Numeri
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Toen Moses gereed was gekomen met het oprichten van de tabernakel, en hem, met al wat er bij hoorde, had gezalfd en gewijd, en eveneens het altaar met heel zijn toebehoren had gezalfd en gewijd,
1Und da Mose die Wohnung aufgerichtet hatte und sie gesalbt und geheiligt allem ihrem Geräte, dazu auch den Altar mit allem seinem Geräte gesalbt und geheiligt,
2kwamen de aanvoerders van Israël naderbij. Het waren de familie- en stamhoofden, die over de gemonsterden stonden.
2da opferten die Fürsten Israels, die Häupter waren in ihren Vaterhäusern; denn sie waren die Obersten unter den Stämmen und standen obenan unter denen, die gezählt waren.
3Zij brachten als hun gaven voor het aanschijn van Jahweh zes overdekte wagens en twaalf runderen; twee aanvoerders telkens één wagen en ieder één rund. Toen zij ze voor de tabernakel hadden gebracht,
3Und sie brachten Opfer vor den HERRN, sechs bedeckte Wagen und zwölf Rinder, je einen Wagen für zwei Fürsten und einen Ochsen für einen, und brachten sie vor die Wohnung.
4sprak Jahweh tot Moses:
4Und der HERR sprach zu Mose:
5Neem ze van hen aan; ze moeten voor de dienst van de openbaringstent worden bestemd, en ge moet ze aan de Levieten geven, naar gelang ieder ze voor zijn werk nodig heeft.
5Nimm's von ihnen, daß es diene zum Dienst der Hütte des Stifts, und gib's den Leviten, einem jeglichen nach seinem Amt.
6Moses nam dus de wagens en de runderen aan, en gaf ze aan de Levieten.
6Da nahm Mose die Wagen und die Rinder und gab sie den Leviten.
7Twee wagens en vier runderen gaf hij aan de zonen van Gersjon, naar verhouding tot hun werk.
7Zwei Wagen und vier Rinder gab er den Kindern Gerson nach ihrem Amt;
8Vier wagens en acht runderen gaf hij, naar verhouding tot hun werk, aan de zonen van Merari, die onder Itamar, den zoon van den priester Aäron stonden.
8und vier Wagen und acht Ochsen gab er den Kindern Merari nach ihrem Amt unter der Hand Ithamars, des Sohnes Aarons, des Priesters;
9Aan de zonen van Kehat gaf hij er geen, omdat zij de heilige zaken, die hun waren toevertrouwd, op hun schouders moesten dragen.
9den Kinder Kahath aber gab er nichts, darum daß sie ein heiliges Amt auf sich hatten und auf ihren Achseln tragen mußten.
10Toen de aanvoerders ook hun wijdingsgave voor het altaar wilden brengen op de dag, dat het gezalfd werd, en hun gaven voor het altaar wilden plaatsen,
10Und die Fürsten opferten zur Einweihung das Altars an dem Tage, da er gesalbt ward, und opferten ihre Gabe vor dem Altar.
11sprak Jahweh tot Moses: Laat iedere aanvoerder op een afzonderlijke dag zijn gave brengen voor de wijding van het altaar.
11Und der HERR sprach zu Mose: Laß einen jeglichen Fürsten an seinem Tage sein Opfer bringen zur Einweihung des Altars.
12Op de eerste dag bracht Naässon, de zoon van Amminadab uit de stam van Juda, zijn gave.
12Am ersten Tage opferte seine Gabe Nahesson, der Sohn Amminadabs, des Stammes Juda.
13Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel ter waarde van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
13Und seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silbern Schale siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
14uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
14dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
15uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
15einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
16een geitebok voor een zondeoffer,
16einen Ziegenbock zum Sündopfer;
17en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Naässon, den zoon van Amminadab.
17und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Nahessons, des Sohnes Amminadabs.
18Op de tweede dag bracht Netanel, de zoon van Soear, de vorst van Issakar, zijn gave.
18Am zweiten Tage opferte Nathanael, der Sohn Zuars, der Fürst Isaschars.
19Het geschenk, dat hij bracht, bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
19Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
20uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
20dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
21uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
21einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
22een geitebok voor een zondeoffer,
22einen Ziegenbock zum Sündopfer;
23en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Netanel, den zoon van Soear.
