Marcus 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1In die dagen, toen er weer een grote schare bijeen was, en deze niet te eten had, riep Hij zijn leerlingen, en zeide tot hen:
1Abele gaire gerger, dordor le lakub, a uiaba nole leuer kak, E tabara kaimeg giz darabgerare, a uiabi detagereda, kega,
2Ik heb medelijden met de schare; want reeds drie dagen zijn ze bij Mij, en ze hebben niets te eten.
2Kaka le lakub nasenase, abelelam uiaba thri gerger kari dog emri, a nole leuer aro kak;
3Zo Ik ze hongerig naar huis laat gaan. zullen ze onderweg bezwijken; want sommigen van hen zijn van verre gekomen.
3Ese kaka uiabi meta namarida, a nole leuer aro kak, uiaba gab ge durdur; abelelam uader muriz gedelam.
4Zijn leerlingen antwoordden Hem: Hoe zou men ze hier, in een woestijn, genoeg brood kunnen geven?
4Abara kaimeg giz abi detagerare, kega, Nagelam areto, abele soge purge, uiabi darasisieda?
5Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt gij? Ze zeiden: Zeven.
5E uiabim nautumereda, kega, Nako, naket areto uabi dog? Uiaba detagerare, kega, Sefen.
6Toen beval Hij de schare, zich neer te zetten op de grond. Hij nam de zeven broden, sprak een dankzegging uit, brak ze, en gaf ze aan zijn leerlingen, om ze hun aan te bieden. En ze reikten ze uit aan het volk.
6E le lakub mer tigri ko seb ge emereda; E gaire areto sefen tekadarare, a esoao, a itiri, a abara kaimeg giz nakuarare, uiaba opem ikedi; a uiaba le lakub opem ikedi.
7Ook hadden ze enkele visjes; Hij sprak er de zegen over uit, en beval ook deze aan te bieden.
7Uader kebi lar uiabi dog: Iesu esoao, a uiabi detagereda ko ikedi.
8Ze aten, en werden verzadigd; en ze zamelden de overgeschoten brokken bijeen: zeven korven vol.
8Uiaba eroare, a kem osmeda: a uiaba leuer mogmog etaker, a gaire epei sefen arot.
9Er waren daar ongeveer vier duizend mannen. Toen liet Hij ze gaan.
9Maike foa thausan, ui uridili leuer eroare; E uiabi namarida.
10Onmiddellijk daarna ging Hij met zijn leerlingen in de boot, en begaf Hij zich naar de streek van Dalmanoeta.
10Sobkak E, pako abara kaimeg giz, nar ge ekauererti, a ged Dalmanutha atiem.
11Nu kwamen de farizeën, en begonnen met Hem te twisten: ze eisten van Hem een teken uit de hemel, om Hem op de proef te stellen.
11Faresaio giz abim tabakeuare, a ditimeda abi basaret, ko abi mirem, abi itmer atamelam kotorlam.
12Hij zeide met een diepe zucht: Wat, eist dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: aan dit geslacht zal geen teken worden gegeven.
12E au nerezi muige abara mar, kega, Nako abele nosik le atamelam deraimer? Ageakar, kak uabi detagereda, kega, Nole akuar kak atamelam abele nosik le.
13Hij verliet ze, ging weer de boot in, en voer naar de overzijde terug.
13E uiabi dekaer, iako nar ge ekauererti, a nerut apek atiem.
14Maar ze hadden vergeten brood mee te nemen, zodat ze niet meer dan één brood bij zich aan boord hadden.
14Uiaba okataprik ko leuer ais; no netat areto uiabi dog nar ge.
15Toen vermaande Hij hen, en zeide: Let op, en wacht u voor het zuurdeeg der farizeën en voor het zuurdeeg van Herodes!
15E uiabi mer tigri, kega, Beber dasmer, abele Faresaio ra leuen, a Heroda ra leuen mamoro dasmer.
16Ze redeneerden onder elkander, dat het was, omdat ze geen brood bij zich hadden.
16Uiaba mer atagere, kega, Abelelam meriba nole areto kak.
17Jesus merkte het, en sprak tot hen: Wat bespreekt gij toch met elkander; dat gij geen brood hebt? Hebt gij nu nog geen verstand of begrip? Is uw hart soms verstokt?
17Epe Iesu opasereret, E uiabi detager, kega, Nako uaba mer atager abele nole leuer kak? Nako uaba nole umer kak, uaba nole akiapor kak? nako uaba tumtum nerkep?
18Gij hebt ogen, en toch ziet gij niet; oren, en toch hoort gij niet? Weet gij dan niet meer,
18Nako uaba pone nagri, a nole asmer kak? a grip nagri, a nole asor kak? a nole akiapor kak?
19hoeveel korven vol brokken gij hebt verzameld, toen Ik de vijf broden brak voor vijf duizend man? Ze zeiden Hem: Twaalf.
19Ababurge kaka faif areto itiri uiabim faif thausan, naket epei osmeda uaba etaker abele leuer mog? Uiaba abi detager, kega, Tuelf.
20En bij de zeven broden voor de vier duizend man, hoeveel manden met brokken hebt gij toen wel verzameld? Ze zeiden Hem: Zeven.
