Johannes 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Zodra de Heer echter vernam, dat de farizeën gehoord hadden, hoe Jesus meer leerlingen won en doopte dan Johannes,
1ויהי כאשר נודע לאדון כי שמעו הפרושים אשר ישוע העמיד והטביל תלמידים הרבה מיוחנן׃
2(hoewel Jesus zelf niet doopte, maar zijn leerlingen),
2ואולם ישוע הוא לא הטביל כי אם תלמידיו׃
3verliet Hij Judea, en vertrok Hij weer naar Galilea.
3ויעזב את ארץ יהודה וילך שנית הגלילה׃
4En daar Hij door Samaria moest reizen,
4ויהי לו לעבר בארץ שמרון׃
5kwam Hij zo in een stad van Samaria, Sikar geheten, nabij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Josef geschonken had.
5ויבא לעיר מערי שמרון ושמה סוכר היא ממול חלקת השדה אשר נתנה יעקב לבנו ליוסף׃
6Daar bevond zich ook de bron van Jakob. Jesus, vermoeid van de reis, zette Zich neer bij de bron. Het liep tegen het zesde uur.
6ושם באר יעקב וישוע היה עיף מן הדרך וישב לו על הבאר והעת כשעה הששית׃
7Een vrouw uit Samaria kwam water putten. Jesus zeide haar: Geef Mij te drinken.
7ותבא אשה משמרון לשאב מים ויאמר אליה ישוע תני נא לי לשתות׃
8Want zijn leerlingen waren naar de stad gegaan, om levensmiddelen te kopen.
8כי תלמידיו הלכו העירה לקנות אכל׃
9De samaritaanse vrouw zei Hem: Hoe, Gij, een Jood, vraagt te drinken aan mij, een samaritaanse vrouw? (Joden namelijk hebben geen omgang met Samaritanen.)
9ותאמר אליו האשה השמרונית הן יהודי אתה ואיככה תשאל ממני לשתות ואנכי אשה שמרונית כי לא יתערבו היהודים עם השמרונים׃
10Jesus gaf haar ten antwoord: Zo ge de gave Gods verstondt, en wie het is, die u zegt: “Geef Mij te drinken”, dan zoudt gij het Hem hebben gevraagd, en Hij zou u levend water hebben gegeven.
10ויען ישוע ויאמר אליה לו ידעת את מתת אלהים ומי הוא האמר אליך תני נא לי לשתות כי עתה שאלת ממנו ונתן לך מים חיים׃
11Ze zei Hem: Heer, Gij hebt niet eens een emmer, en de put is diep; waar haalt Gij dan het levend water vandaan?
11ותאמר אליו האשה אדני הן אין לך כלי לשאב בו והבאר עמקה ומאין לך אפוא מים חיים׃
12Zijt Gij soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft geschonken, en die er zelf uit dronk met zijn zonen en zijn vee?
12האתה גדול מיעקב אבינו אשר נתן לנו את הבאר הזאת וישת ממנה הוא ובניו ובעירו׃
13Jesus antwoordde haar: Wie van dit water drinkt, krijgt weer dorst. Maar wie drinkt van het water, dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen;
13ויען ישוע ויאמר אליה כל השתה מן המים האלה ישוב ויצמא׃
14integendeel, het water, dat Ik hem zal geven, zal een bron in hem worden van water, dat opborrelt ten eeuwigen leven.
14ואשר ישתה מן המים אשר אנכי נתן לו לא יצמא לעולם כי המים אשר אתן לו יהיו בקרבו למקור מים נבעים לחיי העולמים׃
15De vrouw zeide Hem: Heer, geef me dat water, opdat ik geen dorst meer krijg, en niet meer hier hoef komen putten.
15ותאמר אליו האשה אדני תנה לי המים ההם למען לא אצמא עוד ולא אוסיף לבוא הנה לשאב׃
16Hij sprak tot haar: Ga uw man roepen, en kom hier terug.
16ויאמר אליה ישוע לכי וקראי לאישך ושובי הלום׃
17De vrouw antwoordde: Ik heb geen man. Jesus zeide haar: Dat zegt ge wèl: “Ik heb geen man”.
17ותען האשה ותאמר אין לי איש ויאמר אליה ישוע כן דברת אין לי איש׃
18Want vijf mannen hebt ge gehad, en dien ge nu hebt, is niet uw man; dat hebt ge naar waarheid gezegd.