23und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Nathanaels, des Sohnes Zuars.
24Op de derde dag de vorst van de zonen van Zabulon, Eliab, de zoon van Chelon.
24Am dritten Tage der Fürst der Kinder Sebulon, Eliab, der Sohn Helons.
25Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
25Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
26uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
26dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
27uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
27einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
28een geitebok voor een zondeoffer,
28einen Ziegenbock zum Sündopfer;
29en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Eliab, den zoon van Chelon.
29und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Eliabs, des Sohnes Helons.
30Op de vierde dag de vorst van de zonen van Ruben, Elisoer, de zoon van Sjedeoer.
30Am vierten Tage der Fürst der Kinder Ruben, Elizur, der Sohn Sedeurs.
31Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
31Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
32uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
32dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
33uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
33einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
34een geitebok voor een zondeoffer,
34einen Ziegenbock zum Sündopfer;
35en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Elisoer, den zoon van Sjedeoer.
35und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Elizurs, des Sohnes Sedeurs.
36Op de vijfde dag de vorst van de zonen van Simeon, Sjeloemiël, de zoon van Soerisjaddai.
36Am fünften Tage der Fürst der Kinder Simeon, Selumiel, der Sohn Zuri-Saddais.
37Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
37Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
38uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
38dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
39uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
39einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
40een geitebok voor een zondeoffer,
40einen Ziegenbock zum Sündopfer;
41en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Sjeloemiël, den zoon van Soerisjaddai.
41und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Selumiels, des Sohnes Zuri-Saddais.
42Op de zesde dag de vorst van de zonen van Gad, Eljasaf, de zoon van Deoeël.
42Am sechsten Tage der Fürst der Kinder Gad, Eljasaph, der Sohn Deguels.
43Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
43Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
44uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
44dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
45uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
45einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
46een geitebok voor een zondeoffer,
46einen Ziegenbock zum Sündopfer;
47en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Eljasaf, den zoon van Deoeël.
47und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Eljasaphs, des Sohnes Deguels.
48Op de zevende dag de vorst van de zonen van Efraïm, Elisjama, de zoon van Ammihoed.
48Am siebenten Tage der Fürst der Kinder Ephraim, Elisama, der Sohn Ammihuds.
49Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
49Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
50uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
50dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
51uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
51einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
52een geitebok voor een zondeoffer,
52einen Ziegenbock zum Sündopfer;
53en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Elisjama, den zoon van Ammihoed.
53und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Elisamas, des Sohnes Ammihuds.
54Op de achtste dag de vorst van de zonen van Manasse, Gamliël, de zoon van Pedasoer.
54Am achten Tage der Fürst der Kinder Manasses, Gamliel, der Sohn Pedazurs.
55Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
55Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
56uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
56dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
57uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
57einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
58een geitebok voor een zondeoffer,
58einen Ziegenbock zum Sündopfer;
59en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Gamliël, den zoon van Pedasoer.
59und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Gamliels, des Sohnes Pedazurs.
60Op de negende dag de vorst van de zonen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gidoni.
60Am neunten Tage der Fürst der Kinder Benjamin, Abidan, der Sohn des Gideoni.
61Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
61Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
62uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
62dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
63uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
63einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
64een geitebok voor een zondeoffer,
64einen Ziegenbock zum Sündopfer;
65en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Abidan, den zoon van Gidoni.
65und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Abidans, des Sohn's Gideonis.
66Op de tiende dag de vorst van de zonen van Dan, Achiézer, de zoon van Ammisjaddai.
66Am zehnten Tage der Fürst der Kinder Dan, Ahi-Eser, der Sohn Ammi-Saddais.
67Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
67Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
68uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
68dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
69uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
69einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
70een geitebok voor een zondeoffer,
70einen Ziegenbock zum Sündopfer;
71en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Achiézer, den zoon van Ammisjaddai.
71und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Ahi-Esers, des Sohnes Ammi-Saddais.
72Op de elfde dag de vorst van de zonen van Aser, Pagiël, de zoon van Okran.
72Am elften Tage der Fürst der Kinder Asser, Pagiel, der Sohn Ochrans.
73Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
73Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
74uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
74dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
75uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
75einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
76een geitebok voor een zondeoffer,
76einen Ziegenbock zum Sündopfer;
77en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Pagiël, den zoon van Okran.
77und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Pagiels, des Sohnes Ochrans.
78Op de twaalfde dag de vorst van de zonen van Neftali, Achira, de zoon van Enan.
78Am zwölften Tage der Fürst der Kinder Naphthali, Ahira, der Sohn Enans.
79Zijn geschenk bestond uit een zilveren schotel van honderd dertig sikkels, en een zilveren schaal van zeventig sikkels volgens het heilig gewicht, beide gevuld met meelbloem, met olie aangemaakt, voor een spijsoffer;
79Seine Gabe war eine silberne Schüssel, hundertdreißig Lot schwer, eine silberne Schale, siebzig Lot schwer nach dem Lot des Heiligtums, beide voll Semmelmehl, mit Öl gemengt, zum Speisopfer;
80uit een schaaltje van tien gouden sikkels gevuld met wierook;
80dazu einen goldenen Löffel, zehn Lot schwer, voll Räuchwerk,
81uit een jongen stier, een ram, een eenjarig lam voor een brandoffer,
81einen jungen Farren, einen Widder, ein jähriges Lamm zum Brandopfer;
82een geitebok voor een zondeoffer,
82einen Ziegenbock zum Sündopfer;
83en twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren voor een vredeoffer. Dit was het geschenk van Achira, den zoon van Enan.
83und zum Dankopfer zwei Rinder, fünf Widder und fünf jährige Lämmer. Das ist die Gabe Ahiras, des Sohnes Enans.
84Dit was dus de wijdingsgave der aanvoerders van Israël voor het altaar op de dag, dat het gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren schalen, twaalf gouden schaaltjes.
84Das ist die Einweihung des Altars zur Zeit, da er gesalbt ward, dazu die Fürsten Israels opferten diese zwölf silbernen Schüsseln, zwölf silberne Schalen, zwölf goldene Löffel,
85Iedere schotel was honderd dertig zilveren sikkels waard, iedere schaal zeventig; al het zilver der vaten bedroeg vier en twintig honderd sikkels volgens het heilig gewicht.
85also daß je eine Schüssel hundertdreißig Lot Silber und je eine Schale siebzig Lot hatte, daß die Summe alles Silbers am Gefäß betrug zweitausendvierhundert Lot nach dem Lot des Heiligtums.
86Twaalf gouden schaaltjes met wierook gevuld, ieder van tien gouden sikkels volgens het heilig gewicht, al het goud van die schaaltjes bedroeg honderd twintig gouden sikkels.
86Und der zwölf goldenen Löffel voll Räuchwerk hatte je einer zehn Lot nach dem Lot des Heiligtums, daß die Summe Goldes an den Löffeln betrug hundertzwanzig Lot.
87Het rundvee voor het brandoffer bedroeg in het geheel twaalf jonge stieren, twaalf rammen, en twaalf eenjarige lammeren, met de daarbij horende spijsoffers. Voor het zondeoffer bedroeg het twaalf geitebokken.
87Die Summe der Rinder zum Brandopfer waren zwölf Farren, zwölf Widder, zwölf jahrige Lämmer samt ihrem Speisopfer und zwölf Ziegenböcke zum Sündopfer.
88Het rundvee voor het vredeoffer bedroeg in het geheel vier en twintig stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig eenjarige lammeren. Dit was de wijdingsgave voor het altaar, nadat het gezalfd was.
88Und die Summe der Rinder zum Dankopfer war vierundzwanzig Farren, sechzig Widder, sechzig Böcke, sechzig jährige Lämmer. Das ist die Einweihung des Altars, da er gesalbt ward.
89Wanneer Moses de openbaringstent binnentrad, om met Jahweh te spreken, hoorde hij de stem, die tot hem sprak, boven het verzoendeksel op de Verbondsark tussen de beide cherubs. Zo sprak Hij tot hem.
89Und wenn Mose in die Hütte des Stifts ging, daß mit ihm geredet würde, so hörte er die Stimme mit ihm reden von dem Gnadenstuhl, der auf der Lade des Zeugnisses war, dort ward mit ihm geredet.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.