoot heeft geweigerd?
3εἶπε δὲ Ραχὴλ τῷ Ἰακώβ· ἰδοὺ ἡ παιδίσκη μου Βαλλά· εἴσελθε πρὸς αὐτήν, καὶ τέξεται ἐπὶ τῶν γονάτων μου, καὶ τεκνοποιήσομαι κἀγὼ ἐξ αὐτῆς.
3Nu sprak ze: Hier hebt ge Bilha, mijn slavin; houd gemeenschap met haar, dan kan zij op mijn knieën baren, en ook ik door middel van haar uw geslacht opbouwen.
4καὶ ἔδωκεν αὐτῷ Βαλλὰν τὴν παιδίσκην αὐτῆς αὐτῷ γυναῖκα· καὶ εἰσῆλθε πρὸς αὐτὴν Ἰακώβ.
4Zij gaf hem dus haar slavin Bilha tot vrouw, en Jakob hield gemeenschap met haar.
5καὶ συνέλαβε Βαλλὰ ἡ παιδίσκη Ραχὴλ καὶ ἔτεκε τῷ Ἰακὼβ υἱόν.
5Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.
6καὶ εἶπε Ραχήλ· ἔκρινέ μοι ὁ Θεὸς καὶ ἐπήκουσε τῆς φωνῆς μου καὶ ἔδωκέ μοι υἱόν· διὰ τοῦτο ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Δάν.
6En Rachel sprak: God heeft mij recht gedaan; Hij heeft ook naar mijn smeken geluisterd en mij een zoon geschonken; daarom noemde ze hem Dan.
7καὶ συνέλαβεν ἔτι Βαλλὰ ἡ παιδίσκη Ραχὴλ καὶ ἔτεκεν υἱὸν δεύτερον τῷ Ἰακώβ.
7Weer werd Bilha, de slavin van Rachel, zwanger en baarde Jakob een tweeden zoon.
8καὶ εἶπε Ραχήλ· συναντελάβετό μου ὁ Θεός, καὶ συνανεστράφην τῇ ἀδελφῇ μου καὶ ἠδυνάσθην· καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Νεφθαλείμ.
8Nu sprak Rachel: Een heftige kamp heb ik met mijn zuster gestreden, en ik heb overwonnen. En ze noemde hem Neftali.
9Εἶδε δὲ Λεία ὅτι ἔστη τοῦ τίκτειν, καὶ ἔλαβε Ζελφὰν τὴν παιδίσκην αὐτῆς καὶ ἔδωκεν αὐτὴν τῷ Ἰακὼβ γυναῖκα. καὶ εἰσῆλθε πρὸς αὐτὴν
9Toen Lea zag, dat zij geen kinderen meer kreeg, nam zij Zilpa haar dienstmaagd, en gaf haar aan Jakob tot vrouw.
10καὶ συνέλαβε Ζελφὰ ἡ παιδίσκη Λείας καὶ ἔτεκε τῷ Ἰακὼβ υἱόν.
10Ook Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon.
11καὶ εἶπε Λεία. ἐν τύχῃ· καὶ ἐπωνόμασε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Γάδ.
11En Lea zeide: Wat een weelde! En ze noemde hem Gad.
12καὶ συνέλαβεν ἔτι Ζελφὰ ἡ παιδίσκη Λείας καὶ ἔτεκε τῷ Ἰακὼβ υἱὸν δεύτερον.
12Nog baarde Zilpa, de slavin van Lea, Jakob een zoon.
13καὶ εἶπε Λεία· μακαρία ἐγώ, ὅτι μακαριοῦσί με αἱ γυναῖκες· καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἀσήρ.
13Nu sprak Lea: Wat een geluk! Nu prijzen de vrouwen mij gelukkig. En ze noemde hem Aser.
14Ἐπορεύθη δὲ Ρουβὴν ἐν ἡμέρᾳ θερισμοῦ πυρῶν καὶ εὗρε μῆλα μανδραγορῶν ἐν τῷ ἀγρῷ καὶ ἤνεγκεν αὐτὰ πρὸς Λείαν τὴν μητέρα αὐτοῦ· εἶπε δὲ Ραχὴλ Λείᾳ τῇ ἀδελφῇ αὐτῆς· δός μοι τῶν μανδραγορῶν τοῦ υἱοῦ σου.
14Eens ging Ruben in de tijd van de tarweoogst het veld in, en vond er liefdesappeltjes, die hij naar zijn moeder Lea bracht. Nu vroeg Rachel aan Lea: Geef mij een paar appeltjes van uw zoon.
