Lucas 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1Nu riep Hij het twaalftal bijeen, gaf hun macht en gezag over alle duivels, en tot genezing der zieken,
1Ege E darabgerare abara kaimeg giz, tuelf le, ege E uiabim nakuarare abele adigiri, pako abele sirdam demoni giz uridili dituaki, pako gaire gim le giz uiabi idigiri.
2en zond ze uit om het koninkrijk Gods te gaan preken, en zieken te genezen.
2Ege E uiabi namarida ko natomertare Ade ra baselaia ge, a uiabi idigiri gaire gim le.
3Hij sprak tot hen: Neemt niets mee op weg; geen stok, geen reiszak, geen brood en geen geld; zelfs geen tweede onderkleed moogt gij hebben.
3Ege E uiabim detager, kega, Uaba nole lu aisare kak abele bakeamu, nole koket kak, nole epei kak, nole leuer kak, a nole mani kak; a nole neisi am uali ameare.
4In welk huis gij ook uw intrek neemt, blijft daar, totdat gij weer afreist.
4Uaba nerute meta ge badari, emeri abele, a iako bakeamu.
5En waar men u niet ontvangt, verlaat die stad, en schudt zelfs het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.
5Uiaba le giz uabim agared kak, a nolea uabi asor kak, uaba bakeamu abele gedlam, sep ditkeda uaba teter gablam, uiabi atamelam.
6Toen gingen ze heen, en trokken de dorpen rond; ze preekten het evangelie overal, en genazen de zieken.
6Ege uiaba bakeauare, deraueli gaire ged, a natomertare Ade ra debe mer, a uiabi idigiri gaire gim le uridili.
7Herodes, de viervorst, vernam het gebeurde, en wist niet, wat hij er van denken moest. Want sommigen zeiden: Johannes is van de doden opgestaan;
7Ege Heroda opole asoli gaire lu uridili emetu ikeli: epe abara nerkep au okasosok, abelelam uader detager, kega, Ioane Bapataiso ko eded akaida eudelam;
8anderen: Elias is verschenen; anderen weer: Een van de oude profeten is verrezen.
8A uader detager, kega, Elia pedali paret kak; epe uader detager, kega, Nerute perofeta emeretlam, E ko eded akaida.
9Herodes zeide: Ik heb toch Johannes onthoofd; maar wie is deze dan, over wien ik dit alles hoor? En hij zocht een gelegenheid, om Hem te zien.
9Heroda detager, kega, Kaka derapeida Ioane ra kerem: nete le kaka asoli gaire mer mokakalam? E lagelag abi dasmer.
10Toen de apostelen waren teruggekeerd, verhaalden ze Hem alwat ze gedaan hadden. Hij nam ze mee, en vertrok met hen alleen naar een stad, Betsáida genaamd.
10Ege kaimeg giz ko takomeda, uiaba abim etomertare gaire lu uiaba emetu ikeli. Epe E uiabi ais nerute uteb, nolea le kak, abele ged nei atker Bethesaida.
11Maar het volk merkte het, en ging Hem achterna. Hij ontving ze, sprak tot hen over het koninkrijk Gods, en Hij genas, wie genezing behoefde.
11Ege gaire le lakub uiaba emetu umele, a uiaba abi irmilare: ege E uiabi agiz, E uiabi detager tonar Ade ra baselaia ge, pako idigiri uader le lagelag eded.
12Maar toen de avond begon te vallen, kwam het twaalftal naar Hem toe, en zeide: Zend de menigte heen; dan kunnen ze naar de omliggende dorpen en vlekken gaan, om onderkomen en voedsel te vinden; want we zijn hier in een verlaten streek.
12Ege maike lem baraigida; epe gaire tuelf le tabarki, a abi detager, kega, Debele ma namarida gaire le lakub, iaueakai uiaba bakeauare gaire uteb, abele kebi uteb maike, uiaba emeri, a leuer deraimer: abelelam abele uteb nolea le kak.
13Hij sprak tot hen: Geeft gij hun te eten. Ze zeiden: We hebben slechts vijf broden en twee vissen; of zouden we zelf misschien voor al dat volk eten moeten gaan kopen?
13Ege E uiabi detager, kega, Uaba uiabi leuer ikuar. Ege uiaba abi detager, kega, Meriba nolea leuer kak, no faif areto a lar neisi; debele keriba ko bakeamu leuer terapei uiabim peike gaire le lakub.
14Want er waren ongeveer vijf duizend mannen. Maar Hij zei tot zijn leerlingen: Laat hen in groepen van vijftig gaan zitten.
14Abelelam mokakalam faif tausan le uridili. Ege E uiabim detager, kega, abara kaimeg giz, Uaba uiabim detager debele uiaba manoro emeri, fifte le gaire nosik.
