何西阿书 11
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1以色列 年幼的时候,我爱他, 就从 埃及 召出我的儿子来。
1Toen Israël een kind was, had Ik het lief, Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.
2先知越发招呼他们, 他们越发走开, 向诸 巴力 献祭, 给雕刻的偶像烧香。
2Maar nauwelijks had Ik ze geroepen, of ze liepen van Mij heen, Offerden aan Báals, brandden wierook voor beelden!
3我原教导 以法莲 行走, 用膀臂抱着他们, 他们却不知道是我医治他们。
3Ik was het, die Efraïm leerde lopen, En hem op mijn arm heb gedragen; Maar zij erkenden niet, Dat Ik ze verpleegde.
4我用慈绳爱索牵引他们; 我待他们如人放松 牛的 两腮夹板, 把粮食放在他们面前。
4Ik bond ze aan Mij met mensen-banden En koorden der liefde; Ik drukte ze aan mijn wang als een min, Boog Mij over hen heen, om ze te voeden.
5他们必不归回 埃及 地, 亚述 人却要作他们的王, 因他们不肯归向 我 。
5Maar nu moet hij terug naar Egypte, Assjoer zal zijn koning zijn, omdat ze niet willen bekeren;
6刀剑必临到他们的城邑, 毁坏门闩,把人吞灭, 都因他们 随从 自己的计谋。
6Het zwaard zal in zijn steden woeden, En zijn zonen verslinden. Hun vestingen worden verteerd,
7我的民偏要背道离开我; 众先知虽然招呼他们归向至上的 主 , 却无人尊崇 主 。
7Mijn volk wordt aan zijn woningen opgehangen, En niemand, die opgaat naar zijn steden, Haalt hen er af.
8以法莲 哪,我怎能舍弃你? 以色列 啊,我怎能弃绝你? 我怎能使你如 押玛 ? 怎能使你如 洗扁 ? 我回心转意, 我的怜爱大大发动。
8Efraïm, hoe kon Ik toch zo met u doen, U overleveren, Israël; Hoe heb Ik u aan Adma gelijk kunnen maken, Als met Seboïm met u gehandeld? Eens zal mijn hart zich vertederen, Eens mijn ontferming worden gewekt!
9我必不发猛烈的怒气, 也不再毁灭 以法莲 。 因我是 神,并非世人, 是你们中间的圣者; 我必不在怒中临到你们。
9Neen, Ik zal mijn laaiende gramschap niet koelen, Efraïm niet opnieuw vernielen! Want Ik ben God, En geen mens! Ik ben de Heilige in uw midden, Die uw vernieling niet wil!
10耶和华必如狮子吼叫, 子民必跟随他。 他一吼叫, 他们就从西方急速而来。
10Dan zullen zij Jahweh willen volgen, En als een leeuw zal Hij brullen! Maar wanneer Hij dan brult, Snellen de kinderen toe uit het westen!
11他们必如雀鸟从 埃及 急速而来, 又如鸽子从 亚述 地来到。 我必使他们住自己的房屋。 这是耶和华说的。
11Als vogels snellen zij toe uit Egypte, Uit het land van Assjoer als duiven; Dan breng Ik ze naar hun woonsteden terug: Is de godsspraak van Jahweh!
12以法莲 用谎话, 以色列 家用诡计围绕我; 犹大 却靠 神掌权, 向圣者有忠心。
12Efraïm heeft Mij met leugens omringd, Het huis van Israël met bedrog; Ook Juda liegt altijd tegen zijn God, Tegen den Heilige, den Waarachtige!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.