15εἶπε δὲ Λεία· οὐχ ἱκανόν σοι ὅτι ἔλαβες τὸν ἄνδρα μου; μὴ καὶ τοὺς μανδραγόρας τοῦ υἱοῦ μου λήψῃ; εἶπε δὲ Ραχήλ· οὐχ οὕτως· κοιμηθήτω μετὰ σοῦ τὴν νύκτα ταύτην ἀντὶ τῶν μανδραγορῶν τοῦ υἱοῦ σου.
15Maar zij gaf haar ten antwoord: Is het al niet genoeg, dat ge mij mijn man hebt ontstolen; wilt ge me nu ook nog de appeltjes van mijn zoon ontroven? Rachel zeide: Dan mag hij vannacht bij u slapen, in ruil voor de appeltjes van uw zoon.
16εἰσῆλθε δὲ Ἰακὼβ ἐξ ἀγροῦ ἑσπέρας, καὶ ἐξῆλθε Λεία εἰς συνάντησιν αὐτῷ καὶ εἶπε· πρὸς ἐμὲ εἰσελεύσῃ σήμερον· μεμίσθωμαι γάρ σε ἀντὶ τῶν μανδραγορῶν τοῦ υἱοῦ μου. καὶ ἐκοιμήθη μετ᾿ αὐτῆς τὴν νύκτα ἐκείνην.
16Toen Jakob dus in de avond van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en sprak: Bij mij moet ge komen; want ik heb er eerlijk voor betaald met de appeltjes van mijn zoon. Die nacht sliep hij dus bij haar.
17καὶ ἐπήκουσεν ὁ Θεὸς Λείας, καὶ συλλαβοῦσα ἔτεκε τῷ Ἰακὼβ υἱὸν πέμπτον.
17En God verhoorde Lea: zij werd zwanger, en baarde Jakob een vijfden zoon.
18καὶ εἶπε Λεία· δέδωκέ μοι ὁ Θεὸς τὸν μισθόν μου, ἀνθ᾿ οὗ ἔδωκα τὴν παιδίσκην μου τῷ ἀνδρί μου· καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἰσσάχαρ, ὅ ἐστι μισθός.
18En Lea sprak: God heeft mij er voor beloond, dat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven. En zij noemde hem Issakar.
19καὶ συνέλαβεν ἔτι Λεία καὶ ἔτεκεν υἱὸν ἕκτον τῷ Ἰακώβ.
19Wederom werd Lea zwanger, en baarde Jakob een zesden zoon.
20καὶ εἶπε Λεία· δεδώρηται ὁ Θεός μοι δῶρον καλὸν ἐν τῷ νῦν καιρῷ· αἱρετιεῖ με ὁ ἀνήρ μου, τέτοκα γὰρ αὐτῷ υἱοὺς ἕξ· καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ζαβουλών.
20Nu sprak Lea: God heeft mij een mooi geschenk gegeven; nu zal mijn man wel bij me blijven, want ik heb hem zes zonen gebaard. En ze noemde hem Zabulon.
21καὶ μετὰ τοῦτο ἔτεκε θυγατέρα καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτῆς Δείνα.
21Daarna baarde ze nog een dochter, die ze Dina noemde.
22Ἐμνήσθη δὲ ὁ Θεὸς τῆς Ραχήλ, καὶ ἐπήκουσεν αὐτῆς ὁ Θεὸς καὶ ἀνέῳξεν αὐτῆς τὴν μήτραν,
22Nu gedacht God ook Rachel; Hij verhoorde haar, en opende haar schoot.
23καὶ συλλαβοῦσα ἔτεκε τῷ Ἰακὼβ υἱόν. εἶπε δὲ Ραχήλ· ἀφεῖλεν ὁ Θεός μου τὸ ὄνειδος·
23Ook zij werd zwanger, en baarde een zoon. Nu zeide ze: God heeft mijn schande weggenomen.
24καὶ ἐκάλεσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἰωσὴφ λέγουσα· προσθέτω ὁ Θεός μοι υἱὸν ἕτερον.
24Zij noemde hem Josef; want ze sprak: Jahweh geve me nog een anderen zoon.
25Ἐγένετο δὲ ὡς ἔτεκε Ραχὴλ τὸν Ἰωσήφ, εἶπεν Ἰακὼβ τῷ Λάβαν· ἀπόστειλόν με, ἵνα ἀπέλθω εἰς τὸν τόπον μου καὶ εἰς τὴν γῆν μου.
25Toen Rachel dan Josef had gebaard, zei Jakob tot Laban: Laat mij nu heengaan, en naar mijn stad en vaderland trekken.