15Ze deden het, en deden ze allen neerzitten.
15Ege uiaba ikerare abkoreb mokakalam abara mer, a uiabim uridili detagereda, kega, Gaire nosik uaba mamoro emeri.
16Nu nam Hij de vijf broden en de twee vissen, zag ten hemel op, sprak er de zegen over uit, brak ze en gaf ze aan de leerlingen, om ze de menigte aan te bieden.
16Epe E tais faif areto a lar neisi, E kotor dimirualu, a esoao, a itur; a uiabi nakuarare, abara kaimeg giz, a uiaba naisuerare abele gaire le lakub.
17Allen aten en werden verzadigd; en ze verzamelden het overschot: twaalf korven met brokken.
17Ege uiaba eroare, ege uiaba uridili gem osmeda; epe uiaba kaier leuer arot epei ge, ege tuelf epei osmeda, leuer mogmog.
18Toen Hij eens in de eenzaamheid aan het bidden was, en de leerlingen bij Hem waren, stelde Hij hun de vraag: Wien zegt het volk, dat Ik ben?
18E tepteb esorerapare, abara kaimeg giz uiaba okakis: epe E uiabi nautumerare, kega, Nako gaire le la mer karim nete?
19Ze antwoordden: Johannes de Doper; anderen: Elias; anderen weer: Een van de oude profeten is verrezen.
19Ege uiaba abi detautare, kega, Ioane Bapataiso; epe uader detager, kega, Elia; a uader detager, kega, Nerute perofeta emeretlam, E ko eded akaida.
20Hij zeide hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus antwoordde: De Christus van God.
20Ege E uiabim detager, kega, Nako uaba mer karim nete? Epe Peteru abi detaut, kega, Mama Keriso Adelam.
21En Hij verbood hun ten strengste, dit aan iemand te zeggen.
21Epe E uiabim daraisumdarare, kega, Nolea nerute le etomeret abele lu;
22Nu zeide Hij: De Mensenzoon zal veel moeten lijden, en verworpen worden door de oudsten en opperpriesters en schriftgeleerden. Hij zal worden gedood, en op de derde dag verrijzen.
22Kega, Abkoreb gaire lu asias Ade ra Uerem, pako aule giz abi dikaer, pako zogozogo le giz, pako aotale giz, uiaba abi ipitare, a thri gerger ko eded.
23Nu sprak Hij tot allen: Zo iemand mijn volgeling wil zijn, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen iedere dag, en Mij volgen.
23Ege E uiabim gaire le uridili detager, kega, Ese nerute le lagelag kari narmili, mamoro E tababu obogai, abara satauro bakuar gaire gerger, a kari narmili.
24Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden.
24Abelelam, ese nerute le lagelag abara eded asisiem, abele ko abi; ese nerute le abara eded abi karielam, abele ko ededem.
25Wat baat het den mens, zo hij de hele wereld wint, maar zichzelf prijsgeeft of schade berokkent?
25Abelelam, ese nerute le geseb ge uridili terapei, a abara mar abi, pako adem, nalu bodomalam abim?
26Want wie zich schaamt over Mij en mijn woorden, over hem zal Zich ook de Mensenzoon schamen, als Hij in zijn heerlijkheid komt, en in die van zijn Vader en van de heilige engelen.
26Ese nerute le kari sirip ge, pako kara mer, abkoreb Le la Uerem ko abi sirip ge, E tabarki kemem gaire angela zogo, abara Aba zorom ge.
27Voorwaar, Ik zeg u: Daar zijn er onder de hier aanwezigen, die de dood niet zullen smaken, voordat ze het koninkrijk Gods hebben gezien.
27Ageakar, kaka uabim detager, kega, Uader peike, uiaba nole eud kak, kekiam uiaba Ade ra baselaia dasmerauem.
28Ongeveer acht dagen later nam Jesus Petrus, Johannes en Jakobus met Zich mee, en ging de berg op, om te bidden.
28Ege gaire mer eseamulu, nako eit gerger, epe E abi ais Peteru, pako Ioane, pako Iakobo, ege uiaba ogi nerute tumem perepere paser ge, E esorerapare.
29En terwijl Hij bad, veranderde het uiterlijk van zijn gelaat, en zijn kleed werd schitterend wit.
29E esorerapare, a abara op depegemelu, E kakekak abara ame uali, au zoromzorom.
30Zie, twee mannen spraken met Hem; het waren Moses en Elias,
30Dasmer, ege neisi le uiaba abi mer atagerem, Mose pako Elia;
31die in heerlijkheid waren verschenen, en zijn dood bespraken, die Hij te Jerusalem zou ondergaan.
31Ui etomeret au zoromzorom, ege uiaba mer atager tonar abara eumid keubu, Ierusalema ge.
