Filippenzen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Ten slotte: Verheugt u in den Heer, mijn broeders! U nog eens hetzelfde te schrijven, is voor mij geen last en u geeft het zekerheid.
1A PIL eu ri ai kan, komail en perenki Kaun o! I kin intin won komail jon ta ieu anjau karoj, ari jo, i me i jota injenjuedeki, pwe a kin kakelaile kin komail.
2Opgepast voor de honden, opgepast voor de slechte werkers, opgepast voor de versnijding.
2Kalaka kidi kan! Kalaka toun dodok jued akan! Kalaka jon en jirkomjaij jued!
3De besnijdenis immers zijn wij; wij die God dienen door zijn Geest, wij die op Christus Jesus roemen en geen vertrouwen stellen op het vlees.
3Pwe kitail, me kaudok on Kot ki nen o juaiki Krijtuj Iejuj, o jo kaporoporeki uduk, me jirkomjaij.
4Zeker, ik zelf zou op het vlees kunnen vertrouwen; en zo iemand meent, zijn vertrouwen te kunnen stellen op het vlees, ik kan het nog meer.
4Ari jo, men juaiki uduk pil, mi re i. O ma amen kin lamelame, me a kak juaiki uduk, a nai kak laud jan.
5Op de achtste dag ben ik besneden; ik ben uit Israëls geslacht, uit de stam van Bénjamin, Hebreër uit de Hebreën; wat de Wet betreft een Farizeër,
5Pwe nai jirkomjaijelar ni auel en ran, nai kijan men Ijrael o kainok en Peniamin, o men Ipru amen me tapi jan men Ipru, a nin tiak en kapun Parijar amen.
6wat ijver betreft een vervolger der Kerk, wat wettelijke gerechtigheid betreft een heilige.
6A nai nantion mepukat lao lel on kaloke momodijou kan, o ni ai kapwaiada tiak en kapun, nai me pun melel.
7Maar wat winst voor mij was, heb ik schade geacht om Christus’ wil.
7A me pai on ia, i mamaleki pweki Krijtuj.
8Ja, alles houd ik voor schade, omdat de kennis van Christus Jesus, mijn Heer, alles te boven gaat. Om Hem heb ik alles prijsgegeven en heb het als vuilnis geacht, om Christus te winnen
8lei melel, i mamaleki meakaroj pwe meid kajampwal on dedoki Krijtuj Iejuj ai Kaun, i me i muei jan karoj o wia pwel kilar, pwe i en anekila Krijtuj.
9en één met Hem te zijn. Mijn gerechtigheid heb ik niet uit de Wet, maar door het geloof in Christus; de gerechtigheid, voortkomend uit God en berustend op het geloof.
9O i en kadiarokada re a, me jota pein ai pun, me pwili jan kapun, a me pwili jan pojon Krijtuj, iei pun, me Kot kotin wadok on pojon.
10Zó wilde ik Hem leren kennen, de kracht ook zijner Verrijzenis en de gemeenschap met zijn Lijden; zó wilde ik gelijkvormig worden aan zijn Dood,
10Pwe i en dedeki i o manaman en a iajadar, o ai warok ki on kalokolok pwe i en duela a matala.
11om eenmaal te kunnen komen tot de opstanding uit de doden.
11Pwe i en konodi maureda jan ren me melar akan.
12Zeker, ik heb het nog niet bereikt, en nog ben ik niet volmaakt; maar ik jaag het na, om het te grijpen, omdat ik ook zelf ben gegrepen door Christus Jesus.
12Kaidin likamata i konodier de nai unjokelar; a i kin dadaurata, pwe i en konodi murin Krijtuj Iejuj kotin kono ia dier.
13Neen broeders, ik beeld me niet in, het reeds te hebben bereikt. Maar wel dit éne: Ik vergeet wat achter me ligt; ik reikhals naar wat vóór me ligt;
13Ri ai kan i jota lamelame, me i konodier,
14het doel jaag ik na, om de prijs te behalen van Gods hemelse roeping in Christus Jesus.
14A iet eu, me i kin wiada: I likidmaliela men likin jakeri ap inon ion meakan, me mi moa, o i kilekilan ap tan won kilel o, me mi moa, iei katin, me Kot kotin kileledi on ia ren Krijtuj Iejuj.
15Zó moeten we allen denken, als we volmaakt willen zijn. Mocht gij dan op een of ander punt van een ander gevoelen zijn, dan zal God het u wel duidelijk maken.
15Ari karoj me unjokelar, en lamelame due met. A ma komail wuki jan meakot ni lamalam, Kot pan kotin kadiarok on komail.
16Maar in ieder geval moeten we blijven, waar we gekomen zijn!
16A me kitail konotier, kitail en inenki wei eta ni lip ota.
17Broeders, volgt mij na, en richt u naar hen, die zich naar ons voorbeeld gedragen.
17Ri ai kan idauen ia do, o ale jan me kin kekeid wei duen me komail kilaner re at.
18Want zoals ik het u zo vaak heb gezegd, en het ook thans onder tranen herhaal: Velen leven als vijanden van Christus’ Kruis;
18Pwe pan pak toto i indan komail er duen me toto, me kin kekeid wei, a met i indan komail ki janejan, me irail imwintiti pan lopu en Krijtuj,
19hun einde is de ondergang, hun god is de buik, hun eer ligt in hun schande, hun zinnen zijn op het aardse gericht.
19Me pan lokidokila ni imwi ’rail, me wia aniki kaped arail, me ar wau pan joredi, me kin paieki dipijou en jappa.
20Maar òns Vaderland is in de hemel. Vandaar verwachten we den Verlosser, Jesus Christus, den Heer;
20A deu atail mi nanlan, waja me je kin auiaui Kaun Iejuj Krijtuj atail Jaunkamaur pan pwarado jan ia.
21Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen, aan zijn verheerlijkt Lichaam gelijk, door de kracht, waarmee Hij alles aan Zich onderwerpen kan.
21Me pan kotin kalinanada war atail pwel, pwen raj on war a linan ki manaman, me a pan kotin kaloe kidi meakan karoj.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.