20A gaire areto sefen uiabi foa thausan, naket epei osmeda uaba etaker abele leuer mog? Uiaba abi detager, kega, Sefen.
21En Hij sprak tot hen: En nòg begrijpt gij het niet?
21E uiabi daratagereda, kega, Nako uaba nole akiapor kak?
22Zo kwamen ze te Betsáida aan. Daar bracht en een blinde naar Hem toe, en verzocht Hem, dien aan te raken.
22Uiaba Bethesaida tabakeuare. Uiaba nerute le asamasam abim tegaret, a abi damos ko abi itut.
23Hij vatte den blinde bij de hand, en leidde hem buiten het dorp; Hij deed speeksel op zijn ogen, legde Hem de handen op, en vroeg hem: Ziet ge iets?
23E tage asamasam le erpei, a abi dadkimortare abgedelam; E emetu abara neis pone mos ermeda, a tage abi tumge ikedi, E abi itmer, kega, Nako ma nole nerute lu dasmer?
24Hij begon te kijken, en sprak: Ik zie mensen: als bomen zie ik ze gaan.
24E kotor dasmer, a detager, kega, Kaka gaire le dasmer, mokakalam dordor lu nakasir.
25Toen legde Hij opnieuw de handen op zijn ogen; en nu zag hij scherper. Hij was genezen, zodat hij alles duidelijk zag.
25E iako tabara tage ikedi tumem abara neis pone; a E lidem dasmer, E ueakai debele, a gaire lu mamoro dasmer.
26Hij zond hem naar huis, en zeide: Ga het dorp zelfs niet in.
26E abi namarida abara metaem, a detager, kega, Nole bakeamu utebem abele.
27Daarna ging Jesus met zijn leerlingen naar de dorpen van Cesarea Filippi. Onderweg ondervroeg Hij zijn leerlingen, en zeide tot hen: Wien zeggen de mensen, dat Ik ben?
27Iesu pako, abara kaimeg giz, gaire utebem Kaisaria Filipo bakeuare; eipu gab ge, Iesu abara kaimeg giz eutumer, kega, Nako gaire le natagere, kaka nete?
28Ze zeiden Hem: Johannes de Doper; anderen: Elias; anderen weer: één der profeten.
28Uiaba detaut, kega, Ioane Bapataiso; epe uader detager, Elia; a uader detager, Nerute perofeta giz.
29Nu vroeg Hij hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus antwoordde Hem: Gij zijt de Christus.
29E uiabi daratagereda, kega, Nako uaba detager, kaka nete? Peteru abi detaut, kega, Mama Keriso.
30En Hij gebood hun ten strengste, hierover met niemand te spreken.
30E uiabi mer tigri, nole nerut le abi atager kak abele.
31Toen begon Hij ze te onderrichten, dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden, en verworpen moest worden door de oudsten, opperpriesters en schriftgeleerden; dat Hij moest worden gedood, en na drie dagen zou verrijzen.
31E ditimeda uiabi ereuerem, Le la Uerem ko asiasi, a aule giz abi derar, a gaire tarim le, a zogozogo le giz, a aotale giz, ko abi ipit eumilu, a keubu thri gerger E iako eded akaida.
32Onbewimpeld sprak Hij er over. Petrus trok Hem ter zijde, en begon Hem tegen te spreken.
32E paret kak detager abele mer. Ege Peteru abi datkimalu, a ditimeda abi daisumda.
33Maar Hij keerde zich om, zag zijn leerlingen aan, bestrafte Petrus, en sprak: Ga weg van Mij, satan! Want ge zijt niet bedacht op wat God wil, maar slechts op wat de mensen willen.
33Ege E egremalu, a abara kaimeg giz dasmerauem, E Peteru daisumda, kega, Mama Satana, bakeam kara sorge; ma nole akiapor kak Ade ra lu, mamoro le la lu.
34Nu riep Hij de schare met zijn leerlingen bijeen, en sprak tot hen: Zo iemand mijn volgeling wil zijn, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen, en Mij volgen.
34E emetu le lakub, kemem abara kaimeg giz, darabgereda, E uiabi detagereda, kega, Nerute le laglag kari narmili, mamoro E tababu obogai, a abara satauro bakuar, a kari narmili.
35Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om Mij en om het Evangelie, zal het redden.
35Abelelam ese nerute le laglag abara eded asisiem abele ko abi; epe ese nerute le abara eded abi, karielam pako Euangelia, abele ko ededem.
36Wat baat het den mens, zo hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?
36Abelelam ese nerute le geseb ge uridili terapei, a abara eded abi, nalu bodomalam abim?
37Of wat zal een mens in ruil geven voor zijn ziel?
37Nade lu le ikuar abara eded bodomalam?
38Want wie zich schaamt over Mij en mijn woorden bij dit overspelig en zondig geslacht, over hem zal zich ook de Mensenzoon schamen, als Hij in de heerlijkheid van zijn Vader komt, te zamen met de heilige engelen.
38Abelelam ese nerute le kari sirip ge, pako kara mer, eipu abele nosik adud le pako eruam le, abkoreb Le la Uerem ko abi sirip ge, E tabarki kemem gaire angela zogo, abara Aba zorom ge.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.