26ἀπόδος τὰς γυναῖκάς μου καὶ τὰ παιδία μου, περὶ ὧν δεδούλευκά σοι, ἵνα ἀπέλθω· σὺ γὰρ γινώσκεις τὴν δουλείαν, ἣν δεδούλευκά σοι.
26Geef mij mijn vrouwen en kinderen, voor wie ik u heb gediend; dan kan ik vertrekken. Want ge weet, hoe ik voor u heb gezwoegd.
27εἶπε δὲ αὐτῷ Λάβαν· εἰ εὗρον χάριν ἐναντίον σου, οἰωνισάμην ἄν· εὐλόγησε γάρ με ὁ Θεὸς ἐπὶ τῇ σῇ εἰσόδῳ.
27Maar Laban zeide hem: Laat mij genade vinden in uw ogen; want ik heb de tekens waargenomen, dat Jahweh mij om uwentwille heeft gezegend.
28διάστειλον τὸν μισθόν σου πρός με, καὶ δώσω.
28En hij ging voort: Bepaal zelf het loon, dat ge van mij wilt hebben, en ik zal het u geven.
29εἶπε δὲ Ἰακώβ· σὺ γινώσκεις ἃ δεδούλευκά σοι καὶ ὅσα ἦν κτήνη σου μετ᾿ ἐμοῦ·
29Hij gaf hem ten antwoord: Gij weet, hoe ik u heb gediend, en hoe het onder mijn hoede met uw kudde is gegaan.
30μικρὰ γὰρ ἦν ὅσα σοι ἐναντίον ἐμοῦ, καὶ ηὐξήθη εἰς πλῆθος, καὶ εὐλόγησέ σε Κύριος ὁ Θεὸς ἐπὶ τῷ ποδί μου. νῦν οὖν πότε ποιήσω κἀγὼ ἐμαυτῷ οἶκον;
30Want vóór mijn komst was uw bezit slechts gering, maar sedert dien is het geweldig vermeerderd; Jahweh heeft u gezegend bij iedere stap, die ik zette. Wanneer zal ik nu eindelijk eens voor mijn eigen gezin kunnen zorgen?
31καὶ εἶπεν αὐτῷ Λάβαν· τί σοι δώσω; εἶπε δὲ αὐτῷ Ἰακώβ· οὐ δώσεις μοι οὐδέν· ἐὰν ποιήσῃς μοι τὸ ρῆμα τοῦτο, πάλιν ποιμανῶ τὰ πρόβατά σου καὶ φυλάξω.
31zeide: Wat moet ik u geven? Jakob antwoordde: Ge behoeft me eigenlijk helemaal niets te geven; als ge het volgende voorstel aanvaardt, zal ik opnieuw uw kudde weiden en hoeden.
32παρελθέτω πάντα τὰ πρόβατά σου σήμερον, καὶ διαχώρισον ἐκεῖθεν πᾶν πρόβατον φαιὸν ἐν τοῖς ἄρνασι καὶ πᾶν διάλευκον καὶ ραντὸν ἐν ταῖς αἰξίν· ἔσται μοι μισθός.
32Ik zal vandaag uw hele kudde langs gaan, om alle gevlekte en gespikkelde geiten en alle zwarte schapen af te zonderen. Alle gespikkelde en gevlekte geiten en alle zwarte schapen zullen mijn loon zijn.
33καὶ ἐπακούσεταί μοι ἡ δικαιοσύνη μου ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἐπαύριον, ὅτι ἐστὶν ὁ μισθός μου ἐνώπιόν σου· πᾶν, ὃ ἐὰν μὴ ᾖ ραντὸν καὶ διάλευκον ἐν ταῖς αἰξὶ καὶ φαιὸν ἐν τοῖς ἄρνασι, κεκλεμμένον ἔσται παρ᾿ ἐμοί.
33In mijn eerlijkheid leg ik voor later deze getuigenis af: Wanneer gij mijn loon zult komen bezien, zal alles, wat niet gevlekt en gespikkeld is onder de geiten en zwart onder de schapen, als door mij gestolen gelden.
34εἶπε δὲ αὐτῷ Λάβαν· ἔστω κατὰ τὸ ρῆμά σου.
34Laban ging er op in: Goed, laat het zijn, zoals ge gezegd hebt.
35καὶ διέστειλεν ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ τοὺς τράγους τοὺς ραντοὺς καὶ τοὺς διαλεύκους καὶ πάσας τὰς αἶγας τὰς ραντὰς καὶ τὰς διαλεύκους καὶ πᾶν, ὃ ἦν φαιὸν ἐν τοῖς ἄρνασι, καὶ πᾶν ὃ ἦν λευκὸν ἐν αὐτοῖς, καὶ ἔδωκε διὰ χειρὸς τῶν υἱῶν αὐτοῦ.
