Maleachi 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Daarom priesters, geldt voor u dit besluit:
1ΚΑΙ νῦν ἡ ἐντολὴ αὕτη πρὸς ὑμᾶς, οἱ ἱερεῖς·
2Wanneer gij niet luistert, het niet ter harte wilt nemen, en geen eer brengt aan mijn Naam, dan slinger Ik over uzelf de vloek, en maak ook uw zegen tot vloek. Ja, Ik heb ze nu al tot vloek gemaakt, omdat gij het niet ter harte neemt!
2ἐὰν μὴ ἀκούσητε, καὶ ἐὰν μὴ θῆσθε εἰς τὴν καρδίαν ὑμῶν τοῦ δοῦναι δόξαν τῷ ὀνόματί μου, λέγει Κύριος παντοκράτωρ, καὶ ἐξαποστελῶ ἐφ᾿ ὑμᾶς τὴν κατάραν καὶ ἐπικαταράσομαι τὴν εὐλογίαν ὑμῶν καὶ καταράσομαι αὐτήν· καὶ διασκεδάσω τὴν εὐλογίαν ὑμῶν, καὶ οὐκ ἔσται ἐν ὑμῖν, ὅτι ὑμεῖς οὐ τίθεσθε εἰς τὴν καρδίαν ὑμῶν.
3Zie, Ik zal u de arm afslaan, en slinger u het vuil in het gezicht; men gooit u weg met het vuil van uw feesten.
3ἰδοὺ ἐγὼ ἀφορίζω ὑμῖν τὸν ὦμον καὶ σκορπιῶ ἔνυστρον ἐπὶ τὰ πρόσωπα ὑμῶν, ἔνυστρον ἑορτῶν ὑμῶν, καὶ λήψομαι ὑμᾶς εἰς τὸ αὐτό·
4Dan zult ge weten, dat Ik dit besluit aan u heb voltrokken, om mijn verbond met Levi gestand te doen, spreekt Jahweh der heirscharen.
4καὶ ἐπιγνώσεσθε διότι ἐγὼ ἐξαπέσταλκα πρὸς ὑμᾶς τὴν ἐντολὴν ταύτην τοῦ εἶναι τὴν διαθήκην μου πρὸς τοὺς Λευίτας, λέγει Κύριος παντοκράτωρ.
5Mijn verbond met Levi hield in: leven en vrede. en Ik heb ze hem gegeven; vrees, en hij heeft Mij gevreesd, en gesidderd voor mijn Naam.
5ἡ διαθήκη μου ἦν μετ᾿ αὐτοῦ τῆς ζωῆς καὶ τῆς εἰρήνης, καὶ ἔδωκα αὐτῷ ἐν φόβῳ φοβεῖσθαί με καὶ ἀπὸ προσώπου ὀνόματός μου στέλλεσθαι αὐτόν.
6De leer der waarheid was in zijn mond, en er kwam geen onrecht over zijn lippen; in vrede en oprechtheid heeft hij met Mij verkeerd, en velen van het kwaad weerhouden.
6νόμος ἀληθείας ἦν ἐν τῷ στόματι αὐτοῦ, καὶ ἀδικία οὐχ εὑρέθη ἐν χείλεσιν αὐτοῦ· ἐν εἰρήνῃ κατευθύνων ἐπορεύθη μετ᾿ ἐμοῦ καὶ πολλοὺς ἐπέστρεψεν ἀπὸ ἀδικίας.
7Waarachtig, de lippen van den priester moeten de wijsheid bewaren, uit zijn mond moet men onderricht vragen; want hij is een bode van Jahweh der heirscharen.
7ὅτι χείλη ἱερέως φυλάξεται γνῶσιν, καὶ νόμον ἐκζητήσουσιν ἐκ στόματος αὐτοῦ, διότι ἄγγελος Κυρίου παντοκράτορός ἐστιν.
8Maar zelf zijt gij afgeweken van de weg, en hebt vele anderen door uw lering doen struikelen; gij hebt het verbond met de Levieten geschonden, spreekt Jahweh der heirscharen!
8ὑμεῖς δὲ ἐξεκλίνατε ἐκ τῆς ὁδοῦ καὶ ἠσθενήσατε πολλοὺς ἐν νόμῳ, διεφθείρατε τὴν διαθήκην τοῦ Λευί, λέγει Κύριος παντοκράτωρ.
9Ook daarom maak Ik u verachtelijk en eerloos bij heel het volk, juist zoals gij mijn wegen niet zijt gevolgd, en geen acht op mijn wet hebt geslagen!
9κἀγὼ δέδωκα ὑμᾶς ἐξουδενουμένους καὶ ἀπερριμμένους εἰς πάντα τὰ ἔθνη, ἀνθ᾿ ὧν ὑμεῖς οὐκ ἐφυλάξασθε τὰς ὁδούς μου, ἀλλὰ ἐλαμβάνετε πρόσωπα ἐν νόμῳ.
10Hebben wij niet allen één Vader; heeft niet dezelfde God ons geschapen? Waarom zijn wij dan trouweloos tegen elkander, en ontwijden wij het verbond onzer vaderen?
