ΑΜΩΣ
Chapter 9

ΑΜΩΣ

Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΕΙΔΟΝ τὸν Κύριον ἐφεστῶτα ἐπὶ τοῦ θυσιαστηρίου, καὶ εἶπε· πάταξον ἐπὶ τὸ ἱλαστήριον καὶ σεισθήσεται τὰ πρόπυλα καὶ διάκοψον εἰς κεφαλὰς πάντων· καὶ τοὺς καταλοίπους αὐτῶν ἐν ρομφαίᾳ ἀποκτενῶ, οὐ μὴ διαφύγῃ ἐξ αὐτῶν φεύγων, καὶ οὐ μὴ διασωθῇ ἐξ αὐτῶν ἀνασωζόμενος.
1Eens schouwde ik Jahweh, staande naast het altaar. En Hij sprak: Sla het altaarblad, Zodat de voetstukken dreunen; Sla ze te pletter op alle hoofden: Wie nog overblijft, dood Ik met het zwaard. Niemand van hen zal ontvluchten, Niemand hunner ontkomen.
2ἐὰν κατακρυβῶσιν εἰς ᾅδου, ἐκεῖθεν ἡ χείρ μου ἀνασπάσει αὐτούς· καὶ ἐὰν ἀναβῶσιν εἰς τὸν οὐρανόν, ἐκεῖθεν κατάξω αὐτούς·
2Al dringen ze door in het dodenrijk, Mijn hand haalt ze terug; Al stijgen ze op naar de hemel, Ik smijt ze omlaag;
3ἐὰν ἐγκατακρυβῶσιν εἰς τὴν κορυφὴν τοῦ Καρμήλου, ἐκεῖθεν ἐξερευνήσω καὶ λήψομαι αὐτούς· καὶ ἐὰν καταδύσωσιν ἐξ ὀφθαλμῶν μου εἰς τὰ βάθη τῆς θαλάσσης, ἐκεῖ ἐντελοῦμαι τῷ δράκοντι καὶ δήξεται αὐτούς·
3Al verbergen ze zich op de top van de Karmel, Ik spoor ze op, en sleur ze weg. Al verschuilen ze zich voor mijn ogen op de bodem der zee, Ik gebied daar de Draak, ze te bijten;
4καὶ ἐὰν πορευθῶσιν ἐν αἰχμαλωσίᾳ πρὸ προσώπου τῶν ἐχθρῶν αὐτῶν, ἐκεῖ ἐντελοῦμαι τῇ ρομφαίᾳ καὶ ἀποκτενεῖ αὐτούς. καὶ στηριῶ τοὺς ὀφθαλμούς μου ἐπ᾿ αὐτοὺς εἰς κακὰ καὶ οὐκ εἰς ἀγαθά.
4Al gaan ze in ballingschap, voor hun vijanden uit, Ik beveel daar het zwaard, ze te moorden. Ik blijf mijn oog op hen richten, Voor rampspoed en niet voor hun heil.
5καὶ Κύριος Κύριος ὁ Θεὸς ὁ παντοκράτωρ, ὁ ἐφαπτόμενος τῆς γῆς καὶ σαλεύων αὐτήν, καὶ πενθήσουσι πάντες οἱ κατοικοῦντες αὐτήν, καὶ ἀναβήσεται ὡς ποταμὸς συντέλεια αὐτῆς καὶ καταβήσεται ὡς ποταμὸς Αἰγύπτου·
5Het is de Heer, Jahweh der heirscharen! Hij raakt de aarde aan en ze trilt, In rouw wordt gedompeld die er op woont; Van alle kant rijst ze omhoog als de Nijl, Zinkt weg als de stroom van Egypte.
6ὁ οἰκοδομῶν εἰς τὸν οὐρανὸν ἀνάβασιν αὐτοῦ καὶ τὴν ἐπαγγελίαν αὐτοῦ ἐπὶ τῆς γῆς θεμελιῶν, ὁ προσκαλούμενος τὸ ὕδωρ τῆς θαλάσσης καὶ ἐκχέων αὐτὸ ἐπὶ πρόσωπον τῆς γῆς· Κύριος ὁ Θεὸς ὁ παντοκράτωρ ὄνομα αὐτῷ.
6In de hemel bouwt Hij zijn opperzaal, En grondt zijn gewelf op de aarde; Hij roept de wateren van de zee, En stort ze over de aarde uit: Jahweh is zijn Naam!
7οὐχ ὡς υἱοὶ Αἰθιόπων ὑμεῖς ἐστε ἐμοί, υἱοὶ Ἰσραήλ; λέγει Κύριος. οὐ τὸν Ἰσραὴλ ἀνήγαγον ἐκ γῆς Αἰγύπτου καὶ τοὺς ἀλλοφύλους ἐκ Καππαδοκίας καὶ τοὺς Σύρους ἐκ βόθρου;
7Zijt ge voor Mij niet als de zonen van Koesj, Kinderen van Israël: Is de godsspraak van Jahweh! Zeker, Ik heb Israël uit Egypte geleid, Maar ook de Filistijnen uit Kaftor, De Arameërs uit Kir!
