Numeri 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Toen de kanaänietische koning van Arad, die in de Négeb woonde, hoorde, dat Israël de weg naar Atarim had ingeslagen, viel hij Israël aan, en nam enigen hunner gevangen.
1住南地的 迦南 人 亚拉得 王,听说 以色列 人从 亚他林 路来,就和 以色列 人争战,掳了他们几个人。
2Toen deed Israël aan Jahweh deze gelofte: Zo Gij dit volk in mijn hand levert, zal ik hun steden met de ban slaan!
2以色列 人向耶和华发愿说:「你若将这民交付我手,我就把他们的城邑尽行毁灭。」
3Toen Jahweh Israël had verhoord, en de Kanaänieten had overgeleverd, sloeg men dan ook hun steden met de ban, en noemde die stad Chorma.
3耶和华应允了 以色列 人,把 迦南 人交付他们,他们就把 迦南 人和 迦南 人的城邑尽行毁灭。那地方的名便叫 何珥玛 。
4Van de berg Hor braken zij op in de richting van de Rode Zee, om rond het land van Edom te trekken. Maar door die tocht werd het volk ongeduldig,
4他们从 何珥山 起行,往 红海 那条路走,要绕过 以东 地。百姓因这路难行,心中甚是烦躁,
5en sprak tegen God en Moses: Waarom hebt ge ons uit Egypte geleid, om te sterven in de woestijn? Want we hebben geen brood en geen water, en we walgen van die armzalige kost!
5就怨 神和 摩西 说:「你们为什么把我们从 埃及 领出来、使我们死在旷野呢?这里没有粮,没有水,我们的心厌恶这淡薄的食物。」
6Daarom zond Jahweh vergiftige slangen onder het volk, die het beten, zodat er velen van Israël stierven.
6于是耶和华使火蛇进入百姓中间,蛇就咬他们。 以色列 人中死了许多。
7Toen liep het volk naar Moses, en sprak: Wij hebben gezondigd; want we zijn onbeschaamd geweest tegen Jahweh en tegen u! Bid Jahweh toch, dat Hij de slangen van ons wegneemt. En Moses bad voor het volk.
7百姓到 摩西 那里,说:「我们怨 耶和华和你,有罪了。求你祷告耶和华,叫这些蛇离开我们。」于是 摩西 为百姓祷告。
8Toen sprak Jahweh tot Moses: Maak een slang, en bevestig die aan een paal; dan zal iedereen, die gebeten is en er naar opziet, in leven blijven.
8耶和华对 摩西 说:「你制造一条火蛇,挂在杆子上;凡被咬的,一望这蛇,就必得活。」
9Moses maakte een koperen slang, en bevestigde die aan een paal. En wanneer iemand door een slang werd gebeten, en hij zag op naar de koperen slang, dan bleef hij in leven.
9摩西 便制造一条铜蛇,挂在杆子上;凡被蛇咬的,一望这铜蛇就活了。
10Toen trokken de Israëlieten verder, en legerden zich te Obot.
10以色列 人起行,安营在 阿伯 。
11Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Haäbarim in de woestijn, ten oosten van Moab.
11又从 阿伯 起行,安营在 以耶·亚巴琳 ,与 摩押 相对的旷野,向日出之地。
12Van daar trokken zij verder, en legerden zich in het dal Zéred.
12从那里起行,安营在 撒烈谷 。
13Van daar trokken zij verder, en legerden zich aan de overkant van de Arnon, waar hij nog in de woestijn ligt en uit het land der Amorieten komt; want de Arnon is de grens van Moab tussen Moab en de Amorieten.
13从那里起行,安营在 亚嫩河 那边。这 亚嫩河 是在旷野,从 亚摩利 的境界流出来的;原来 亚嫩河 是 摩押 的边界,在 摩押 和 亚摩利 人搭界的地方。
14Daarom heet het in het boek van de oorlogen van Jahweh: Waheb in Soefa, En de kloven van de Arnon:
14所以耶和华的战记上说:「 苏法 的 哇哈伯 与 亚嫩河 的谷,
15De steilste der kloven, Die zich uitstrekt tot de omgeving van Ar En aanleunt tegen de grenzen van Moab.
15并向 亚珥 城众谷的下坡,是靠近 摩押 的境界。」
16Van daar trokken zij verder naar Beër; dit is de welput, waar Jahweh tot Moses heeft gesproken: “Roep het volk bijeen, en Ik zal hun water geven”,
16以色列 人从那里 起行 ,到了 比珥 。从前耶和华吩咐 摩西 说:「招聚百姓,我好给他们水喝」,说的就是这井。
17en waar Israël toen dit lied heeft gezongen: Wel op, gij put! Zingt hem ter eer,
17当时, 以色列 人唱歌说: 井啊,涌上水来! 你们要向这井歌唱。
18De put, die koningen hebben gegraven, Vorsten van het volk hebben gedolven Met hun schepter, met hun staven. Van Beër trok men verder naar Mattana,
18这井是首领和民中的尊贵人 用圭用杖所挖所掘的。 以色列 人从旷野往 玛他拿 去,
19van Mattana naar Nachaliël, van Nachaliël naar Bamot,
19从 玛他拿 到 拿哈列 ,从 拿哈列 到 巴末 ,
20van Bamot naar het dal in de vlakte van Moab, en naar de top van de Pisga, die oprijst ten oosten van de woestenij.