32Petrus en zijn gezellen waren intussen door slaap overmand; eerst bij hun ontwaken zagen ze zijn heerlijkheid en de beide mannen, die bij Hem stonden.
32Ege Peteru au uteidi pako uader abi kemem: ege uiaba ekiam, a uiaba erdalare abara au zoromzorom, pako neisi le uiaba ekue okakis.
33Toen dezen van Hem weg wilden gaan, sprak Petrus tot Jesus: Meester, het is ons goed, hier te zijn; laat ons drie tenten opslaan, één voor U, één voor Moses en één voor Elias. Hij wist niet goed wat hij zeide.
33Epe ui bakeamulei, a Iesu dikaer, epe Peteru abi detager Iesuim, kega, Opole, debele meriba emeri peike: keriba thri meta akerare; mara nerute, Mose ra nerute, a Elia ra nerute: ege E nole akiapore kak abele mer detager.
34Terwijl hij zo sprak, kwam er een wolk, die hen overschaduwde; en toen de leerlingen hen de wolk zagen ingaan, werden ze bang.
34Abele gaire mer, uiaba natkamda baz de, a uiaba ispilu: ege uiaba au geum, abele baz maike.
35En uit de wolk klonk een stem: Deze is mijn uitverkoren Zoon; luistert naar Hem.
35Le la mer teosmeda abele bazelam, kega, Kara Uerem nasge idali: uaba abim asoli.
36Terwijl de stem klonk, bevond Zich Jesus alleen. Ze bewaarden het stilzwijgen over wat ze hadden gezien, en vertelden het toen nog aan niemand.
36Ege abele mer sobkak eseamulu, epe uiaba erdali Iesu, E tepteb. A uiaba nolea mer kak, a uiaba nolea etomeret nerute le, abele kerker, gaire lu uiaba erdalare.
37Toen ze de volgende dag van de berg afdaalden, kwam een talrijke menigte Hem tegemoet.
37Idim ge, uiaba paserlam batueli, epe uiaba obapit gaire le lakub.
38En zie, een man uit de menigte riep hun toe, en zeide: Meester, ik bid U, zie neer op mijn zoon; want hij is mijn enig kind.
38Dasmer, nerute le ereretikri le lakublam, kega, Ereuere le ae, kaka mari damosi, ma dasmer kara uerem; abelelam kara uerem netate:
39Zie, een geest grijpt hem aan, en plotseling gilt hij het uit; hij doet hem stuiptrekken en schuimbekken, en als hij hem heeft uitgeput, verlaat hij hem nòg bijna niet.
39Dasmer, ege E nagri abara gim lamar uit, epe E ereretikri, E udud, abara te ueker, E bapegiri, E nolea sobkak osmelu.
40Ik heb uw leerlingen verzocht, hem uit te drijven, maar ze konden het niet.
40Kaka damosi mara kaimeg giz, uiaba dituaki osmeda adige; a uiaba nolea umer kak.
41Jesus antwoordde: O ongelovig en boos geslacht, hoe lang nog zal Ik bij u zijn, en u dulden? Breng uw zoon hier.
41Ege Iesu detaut, kega, Abele nosik nolea oatur kak, pako erar, kaka uabim kemem naket gerger? pako omare uabim naket gerger? mara uerem karim tegaret.
42Terwijl hij naderde, smeet de duivel hem weer tegen de grond, en deed hem stuipen krijgen. Jesus bestrafte den onreinen geest, genas den knaap, en gaf hem aan zijn vader terug.
42Ege E tabakeamu, E ekesmeri, E udud, abele demoni giz, epe Iesu daisumda abele uit lamar, pako idigiri abele uerem, E ikuar abara aba.
43En allen waren vol van ontzetting voor de majesteit Gods. Maar terwijl iedereen in verwondering was over al wat Hij deed, sprak Hij tot zijn leerlingen:
43Ege uiaba uridili au damreda Ade ra atamelam. Epe uiaba uridili au damreda gaire lu Iesu de ikeli, epe E uiabi detager, abara kaimeg giz,
44Houdt het goed in gedachte: De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen.
44Uaba mamoro asoli abele mer: abelelam Ade ra Uerem maike uadikuarare le la tag.
45Ze begrepen dit niet. Het bleef hun duister, en ze verstonden het niet; toch durfden ze Hem ook niet over dit woord ondervragen.
45A uiaba nolea umer kak abele mer, ege uiaba nolea erdali, abelelam uiaba nolea asoli abele lu: ege uiaba au geum abi itimer tonar abele mer.
46Eens kwam de gedachte bij hen op, wie van hen de grootste zou zijn.
46Ege uiaba asareda, nete le aule.
