Marcus 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Testamenta Marra (Dieri New Testament)
1Weer ging Hij onderricht geven aan het meer. En een grote menigte verzamelde zich om Hem heen, zodat Hij een boot in ging, en daar neerzat op het meer, terwijl heel de menigte langs het meer aan de oever bleef staan.
1Ja nakaldra Nulu wonina wonti panto dirkalani ngujangujara jinkila. Ja kana wolara nunkangu jurborina wonti, ja Nau botani wirina wonti ja ngapani ngamana ngarina wonti, ja kana wolara panto dirkalani ngamana ngarina wonti mitani.
2En Hij leerde hun vele dingen in gelijkenissen, en onderrichtte hen aldus:
2Ja Nulu tanangu jeribaka jaurali ngujangujara marapu jinkina wonti, ja Nau tanangu ngujangujarali nunkanali jatana wonti:
3Luistert! Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.
3„Ngaranau! Mai, jaupanietja wapana wonti jaupala.
4En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; en de vogels uit de lucht kwamen, en pikten het op.
4Ja jendranguta nulu jaupanani, palpa paltuni purina wonti; ja paia wokarana wonti ja nina tajina wonti.
5Een ander gedeelte viel op de steengrond, waar het niet veel aarde had. Aanstonds kwam het op, omdat het geen diepe aarde had;
5Palpa marda paltirani purina wonti, ja wata mita tjanka marapu ngamalkana wonti; ja nurujeli punkana wonti, ngangau mita puta nganana wonti.
6maar toen de zon was opgegaan, werd het verschroeid en verdorde, daar het geen wortel geschoten had.
6Ja ditji matja dunkana, nau winjarina wonti; ja ngangau kapara pani nganana wonti, nau mujarina wonti.
7Weer een ander gedeelte viel tussen de doornen; de doornen schoten op, en verstikten het; en het droeg geen vrucht.
7Ja palpa dilkani purina wonti; ja dilka punkana wonti ja nina palimana wonti, ja wata tandra jinkina wonti.
8Een ander gedeelte viel in de goede aarde; het schoot op, groeide aan, en droeg vrucht; het één bracht dertig- het ander zestig- en het ander honderdvoud op.
8Ja palpa mita ngumuni purina wonti, ja kuripunkana wonti ja punkana wonti ja tandra punkibana wonti ja mandrana wonti: Kulnujeli 30, kulnujeli 60, kulnujeli 100.
9En Hij sprak: Wie oren heeft om te horen, hij hore!
9Ja Nau tanangu jatana wonti: Warle talpa ngamalkai ngarala, nulu ngaraiatimai!“
10Maar toen Hij alleen was, vroegen Hem de twaalf, en zij die bij Hem waren, naar de zin der gelijkenis.
10Ja Nau kulnulu nganana, nina mili marapratjana ja mandrujeli, ja tanali nunkangunto, jakalkana wonti nunkangupini jeribaka jaurandru.
11En Hij sprak tot hen: U is het geheim van het koninkrijk Gods toevertrouwd; maar zij, die buiten staan, ontvangen alles in parabels:
11Ja Nau tanangu jatana wonti: „Jurangu matja jinkina warai, jaura kurukuru Godaia mililandru ngujamananto; tanangu, tana palarani nganai, pratjana jeribaka jaura nganai.
12Opdat ze scherp zouden zien, en niet inzien, Scherp zouden horen, en niet verstaan; Opdat ze zich niet zouden bekeren, En vergiffenis zouden bekomen.
12Ngangau tanali najinani najinanto ja bulu ngujamananto, ja ngaranani ngarananto ja bulu ngundrananto; ngangau tana wata madlentjandru karitjinanto, tanani madlentji kalingananto.“
13En Hij zeide hun: Verstaat gij deze gelijkenis niet? Hoe zult gij dan al de andere parabels verstaan?
13Ja Nau tanangu jatana wonti: „Ninapini jeribaka jaura jura wata ngujamanani, ja worderu jura jeribaka jaura pratjana ngujamala nganai?
14De zaaier, hij zaait het woord.
14Iaupanietjali jaura jaupai.