18כי בעלים חמשה היו לך ואשר לך עתה איננו בעלך לכן אמת הדבר אשר דברת׃
19De vrouw zei Hem: Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt.
19ותאמר אליו האשה אדני ראה אנכי כי נביא אתה׃
20Onze vaderen aanbaden God op deze berg, en gij allen beweert, dat in Jerusalem de plaats is gelegen, waar men Hem aanbidden moet.
20אבותינו השתחוו בהר הזה ואתם אמרים כי ירושלים היא המקום הנבחר להשתחות שמה׃
21Jesus sprak tot haar: Geloof Mij, vrouw; er komt een uur, waarin gij noch op deze berg noch te Jerusalem den Vader zult aanbidden.
21ויאמר אליה ישוע אשה האמיני לי כי תבוא שעה אשר לא בהר הזה אף לא בירושלים תשתחוו לאב׃
22Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat we kennen; want het Heil komt uit de Joden.
22אתם משתחוים אל אשר לא ידעתם ואנחנו משתחוים אל אשר ידענו כי הישועה מן היהודים היא׃
23Maar toch, er komt een uur, en het is er reeds, waarin de ware aanbidders den Vader in geest en waarheid zullen aanbidden. Want de Vader verlangt zulke aanbidders;
23אולם תבוא שעה ועתה היא אשר עבדי אל האמתים ישתחוו לאב ברוח ובאמת כי במשתחוים כאלה חפץ האב׃
24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden.
24האלהים רוח הוא והמשתחוים לו צריכים להשתחות ברוח ובאמת׃
25De vrouw zeide Hem: Ik weet, dat de Messias komt, (die Christus genoemd wordt); wanneer Die komt, dan zal Hij ons alles verkondigen.
25ותאמר אליו האשה ידעתי כי יבא המשיח הנקרא כריסטוס הוא בבאו יגיד לנו את כל׃
26Jesus zeide haar: Dat ben Ik, die met u spreek.
26ויאמר אליה ישוע אני הוא המדבר אליך׃
27Op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug, en ze verwonderden zich, dat Hij met een vrouw aan het spreken was. Maar niemand zeide: Wat wenst Gij, of wat bespreekt Gij met haar?
27ויהי הוא מדבר ככה ותלמידיו באו ויתמהו על דברו עם אשה אך לא אמר לו איש מה זה תשאל או מה תדבר עמה׃
28De vrouw liet nu haar waterkruik staan, ging naar de stad, en zei tot de mensen:
28ותעזב האשה את כדה ותלך העירה ותאמר אל האנשים׃
29Komt eens zien naar een man, die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; Hij is misschien wel de Christus!
29באו וראו איש אשר הגיד לי כל אשר עשיתי הכי זה הוא המשיח׃
30En men ging de stad uit, en kwam naar Hem toe.
30ויצאו מן העיר ויבאו אליו׃
31Intussen nodigden de leerlingen Hem uit, en zeiden: Rabbi, eet.
31טרם יבאו ותלמידיו בקשו ממנו לאמר אכל נא אדני׃
32Maar Hij sprak tot hen: Ik heb een spijs te eten, die gij niet kent.
32ויאמר אליהם יש לי אכל לאכל אשר אתם לא ידעתם׃
33De leerlingen zeiden dus tot elkander: Heeft iemand Hem soms iets te eten gebracht?
33ויאמרו התלמידים איש אל רעהו הכי הביא לו איש לאכל׃
34Jesus sprak tot hen: Mijn spijs is, de wil te volbrengen van Hem, die Mij heeft gezonden, en zijn werk te voltooien.
34ויאמר אליהם ישוע מאכלי הוא לעשות רצון שלחי ולהשלים מעשהו׃
35Zegt gij niet: Nog vier maanden, en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Slaat uw ogen op, en kijkt naar de velden; ze staan reeds wit voor de oogst.
35הלא אתם תאמרו כי עוד ארבעה חדשים והקציר בא הנה אני אמר לכם שאו עיניכם וראו בשדות כי כבר הלבינו לקציר׃
36Ook de maaier ontvangt loon, en verzamelt vrucht ten eeuwigen leven, opdat zaaier en maaier zich samen verheugen.
36והקוצר יקח שכרו ויאסף תבואה לחיי עולמים למען ישמחו יחדו גם הזרע גם הקוצר׃
37Want hier wordt het spreekwoord bewaarheid: de een zaait, de ander maait.