10Οὐχὶ πατὴρ εἷς πάντων ὑμῶν; οὐχὶ Θεὸς εἷς ἔκτισεν ὑμᾶς; τί ὅτι ἐγκατέλιπε ἕκαστος τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ τοῦ βεβηλῶσαι τὴν διαθήκην τῶν πατέρων ὑμῶν;
11Juda is trouweloos, in Israël en Jerusalem wordt een gruwel bedreven! Ja, Juda heeft ontwijd wat Jahweh heilig is, en door Hem wordt bemind: door de dochter van een vreemden god te huwen.
11ἐγκατελείφθη Ἰούδας, καὶ βδέλυγμα ἐγένετο ἐν τῷ Ἰσραὴλ καὶ ἐν Ἱερουσαλήμ, διότι ἐβεβήλωσεν Ἰούδας τὰ ἅγια Κυρίου, ἐν οἷς ἠγάπησε, καὶ ἐπετήδευσεν εἰς θεοὺς ἀλλοτρίους.
12Moge Jahweh voor den man, die zo iets durft bestaan, getuige, verdediger en offeraar aan Jahweh der heirscharen uit de tenten van Jakob laten verdwijnen!
12ἐξολοθρεύσει Κύριος τὸν ἄνθρωπον τὸν ποιοῦντα ταῦτα, ἕως καὶ ταπεινωθῇ ἐκ σκηνωμάτων Ἰακὼβ καὶ ἐκ προσαγόντων θυσίαν τῷ Κυρίῳ παντοκράτορι.
13Er is nog een tweede ding, dat ge doet. Gij bedekt het altaar van Jahweh met tranen, wenen en zuchten, omdat Hij niet op uw offer neerblikt, en niets met welgevallen uit uw handen aanvaardt.
13καὶ ταῦτα, ἃ ἐμίσουν, ἐποιεῖτε· ἐκαλύπτετε δάκρυσι τὸ θυσιαστήριον Κυρίου καὶ κλαυθμῷ καὶ στεναγμῷ ἐκ κόπων. ἔτι ἄξιον ἐπιβλέψαι εἰς θυσίαν ἢ λαβεῖν δεκτὸν ἐκ τῶν χειρῶν ὑμῶν;
14Ge vraagt: Waarom? Omdat Jahweh als aanklager staat tussen u en de vrouw uwer jeugd, aan wie gij ontrouw zijt geworden: de vrouw, die uw gezellin is geweest, en met wie gij u verbonden hadt!
14καὶ εἴπατε· ἕνεκεν τίνος; ὅτι Κύριος διεμαρτύρατο ἀναμέσον σοῦ καὶ ἀναμέσον γυναικὸς νεότητός σου, ἣν ἐγκατέλιπες, καὶ αὕτη κοινωνός σου καὶ γυνὴ διαθήκης σου.
15Heeft Hij ze niet tot één vlees en leven gemaakt? En wat wil dat éne? Kinderen Gods! Draagt dus zorg voor uw leven, en wordt niet ontrouw aan de vrouw uwer jeugd.
15καὶ οὐκ ἄλλος ἐποίησε, καὶ ὑπόλειμμα πνεύματος αὐτοῦ. καὶ εἴπατε· τί ἄλλο ἀλλ᾿ ἢ σπέρμα ζητεῖ ὁ Θεός; καὶ φυλάξασθε ἐν τῷ πνεύματι ὑμῶν, καὶ γυναῖκα νεότητός σου μὴ ἐγκαταλίπῃς·
16Wie haat en verstoot, spreekt Jahweh, Israëls God, legt nog een onrecht boven zijn kleed, spreekt Jahweh der heirscharen! Draagt dus zorg voor uw leven, en weest niet ontrouw!
16ἀλλὰ ἐὰν μισήσας ἐξαποστείλῃς, λέγει Κύριος ὁ Θεὸς τοῦ Ἰσραήλ, καὶ καλύψει ἀσέβεια ἐπὶ τὰ ἐνθυμήματά σου, λέγει Κύριος παντοκράτωρ. καὶ φυλάξασθε ἐν τῷ πνεύματι ὑμῶν καὶ οὐ μὴ ἐγκαταλίπητε.
17Gij hebt Jahweh door uw woorden vermoeid! Ge zegt: Waarmede hebben wij Hem dan vermoeid? Door te zeggen: Die kwaad doet, is goed in de ogen van Jahweh, en welgevallig aan Hem; of: Waar blijft toch de God van het oordeel!
17Οἱ παροξύναντες τὸν Θεὸν ἐν τοῖς λόγοις ὑμῶν καὶ εἴπατε· ἐν τίνι παρωξύναμεν αὐτόν; ἐν τῷ λέγειν ὑμᾶς· πᾶς ποιῶν πονηρόν, καλὸν ἐνώπιον Κυρίου, καὶ ἐν αὐτοῖς αὐτὸς εὐδόκησε· καὶ ποῦ ἐστιν ὁ Θεὸς τῆς δικαιοσύνης;
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.