47Maar Jesus, die de gedachte van hun hart kende, nam een kind, plaatste het naast Zich,
47Ege Iesu opasereret abele dikiapore uiaba nerkep, epe E erpei nerute kebi uerem, E ekue maike abi dog.
48en zei hun: Wie dit kind opneemt in mijn Naam, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op, die Mij heeft gezonden. Want wie de kleinste is onder u allen, hij is groot.
48Ege E uiabi daratagerare, kega, Ese nerute le tegared abele kebi uerem kari nei ge, ege E karim tegared: ese nerute le karim tegared, ege E tegared abele le kari namarida: abelelam E kebile ise uabim dali, E aule.
49Johannes nam het woord, en sprak: Meester, we hebben iemand duivels uit zien drijven in uw Naam; we hebben het hem verboden, omdat hij zich niet bij ons aansluit.
49Ege Ioane de abi detager, kega, Opole, keriba erdali nerute le E imud demoni giz mari nei ge; epe keriba abi daisumdardar, abelelam E nolea meribi irmili.
50Jesus zei hem: Verbiedt het hem niet; want wie niet tegen u is, hij is vóór u.
50Ege Iesu abi detager, kega, Uaba nolea daisumda: ese nerute le nole meribi dedkoli, E meribi okakis.
51Toen nu de tijd van zijn hemelvaart begon te naderen, besloot Hij naar Jerusalem te gaan.
51Ege abara kerker maike tabarki, E iako takomeda kotor ge, ege E bakeamulu Ierusalema ge,
52Hij zond boden voor Zich uit; ze gingen op reis, en kwamen in een stad der Samaritanen, om Hem een verblijf te bereiden.
52Ege uader ko namarkare abi kekiam: ui ge bakeauare bamer nerute uteb Samaria ge, ui abim derserare.
53Maar men ontving Hem niet, omdat Hij naar Jerusalem reisde.
53A uiaba nolea abi la kak, abelelam E bakeamulu Ierusalema ge.
54Toen zijn leerlingen Jakobus en Johannes dit merkten, zeiden ze: Heer, wilt Gij, dat we zeggen, dat er vuur uit de hemel komt, om ze te verdelgen?
54Ege neis abara kaimeg giz, Iakobo a Ioane, ui erdalei, ui detagerei, kega, Opole, nako ma lagelag ki datagerei debele ur uatabu kotorlam, ueakai ui obaum, mokakalam Elia de ikeli?
55Maar Hij keerde Zich om, en berispte hen. Hij zeide: Gij weet niet, wat voor geest u bezielt.
55A Iesu sorem egreemalu, E uiabi barditug, kega, Uaba nolea umer kak tonar muige uaba nerkep.
56Want de Mensenzoon is niet gekomen, om de zielen der mensen in het verderf te storten, maar om ze te redden. Ze gingen dus naar een ander dorp.
56Abelelam Ade ra Uerem tabarki nolea dedkoli le la eded, epe E tabarki ueakai gaire le eded nagri. Ui ge bakeauare nerute utebem.
57Terwijl zij voortreisden, zei iemand tot Hem: Ik zal U volgen, waarheen Gij ook gaat.
57Ui ge bakeauare abele gab ge, ege nerute le abi detager, kega, Opole, kaka mari narmili gaire uteb ma bakeamu.
58Jesus zeide hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht hebben nesten; maar de Mensenzoon heeft niets, om er zijn hoofd op te leggen.
58Ege Iesu de abi detager, kega, Arobe nagri abara kur, pako gaire epereda ebur nagri uteb uteidi; epe Le la Uerem nolea uteb kak uteidi.
59En tot een ander sprak Hij: Volg Mij. Deze zeide: Heer, sta me toe, eerst mijn vader te gaan begraven.
59Ege E detager nerute le, Ma kari narmili. Ege abim detaut, kega, Opole, ma kari nakuar kaka kekiam nabakeamulu atkobeilu kara aba.
60Jesus sprak tot hem: Laat de doden hun doden begraven; ga heen, en verkondig het koninkrijk Gods.
60A Iesu abi detager, kega, Debele ikedi le eumida uiaba etkobei; marim abkoreb ma ekue etomeret Ade ra baselaia ge.
61Weer een ander zeide: Ik zal U volgen Heer; maar sta me toe, eerst van mijn huisgenoten afscheid te nemen.
61Ege nerute le abi detager, kega, Opole, kaka mari narmili; epe ma kari nakuar kaka kekiam bakeamu natomertare karbara boai.
62Jesus sprak tot hem: Wie zijn hand aan de ploeg slaat en achterwaarts blikt, is niet geschikt voor het koninkrijk Gods.
62Ege Iesu de abi detager, kega, Ese nerute le erpei abele uet abara tag, a dikaer, a ko sorem egreemalu, E nolea abkoreb Ade ra baselaia ge.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.