37כי בזאת אמת המשל כי זה זרע ואחר יקצר׃
38Ik zond u uit, om de oogst binnen te halen, waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd, en gij krijgt de vrucht van hun werk.
38אנכי שלחתי אתכם לקצר את אשר לא עמלתם בו ואחרים עמלו ואתם נכנסתם בעמלם׃
39Vele Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij alles gezegd, wat ik gedaan heb.
39ויאמינו בו שמרנים רבים מן העיר ההיא על דבר האשה אשר העידה לאמר הוא הגיד לי את כל אשר עשיתי׃
40Toen dus de Samaritanen bij Hem kwamen, verzochten ze Hem, bij hen te blijven. Zo bleef Hij daar twee dagen lang.
40ויהי כאשר באו אליו השמרנים וישאלו ממנו לשבת אתם וישב שם יומים׃
41En door zijn prediking geloofden er nog veel meer;
41ועוד רבים מהמה האמינו בו בעבור דברו׃
42en ze zeiden tot de vrouw: Nu geloven we niet meer op uw zeggen; want we hebben het zelf gehoord, en we weten, dat deze waarachtig de Verlosser der wereld is.
42ויאמרו אל האשה מעתה לא בעבור מאמרך נאמין כי באזנינו שמענו ונדע כי אמנם זה הוא המשיח מושיע העולם׃
43Toen die twee dagen voorbij waren, vertrok Hij vandaar naar Galilea.
43ויהי מקץ שני הימים ויצא משם ללכת הגלילה׃
44Want Jesus zelf heeft verklaard, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen aanzien geniet.
44כי הוא ישוע העיד כי נביא בארץ מולדתו איננו נכבד׃
45Toen Hij dus in Galilea kwam, namen de Galileërs Hem gunstig op, daar ze alles hadden gezien, wat Hij te Jerusalem op het feest had gedaan; want ook zij waren opgegaan naar het feest.
45ויהי הוא בא ארץ הגליל ויאספהו אנשי הגליל כי ראו את כל אשר עשה בירושלים בימי החג כי גם הם עלו לחג את החג׃
46Zo kwam Hij dan opnieuw in Kana van Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. Nu woonde er te Kafárnaum een zekere hofbeambte, wiens zoon ziek lag.
46ויבא ישוע עוד הפעם אל קנה אשר בגליל מקום שומו המים ליין ואיש היה מעבדי המלך ובנו חלה בכפר נחום׃
47Toen hij vernam, dat Jesus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij naar Hem toe, en verzocht Hem, zijn zoon te komen genezen; want die lag op sterven.
47ויהי כשמעו כי בא ישוע מיהודה לארץ הגליל וילך אליו וישאל מאתו לרדת ולרפא את בנו כי קרב למות׃
48Maar Jesus sprak tot hem: Zo gij geen tekenen en wonderen ziet, gelooft gij niet.
48ויאמר אליו ישוע אם לא תראו אתות ומופתים לא תאמינו׃
49De hofbeambte zei Hem: Heer, kom mee, eer mijn kind dood is.
49ויאמר אליו האיש אשר מעבדי המלך אדני רדה נא בטרם ימות בני׃
50Jesus sprak tot hem: Ga heen, uw zoon is gezond. De man geloofde het woord, dat Jesus hem zeide, en ging heen.
50ויאמר אליו ישוע לך לך בנך חי והאיש האמין לדבר אשר דבר אליו ישוע וילך׃
51Maar reeds onderweg kwamen zijn dienaars hem tegen en zeiden, dat zijn zoon weer gezond was.
51ויהי ברדתו ויפגעו בו עבדיו ויבשרו אתו כי חי בנו׃
52Hij vroeg hen naar het uur, waarop de beterschap was ingetreden. Ze zeiden hem: Gisteren, te zeven uur, heeft de koorts hem verlaten.
52וידרש מאתם את השעה אשר בה רוח לו ויאמרו אליו תמול בשעה השביעית עזבתו הקדחת׃
53De vader erkende, dat dit juist het uur was, waarop Jesus hem had gezegd: Uw zoon is gezond. En hij geloofde met heel zijn gezin.
53וידע אביהו כי היתה השעה אשר דבר לו ישוע בנך חי ויאמן הוא וכל ביתו׃
54Ook dit tweede teken deed Jesus na zijn komst uit Judea in Galilea.
54זה הוא האות השני אשר עשה ישוע בבאו מיהודה לארץ הגליל׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.