15Dit zijn de lieden langs de weg, waar het woord wordt gezaaid: wanneer ze het hebben gehoord, komt aanstonds de satan en rooft het woord, dat in hen was gezaaid.
15Tana paltuni tanapini nganai; woderi jaura matja jaupana, ja tanali nina ngarana, nurujeli kutji wokarai ja jaura maniai, nina ngarani tananani matja jaupana.
16Zo ook zij, die op de steengrond worden gezaaid: dat zijn zij, die terstond met vreugde het woord aanvaarden, zodra ze het horen;
16Tanangu jeribaka tanapini nganai, tanana marda paltirani matja jaupana; tanali jaura ngarai ja nurujeli murlali nina patai;
17ze hebben echter geen wortel geschoten, maar zijn onstandvastig; en als er later verdrukking en vervolging ontstaat om wille van het woord, dan zijn ze aanstonds geërgerd.
17Ja munta tana kapara pani nganai, a‐ai, tana maraltja nganai; ngadani ketjaketjana ja tirikaripaterina wokaranani jaurandru, tana wolja kalakalarila nganai.
18Anderen zijn er, die tussen de doornen worden gezaaid: dat zijn zij, die wel luisteren naar het woord:
18Ja palpa, tanana dilkani matja jaupana, tanapini nganai, tanali jaura ngarai,
19maar de beslommering van de wereld, de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar andere dingen vallen er tussen, en verstikken het woord: het blijft zonder vrucht.
19Ja nunkangupini mitani manujeli ngundrana, ja poto pirnaia jedibana, ja poto nguruja milkirina tanangu wiriai, ja jaura palimai, ja tandra pani punkibai.
20En die op de goede aarde werden gezaaid, zijn allen, die het woord vernemen, het aanvaarden, en het vrucht laten dragen; het éne dertig- het andere zestig- en het andere honderdvoud.
20Ja tanapini nganai, tanana mita ngumuni matja jaupana; tanali jaura ngarai ja patai ja tandra punkibai; kulnujeli 30, kulnujeli 60, ja kulnujeli 100.“
21Weer sprak Hij tot hen: Haalt men soms de lamp, om ze onder de korenmaat te zetten of onder het bed? Is het niet, om ze op de kandelaar te plaatsen?
21Ja Nau tanangu jatana wonti: „Praitji wokarai, nina kokuni ngarinalu kara, turarani pirini ngarinalu kara kurala? Nau wata parai, nina praitjaia potuni kurala?
22Want niets is verborgen, of het moet worden geopenbaard; en niets is geheim, of het komt aan het licht.
22Ngangau panila kurirpi nganai, naupini wata tinkari pantjinanto; ja panila kurukuruni pantjina wonti, a‐ai, praitjani wokarananto.
23Zo iemand oren heeft om te horen, hij hore!
23Kulnujeli talpa ngamalkai ngarala, nulu ngaraiatimai!“
24Nog zeide Hij hun: Let op, wat gij hoort. Met de maat, waarmee gij meet, zal u worden toegemeten, met een toemaat bovendien.
24Ja Nau tanangu jatana wonti: „Najianau, mina jura ngarai: Mina kokujeli jura jinkiai, jenia koko jura nakaldra manina tikala nganai; ja jura ngaranani, tanali jurangu morla jinkila nganai.
25Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden, wat hij bezit.
25Ngangau warle ngamalkai, nunkangu Nulia jinkila nganai; ja warle wata ngamalkai, nunkangundru Nulia bakana jenia manila nganai, mina nulu ngamalkai.“
26Weer zeide Hij: Het gaat met het koninkrijk Gods als met een mens, die het zaad in de aarde werpt;
26Ja Nau jatana wonti: „Jeruja Godaia milila nganai, worderu kana kulnujeli paua mitani japai,
27dan gaat hij slapen des nachts, en staat op overdag. En het zaad ontkiemt en groeit op; zelf weet hij niet, hoe.
27Ja nau mukaturarai, ja jiritjiai tinkani ja ditjini, ja paua punkai ja wirdiriai; ja nau ko worderu.
28Want vanzelf brengt de aarde vruchten voort, eerst de halmen, dan de aar, daarna het volle graan in de aar.
