Marcus 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1Na enige tijd kwam Hij weer te Kafárnaum terug.
1Gerger giz barki, E iako Kaperenauma uatabu; ui asereda E muige meta.
2Toen men hoorde, dat Hij binnenshuis was, kwamen er aanstonds zo velen bijeen, dat er geen plaats genoeg was, zelfs niet aan de deur. En Hij preekte hun het woord.
2Sobkak gaire le netate gedim, meta mui osmeda, pako adige; E uiabim Ade ra mer marau.
3Nu kwam men Hem een lamme brengen, die door vier man gedragen werd.
3Uiaba abim tabakeuare, nerute le ibibi egardare, neis a neis le abi bakeuarare.
4Daar ze hem wegens de menigte niet bij Hem konden brengen, maakten ze een opening in het dak, waar Hij was; en toen ze het hadden opengebroken, lieten ze het bed, waarop de lamme lag, naar beneden.
4Uiaba umer kak abi dog maiem bakeuare mitkarlam: uiaba meta tumge ezagarare E muige, a lemlem ismi, uiaba sik dikri gim le tumge igimrare.
5Toen Jesus hun geloof zag, sprak Hij tot den lamme: Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.
5Iesu erdarda uiaba oituli, E le ibibi detager, kega, Kara uerem, emetu adem dikri mara uit giz.
6Nu zaten er enige schriftgeleerden bij, die bij zichzelf dachten:
6Uader aotale giz abele emeri, a tababu dikiapor muige uiaba nerkep ge, kega,
7Hoe kan Hij zó spreken? Hij lastert God! Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?
7Nalugelam le dali detager mokakalam? E Ade desauersili, nete le umele uit dikri, Ade tepteb?
8Aanstonds doorzag Jesus in zijn geest, dat ze zo bij zichzelf dachten; en Hij sprak tot hen: Waarom denkt ge dit bij uzelf?
8Sobkak Iesu opasereret muige abara nerkep abele uiaba dikiapor muige uiaba nerkep, E uiabim detager, kega, Nako uaba dikiapor mokakalam muige uaba nerkep?
9Wat is gemakkelijker, tot den lamme te zeggen: uw zonden worden u vergeven, of te zeggen: sta op, neem uw bed, en ga heen.
9Nako perper, le ibibi egali, kega, Emetu adem dikri mara uit giz; pako egali, kega, Tekue, mabara sik ekau, a bakeamu?
10Welnu, opdat ge weten moogt, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde, om zonden te vergeven, (hier sprak hij tot den lamme:)
10Ko uabim paret kak, Le la Uerem adigiri gaire uit geseb ge adem dikri, (E le ibibi detager, kega,)
11Ik zeg u: sta op, neem uw bed, en ga naar huis.
11Kaka mari natager, kega, Tekue, mabara sik ekau, a mabara meta bakeamulu.
12Onmiddellijk stond hij op, nam zijn bed, en ging heen ten aanschouwen van allen, zodat allen verbaasd waren, God loofden, en zeiden: Nooit hebben we zo iets gezien.
12E ekueda, a sobkak tabara sik ekaida, a E osmeda uiaba op uridili; abelelam uiaba uridili damereda, a Ade despili, kega, Meriba nole dasmerauem tonar mokakalam.
13Weer ging Hij uit naar het meer, en heel de menigte kwam naar Hem toe; en Hij onderrichtte ze.
13E iako keper dege degemili; gaire le abim tabakeuare, E uiabim ereuerem.
14In het voorbijgaan zag Hij Levi, den zoon van Alfeus, aan het tolhuis zitten; en Hij zei hem: Volg Mij! Hij stond op, en volgde Hem.
14E uteb esaimelu, E Leui, Alefaio ra uerem, dasmer meta dipumeda emeri, E abi detager, kega, Kari narmili, E ekueilu a abi irmili.
15Toen Hij eens in diens huis aan tafel was, lagen ook vele tollenaars en zondaars met Jesus en zijn leerlingen aan; want velen waren Hem gevolgd.
15Abele iobaru, E abara meta ge emeri leuer ero, telona giz a uit le giz kemem emeri Iesui dog, a abara kaimeg giz; abelelam gaire le uiaba abi irmilare.