20从 巴末 到 摩押 地的谷,又到那下望旷野之 毗斯迦 的山顶。
21Nu zond Israël gezanten naar Sichon, den koning der Amorieten, met de boodschap:
21以色列 人差遣使者去见 亚摩利 人的王 西宏 ,说:
22Ik zou graag door uw land trekken. Wij zullen niet door uw velden en wijngaarden gaan, en geen water drinken uit uw putten, maar de koninklijke weg blijven houden, zolang we door uw gebied trekken.
22「求你容我们从你的地经过;我们不偏入田间和葡萄园,也不喝井里的水,只走大道,直到过了你的境界。」
23Maar Sichon stond Israël niet toe, door zijn gebied te trekken. Sichon verzamelde al zijn volk, trok Israël in de woestijn tegemoet, rukte op naar Jáhas en greep Israël aan.
23西宏 不容 以色列 人从他的境界经过,就招聚他的众民出到旷野,要攻击 以色列 人,到了 雅杂 与 以色列 人争战。
24Israël joeg hem over de kling, en nam zijn land in bezit van de Arnon af tot de Jabbok, dus tot aan de Ammonieten toe; want Jazer was de grens der Ammonieten.
24以色列 人用刀杀了他,得了他的地,从 亚嫩河 到 雅博河 ,直到 亚扪 人的 境界 ,因为 亚扪 人的境界多有坚垒。
25Israël veroverde al de steden der Amorieten, en vestigde zich in die steden, tot zelfs in Chesjbon en al haar onderhorige plaatsen.
25以色列 人夺取这一切的城邑,也住 亚摩利 人的城邑,就是 希实本 与 希实本 的一切乡村。
26Want Chesjbon was de stad van Sichon, den koning der Amorieten, die vroeger tegen den koning van Moab had gestreden, en hem toen al zijn land had ontrukt tot de Arnon toe.
26这 希实本 是 亚摩利 王 西宏 的 京 城; 西宏 曾与 摩押 的先王争战,从他手中夺取了全地,直到 亚嫩河 。
27Daarom zeggen de zangers: Komt, om Chesjbon te herbouwen, De stad van Sichon te versterken!
27所以那些作诗歌的说: 你们来到 希实本 ; 愿 西宏 的城被修造,被建立。
28Want een vuur ging uit van Chesjbon, Een vlam uit Sichons stad: Het verteerde de steden van Moab, Verslond de hoogten van de Arnon.
28因为有火从 希实本 发出, 有火焰出于 西宏 的城, 烧尽 摩押 的 亚珥 和 亚嫩河 邱坛的祭司 。
29Wee u, Moab; Gij zijt verloren. volk van Kemosj! Zijn zonen heeft hij tot vluchtelingen gemaakt, Zijn dochters gevangenen van Sichon, den Amorietenkoning;
29摩押 啊,你有祸了! 基抹 的民哪,你们灭亡了! 基抹 的男子逃奔, 女子被掳,交付 亚摩利 的王 西宏 。
30Hun spruiten kwamen om, van Chesjbon tot Dibon: Hun vrouwen tot Nófach, dat bij Medeba ligt.
30我们射了他们; 希实本 直到 底本 尽皆毁灭。 我们使地变成荒场,直到 挪法 ; 这 挪法 直 延 到 米底巴 。
31Toen Israël in het land der Amorieten vaste voet had gekregen,
31这样, 以色列 人就住在 亚摩利 人之地。
32liet Moses Jazer verspieden, nam het met haar onderhorige plaatsen in, en verdreef de Amorieten, die daar woonden.
32摩西 打发人去窥探 雅谢 , 以色列 人就占了 雅谢 的镇市,赶出那里的 亚摩利 人。
33Daarna veranderden zij van richting, en sloegen de weg in naar Basjan. Maar Og, de koning van Basjan, rukte hen met al zijn volk bij Edréi tegemoet, om hen te bestrijden.
33以色列 人转回,向 巴珊 去。 巴珊 王 噩 和他的众民都出来,在 以得来 与他们交战。
34Doch Jahweh sprak tot Moses: Vrees hem niet; want Ik heb hem met heel zijn volk en heel zijn land in uw hand geleverd: ge moet met hem doen, wat ge met Sichon, den koning der Amorieten, hebt gedaan, die in Chesjbon woonde.
34耶和华对 摩西 说:「不要怕他!因我已将他和他的众民,并他的地,都交在你手中;你要待他像从前待住 希实本 的 亚摩利 王 西宏 一般。」
35Zij versloegen hem dus met zijn zonen en heel zijn volk, tot er geen vluchteling meer overbleef, en zij namen zijn land in bezit.
35于是他们杀了他和他的众子,并他的众民,没有留下一个,就得了他的地。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.