28Ngangau mita muntali tandra punkibai, ngopera nindri, ngadani mangatandra, ngadani tandra kantji mangatandrani.
29En als het koren rijp is, slaat hij er aanstonds de sikkel in; want het is tijd voor de oogst.
29Ja tandra talku ngananani, nurujeli nulu kirra jinpai, ngangau kampani ditji wokarana warai.“
30Nog sprak Hij: Waarmede zullen wij het koninkrijk Gods vergelijken, of onder welke parabel het brengen?
30Ja Nau jatana wonti: „Worangu jeribaka ngaiani Godaia milila kurananto? Mina jeribaka jaurali ngaiani nina jeribaka kurananto kara?
31Het is gelijk aan een mosterdzaadje; wanneer men het zaait in de aarde, is het ‘t kleinste van alle zaden op aarde.
31Tandra wakawaka jeribaka, ninapini mitani matja jaupana, nau morla waka nganai tandra nguja marapuni mitani.
32Maar wanneer het eenmaal gezaaid is, groeit het op, en wordt groter dan alle tuingewas; het schiet grote takken, zodat de vogels in de lucht kunnen nestelen onder zijn lommer.
32Ja nina matja jaupana, nau kuri punkai ja morla pirna pantjiai nindri marapuni, ja nguna pirna dunkalkai, jeruja pungalani nunkanani bakana paia ngaranala ngamai.“
33En in veel gelijkenissen van die aard sprak Hij tot hen het woord, voor zover ze het konden verstaan;
33Ja jeribaka jaura marapujeli Nulu tanangu jaura kaukaubana wonti, worderu tana ngurunguru nganana wonti ngarala.
34en zonder gelijkenis sprak Hij hen niet toe. Maar alleen aan zijn leerlingen legde Hij alles uit.
34Ja jeribaka jaura panini Nulu tanangu panila kaukaubana wonti; windri pilki Nulu milini nunkanani pratjana mildiri ngankana wonti.
35Tot hen sprak Hij nog op diezelfde dag, toen het reeds laat was geworden: Laat ons oversteken naar de andere kant.
35Ja Nau tanangu, nunkangupini ditjini matja kalkaurarina, jatana wonti: „Ngaiana jerankaria pararananto.“
36Toen lieten ze de menigte gaan, en namen Hem mee, daar Hij reeds in de boot was; ook andere boten waren er bij.
36Ja tanali kana wolara worarana wonti ja nina patana wonti worderu Nau botani nganana wonti; ja bakana bota nguru nunkangunto nganana wonti.
37En een hevige storm brak los, en de golven sloegen over de boot, zodat ze vol water kwam.
37Ja watara pirna wilparina wonti; ja mandikila botani pinpitarana wonti, jeruja nau ngampu ngapali manamiri nganana wonti.
38Hij zelf lag aan de achtersteven op een kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker, en zeiden tot Hem: Meester, raakt het U niet, dat wij vergaan?
38Ja Nau botani ngadani kukati terkana mukaturarana wonti; ja tanali nina jiritjibana wonti ja nunkangu jatana wonti: „Ngujangujara jinkinietjajai, jenia jnkangu jeribaka nganai ngaiana palinani?“
39Nu stond Hij op, gebood aan de wind, en sprak tot het meer: Zwijg, wees stil! De wind ging liggen, en het werd heel stil.
39Ja Nau mukandru matja jiritjina, Nulu watara dikidikibana wonti ja ngapani jatana wonti: „Ngapuriau, dalpura nganau!“ Ja watara mudana wonti, ja dalpura pirna nganana wonti.
40Toen sprak Hij tot hen: Wat zijt gij bevreesd? Hebt gij nog geen geloof?
40Ja Nau tanangu jatana wonti: „Minandru jura jeruja japali nganai? Minandru jura wata morlalu ngundrai?“
41Maar een hevige angst greep hen aan, en ze zeiden tot elkander: Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?
41Ja tana japali pirna pantjina wonti ja ngankamalina wonti: „Worana Naupini nganai, ngangau nunkangu watara ja ngapa pankiai?“
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.