Psalmen 126
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Hebrew Old Testament, word by word (STEPBible TAHOT)
no verse 0 in this text
שִׁ֗יר הַֽמַּ֫עֲל֥וֹת
1Een bedevaartslied. Toen Jahweh Sion uit de ballingschap bracht, Was het ons als een droom;
1בְּשׁ֣וּב יְ֭הוָה אֶת־שִׁיבַ֣ת צִיּ֑וֹן הָ֝יִ֗ינוּ כְּחֹלְמִֽים׃
2Toen werd onze mond met lachen gevuld, Onze tong met gejubel. Toen zei men onder de volken: “Jahweh heeft hun grote dingen gedaan!”
2אָ֤ז יִמָּלֵ֪א שְׂח֡וֹק פִּינוּ֮ וּלְשׁוֹנֵ֪נוּ רִ֫נָּ֥ה אָ֭ז יֹאמְר֣וּ בַגּוֹיִ֑ם הִגְדִּ֥יל יְ֝הוָ֗ה לַעֲשׂ֥וֹת עִם־אֵֽלֶּה׃
3Ja, grote dingen heeft Jahweh ons gedaan; En daarom zijn wij verheugd!
3הִגְדִּ֣יל יְ֭הוָה לַעֲשׂ֥וֹת עִמָּ֗נוּ הָיִ֥ינוּ שְׂמֵחִֽים׃
4Ach Jahweh, wend ons lot weer ten beste, Als voor de dorre greppels van Négeb:
4שׁוּבָ֣ה יְ֭הוָה אֶת־שְׁבִיתֵ֑נוּ כַּאֲפִיקִ֥ים בַּנֶּֽגֶב׃
5Die nu zaaien met tranen, Laat ze maaien met jubel!
5הַזֹּרְעִ֥ים בְּדִמְעָ֗ה בְּרִנָּ֥ה יִקְצֹֽרוּ׃
6Met geween trekt men op, Om het zaad uit te strooien: Maar met gejuich keert men terug, Met schoven beladen!
6הָ֘ל֤וֹךְ יֵלֵ֨ךְ׀ וּבָכֹה֮ נֹשֵׂ֪א מֶֽשֶׁךְ־הַ֫זָּ֥רַע בֹּֽ֬א־יָב֥וֹא בְרִנָּ֑ה נֹ֝שֵׂ֗א אֲלֻמֹּתָֽיו׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.