16De schriftgeleerden en farizeën zagen dus, dat Hij met de tollenaars en zondaars at, en zeiden tot zijn leerlingen: Waarom eet Hij met tollenaars en zondaars?
16Aotale giz a Faresaio giz abi dasmer kemem leuer ero telona giz a uit le giz, uiaba tabara kaimeg giz daratagerare, kega, Nako E kemem leuer ero a ereli telona giz a uit le giz?
17Jesus hoorde het, en sprak tot hen: De gezonden hebben geen geneesheer nodig, wel de zieken. Ik ben niet gekomen, om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepen.
17Iesu asoli abele mer, E uiabim daratagerare, kega, Saserim le giz lukup kemle lakak, gim le giz lagelag; kaka nole tabarki ko gaire barkak tonar dabgeri, debele gair uit le giz.
18De leerlingen van Johannes en de farizeën hadden eens een vastendag. En men kwam naar Hem toe, en zeide Hem: Waarom vasten de leerlingen van Johannes en van de farizeën, en vasten uw leerlingen niet?
18Ioane ra kaimeg giz, a gaire Faresaio ra kaimeg giz leuer baili; uiaba tabakeuare a abi detager, kega, Nalugelam Ioane ra kaimeg giz a gaire Faresaio ra kaimeg giz leueru baili, a mara kaimeg giz nole leueru baili?
19Jesus sprak tot hen: Kunnen de bruiloftsgasten vasten, zolang de bruidegom bij hen is? Zolang ze den bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten.
19Iesu uiabi detager, kega, Nako, umele gaire boai le ispida ko leueru baili, le ispida uiabi dog emeri? uiaba umer kak leueru baili, le ispida mena uiabi dog.
20Maar de dagen zullen komen, dat de bruidegom van hen wordt weggenomen; op die dag zullen ze vasten.
20Kerker niai tabarki, le ispida uiabielam egared, abele gaire gerger uiaba leueru baili.
21Niemand zet een lap ongekrompen laken op een oud kleed; anders scheurt het nieuwe stuk van het oude af, en er ontstaat nog groter scheur.
21Nole le kerkar mog uali itkedi okakis buzibuzi am uali; akeulam buzibuzi mog uali de kerkar mog ualilam ekep itkedi, iako au atoatatoat.
22Ook giet niemand nieuwe wijn in oude zakken; anders doet de wijn de zakken bersten en de wijn loopt weg; neen, nieuwe wijn in nieuwe zakken!
22Nole le epaiteret kerkar uaina muige emeret tarpor giz; epe gegur tarpor giz arperiklam, uaina epaiteredlu, epe sor giz adud: mamor ko kerkar gegur tarpor epaiteret kerkar uaina.
23Eens ging Hij op de sabbat door het korenveld, en zijn leerlingen begonnen, al voortwandelend, aren te plukken.
23Abele iobaru, E ekas kon gedub ge abele sabath; abara kaimeg giz kon itakemarare, a eroarare, gab ge.
24En de farizeën zeiden Hem: Zie, waarom doen ze op de sabbat wat niet is geoorloofd?
24Faresaio giz abi detager, kega, Dasmer, nako uiaba lu akerare nole abkoreb sabath?
25Hij sprak tot hen: Hebt ge nooit gelezen, wat David deed, toen hij in nood was met zijn gevolg, en honger had?
25E uiabi detager, kega, Nako uaba nole etagerare Dauida de ikeli, leuer aro kak, uerer eudili, a gaire abara kaimeg giz?
26Hoe hij onder den hogepriester Abjatár het huis van God binnenging, en de toonbroden opat, die alleen de priesters mogen eten: en hoe hij er ook van gaf aan hen, die bij hem waren?
26E Ade zogo meta ge tabalu, Abiatara ra kerker, zogo tarim le, E derser areto eroli, abele nole abkoreb nogle tero, mamor zogozogo le tepteb, E abara kaimeg nakuarare?
27En Hij vervolgde tot hen: De sabbat is om den mens gemaakt, en niet de mens om de sabbat.
27E uiabi detager, kega, Sabath emetu ikeli le la uai kedeua, a nole le ikeli sabath uaikedeua;
28De Mensenzoon is dus ook heer van de sabbat.
28Abelelam Le la Uerem sabath ra Opole.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.