Psalmen
Chapter 30
Petrus Canisius Bible, 1…
Compare
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Testamenta Marra (Dieri New Testament) has no text for this chapter yet.

Een psalm. Een lied der tempelwijding. Van David. Ik wil U prijzen, o Jahweh; want Gij trokt mij omhoog, Opdat mijn vijanden niet over mij juichen.

2Ik riep tot U: “O Jahweh, mijn God!” En Gij hebt mij genezen, o Jahweh!

3Gij trokt mij uit het dodenrijk op, Ten leven uit het midden van die in het graf zijn gezonken.

4Jahweh’s vromen, zingt Hem een lied, En verheerlijkt zijn heilige Naam:

5Want zijn toorn duurt maar een ogenblik, Zijn goedheid levenslang; ‘s Avonds komt er geween, Maar ‘s morgens is er weer vreugd.

6In zelfgenoegzaamheid had ik gezegd: “Nooit zal ik wankelen!”

7Neen, Jahweh, door uw goedheid alleen Hadt Gij kracht verleend aan mijn geest; Maar nauwelijks hadt Gij uw aanschijn verborgen, Of plotseling zonk ik ineen!

8Jahweh, toen riep ik U aan, En ik bad tot mijn Heer:

9“Wat kan mijn verstomming U baten, En dat ik zink in het graf; Kan het stof U soms loven, En uw trouw nog verkonden?”

10En Jahweh heeft het gehoord, en Zich mijner ontfermd; Jahweh heeft mij geholpen.

11Gij hebt mijn gejammer in een reidans veranderd, Mijn rouwkleed verscheurd, met vreugd mij omgord:

12Opdat mijn geest U zou prijzen, en nooit meer zou zwijgen, U eeuwig zou loven, o Jahweh, mijn God!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.