8Ἰδοὺ οἱ ὀφθαλμοὶ Κυρίου τοῦ Θεοῦ ἐπὶ τὴν βασιλείαν τῶν ἁμαρτωλῶν καὶ ἐξαρῶ αὐτὴν ἀπὸ προσώπου τῆς γῆς· πλὴν ὅτι οὐκ εἰς τέλος ἐξαρῶ τὸν οἶκον Ἰακώβ, λέγει Κύριος.
8Zie, de ogen van Jahweh, den Heer, Zijn op dit zondige rijk gericht: Ik zal het van de aarde verdelgen! Toch zal Ik niet geheel en al Het huis van Jakob vernielen: Is de godsspraak van Jahweh!
9διότι ἰδοὺ ἐγὼ ἐντέλλομαι καὶ λικμήσω ἐν πᾶσι τοῖς ἔθνεσι τὸν οἶκον Ἰσραήλ, ὃν τρόπον λικμᾶται ἐν τῷ λικμῷ καὶ οὐ μὴ πέσῃ σύντριμμα ἐπὶ τὴν γῆν.
9Want zie, Ik heb bevel gegeven, Om Israëls huis onder alle volken te schudden, Zoals men schudt met een zeef, Zodat niet alles ter aarde stort.
10ἐν ρομφαίᾳ τελευτήσουσι πάντες ἁμαρτωλοὶ λαοῦ μου οἱ λέγοντες· οὐ μὴ ἐγγίσῃ οὐδ᾿ οὐ μὴ γένηται ἐφ᾿ ἡμᾶς τὰ κακά.
10Maar de zondaars van mijn volk zullen sterven door het zwaard, Allen die zeggen: Het onheil zal òns niet genaken, niet treffen!
11ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἀναστήσω τὴν σκηνὴν Δαυὶδ τὴν πεπτωκυῖαν καὶ ἀνοικοδομήσω τὰ πεπτωκότα αὐτῆς καὶ τὰ κατεσκαμμένα αὐτῆς ἀναστήσω καὶ ἀνοικοδομήσω αὐτὴν καθὼς αἱ ἡμέραι τοῦ αἰῶνος,
11Op die dag richt Ik de vervallen hut van David weer op, Dicht haar scheuren, herstel haar puinen, En bouw ze op als in vroeger tijd;
12ὅπως ἐκζητήσωσιν οἱ κατάλοιποι τῶν ἀνθρώπων καὶ πάντα τὰ ἔθνη, ἐφ᾿ οὓς ἐπικέκληται τὸ ὄνομά μου ἐπ᾿ αὐτούς, λέγει Κύριος ὁ Θεὸς ὁ ποιῶν πάντα ταῦτα.
12Opdat zij in bezit zullen nemen wat van Edom is overgebleven, En alle volken, waarover mijn Naam is uitgeroepen: Is de godsspraak van Jahweh, die het ook vervult.
13ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, λέγει Κύριος, καὶ καταλήψεται ὁ ἀμητὸς τὸν τρυγητόν, καὶ περκάσει ἡ σταφυλὴ ἐν τῷ σπόρῳ, καὶ ἀποσταλάξει τὰ ὄρη γλυκασμόν, καὶ πάντες οἱ βουνοὶ σύμφυτοι ἔσονται·
13Zie, de dagen gaan komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat de ploeger terstond wordt gevolgd door den maaier, De druivenperser door den zaaier; Dat de bergen druipen van most, En de heuvels er allen van smelten!
14καὶ ἐπιστρέψω τὴν αἰχμαλωσίαν τοῦ λαοῦ μου Ἰσραήλ, καὶ οἰκοδομήσουσι πόλεις τὰς ἠφανισμένας καὶ κατοικήσουσι καὶ φυτεύσουσιν ἀμπελῶνας καὶ πίονται τὸν οἶνον αὐτῶν καὶ ποιήσουσι κήπους καὶ φάγονται τὸν καρπὸν αὐτῶν·
14Dan zal Ik het lot van Israël, mijn volk, ten beste keren: Ze zullen de verwoeste steden herbouwen, en daarin wonen, Wijngaarden planten, en de wijn ervan drinken, Tuinen aanleggen, en de vrucht ervan eten;
15καὶ καταφυτεύσω αὐτοὺς ἐπὶ τῆς γῆς αὐτῶν καὶ οὐ μὴ ἐκσπασθῶσιν οὐκέτι ἀπὸ τῆς γῆς, ἧς ἔδωκα αὐτοῖς, λέγει Κύριος ὁ Θεὸς ὁ παντοκράτωρ.
15Ik zal ze planten op hun bodem, En nooit meer worden ze uitgerukt Van de grond, die Ik hun gaf, Spreekt Jahweh, uw God!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.