35Nog diezelfde dag zonderde Laban de gestreepte en gespikkelde bokken met alle gevlekte en gespikkelde geiten af, alles, waar maar iets wits aan was, en eveneens alle zwarte schapen, en liet ze door zijn zonen hoeden.
36καὶ ἀπέστησεν ὁδὸν τριῶν ἡμερῶν ἀνὰ μέσον αὐτῶν καὶ ἀνὰ μέσον Ἰακώβ. Ἰακὼβ δὲ ἐποίμανε τὰ πρόβατα Λάβαν τὰ ὑπολειφθέντα.
36Hij stelde een afstand van drie dagmarsen tussen hen en Jakob, die de overige kudde van Laban hoedde.
37ἔλαβε δὲ ἑαυτῷ Ἰακὼβ ράβδον στυρακίνην χλωρὰν καὶ καρυΐνην καὶ πλατάνου, καὶ ἐλέπισεν αὐτὰς Ἰακὼβ λεπίσματα λευκὰ περισύρων τὸ χλωρόν· ἐφαίνετο δὲ ἐπὶ ταῖς ράβδοις τὸ λευκόν, ὃ ἐλέπισε, ποικίλον.
37Maar nu nam Jakob jonge takken van gomboom, amandel en plataan, en schilde ze zo, dat het spint van de stokken in witte strepen bloot kwam te liggen.
38καὶ παρέθηκε τὰς ράβδους, ἃς ἐλέπισεν ἐν τοῖς ληνοῖς τῶν ποτιστηρίων τοῦ ὕδατος, ἵνα ὡς ἂν ἔλθωσι τὰ πρόβατα πιεῖν ἐνώπιον τῶν ράβδων, ἐλθόντων αὐτῶν πιεῖν, ἐγκισσήσωσι τὰ πρόβατα εἰς τὰς ράβδους·
38Toen legde hij de stokken, die hij aldus van hun schors had ontdaan, vlak voor de geiten in de drinkbakken en waterbekkens, waaruit het vee kwam drinken. En als het vee dan bronstig werd, wanneer het kwam drinken,
39καὶ ἐνεκίσσων τὰ πρόβατα εἰς τὰς ράβδους καὶ ἔτικτον τὰ πρόβατα διάλευκα καὶ ποικίλα καὶ σποδοειδῆ ραντά.
39besprong het elkaar bij de stokken, en wierp dus gestreepte, gevlekte en gespikkelde lammeren,
40τοὺς δὲ ἀμνοὺς διέστειλεν Ἰακὼβ καὶ ἔστησεν ἐναντίον τῶν προβάτων κριὸν διάλευκον καὶ πᾶν ποικίλον ἐν τοῖς ἀμνοῖς· καὶ διεχώρισεν ἑαυτῷ ποίμνια καθ᾿ ἑαυτὸν καὶ οὐκ ἔμιξεν αὐτὰ εἰς τὰ πρόβατα Λάβαν.
40die door Jakob werden afgezonderd. Maar de schapen keerde hij met de koppen naar alle gevlekte en zwarte schapen van de kudde van Laban. Zo vormde hij een afzonderlijke kudde, die hij niet bij de kudde van Laban liet komen.
41ἐγένετο δὲ ἐν τῷ καιρῷ, ᾧ ἐνεκίσσων τὰ πρόβατα ἐν γαστρὶ λαμβάνοντα, ἔθηκεν Ἰακὼβ τὰς ράβδους ἐναντίον τῶν προβάτων ἐν τοῖς ληνοῖς τοῦ ἐγκισσῆσαι αὐτὰ κατὰ τὰς ράβδους·
41Wanneer nu de sterke beesten bronstig waren, legde Jakob de stokken voor de kudde in de drinkbakken, zodat ze elkander bij de stokken besprongen.
42ἡνίκα δ᾿ ἂν ἔτεκε τὰ πρόβατα, οὐκ ἐτίθει· ἐγένετο δὲ τὰ μὲν ἄσημα τοῦ Λάβαν, τά δὲ ἐπίσημα τοῦ Ἰακώβ.
42Maar bij de zwakke dieren deed hij dat niet. Op die manier kreeg Laban de zwakke dieren en Jakob de sterke.
43καὶ ἐπλούτισεν ὁ ἄνθρωπος σφόδρα σφόδρα, καὶ ἐγένετο αὐτῷ κτήνη πολλὰ καὶ βόες καὶ παῖδες, καὶ παιδίσκαι καὶ κάμηλοι καὶ ὄνοι.
43Zo werd die man buitengewoon rijk, en kreeg hij talrijke kudden, slavinnen en slaven, kamelen en ezels.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.