Jesaja 33
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Wee u verwoester, zelf niet verwoest, Rover, dien men nog niet heeft beroofd: Zijt ge klaar met verwoesten, dan wordt ge verwoest, Hebt ge voldoende geroofd, dan berooft men ook u!
1Malheur à toi qui ravages, et qui n’as pas été ravagé! Qui pilles, et qu’on n’a pas encore pillé! Quand tu auras fini de ravager, tu seras ravagé; Quand tu auras achevé de piller, on te pillera.
2O Jahweh, wees ons genadig, Wij vertrouwen op U; Wees iedere morgen opnieuw onze hulp, Onze redding in tijden van nood.
2Éternel, aie pitié de nous! Nous espérons en toi. Sois notre aide chaque matin, Et notre délivrance au temps de la détresse!
3Voor uw machtige donder vluchten de naties, Als Gij opstaat, stuiven de volken uiteen;
3Quand ta voix retentit, Les peuples fuient; Quand tu te lèves, Les nations se dispersent.
4Dan oogst men buit, zoals de sprinkhanen oogsten, Dan valt men er als de vraten op aan.
4On moissonne votre butin, Comme moissonne la sauterelle; On se précipite dessus, Comme se précipitent les sauterelles.
5Verheven zijt Gij, o Jahweh, die woont in de hoge, Die Sion met recht en gerechtigheid hebt vervuld;
5L’Éternel est élevé, Car il habite en haut; Il remplit Sion De droiture et de justice.
6Uw onwankelbare trouw was hem een weelde van heil, Wijsheid en kennis, en de vreze van Jahweh waren zijn schat.
6Tes jours seront en sûreté; La sagesse et l’intelligence sont une source de salut; La crainte de l’Éternel, C’est là le trésor de Sion.
7Maar nu staan de Offerhaard-mannen buiten te jammeren. De vredeboden bitter te wenen:
7Voici, les héros Poussent des cris au-dehors; Les messagers de paix Pleurent amèrement.
8“Hij heeft de verdragen geschonden, De steden beschimpt, en niemand ontzien!” De wegen liggen verlaten, geen reizigers meer,
8Les routes sont désertes; On ne passe plus dans les chemins. Il a rompu l’alliance, il méprise les villes, Il n’a de respect pour personne.
9Het land treurt en kwijnt, de Libanon schaamt zich; Als een wildernis ligt de Sjaron verdord, Basjan en Karmel staan kaal.
9Le pays est dans le deuil, dans la tristesse; Le Liban est confus, languissant; Le Saron est comme un désert; Le Basan et le Carmel secouent leur feuillage.
10Maar nu zal Ik opstaan, spreekt Jahweh; Nu rijs Ik omhoog, nu richt Ik mij op:
10Maintenant je me lèverai, Dit l’Éternel, Maintenant je serai exalté, Maintenant je serai élevé.
11Gij gaat zwanger van stro, en kaf zult ge baren, Mijn adem zal als een vuur u verslinden!
11Vous avez conçu du foin, Vous enfanterez de la paille; Votre souffle, C’est un feu qui vous consumera.
12De volkeren zullen verbranden als kalk, Worden uitgetrokken als doornen, en verteerd door het vuur.
12Les peuples seront Des fournaises de chaux, Des épines coupées Qui brûlent dans le feu.
13Die verre zijt, hoort wat Ik doe, Beseft, die nabij zijt, mijn kracht!
13Vous qui êtes loin, écoutez ce que j’ai fait! Et vous qui êtes près, sachez quelle est ma puissance!
14En op Sion zullen de zondaars sidderen, De godvergetenen rillen: “Wie onzer kan ‘t houden bij het verslindende vuur, Wie onzer kan ‘t houden bij de eeuwige gloed!”
14Les pécheurs sont effrayés dans Sion, Un tremblement saisit les impies: Qui de nous pourra rester auprès d’un feu dévorant? Qui de nous pourra rester auprès de flammes éternelles?
15Maar die in gerechtigheid wandelt, niet veinst bij zijn spreken, Afgeperste winsten versmaadt, zijn handen dichtknijpt voor omkoperij; Die zijn oren stopt, om geen moordplan te horen, Zijn ogen sluit, om geen misdaad te zien:
15Celui qui marche dans la justice, Et qui parle selon la droiture, Qui méprise un gain acquis par extorsion, Qui secoue les mains pour ne pas accepter un présent, Qui ferme l’oreille pour ne pas entendre des propos sanguinaires, Et qui se bande les yeux pour ne pas voir le mal,
16Zo een zal op de hoogten wonen, De burcht op de rotsen zijn toevlucht zijn; Brood zal hem worden gereikt, Water hem nimmer ontbreken.
16Celui-là habitera dans des lieux élevés; Des rochers fortifiés seront sa retraite; Du pain lui sera donné, De l’eau lui sera assurée.
17Dan zullen uw ogen den Koning in zijn glorie aanschouwen, En een land van onmetelijke omvang zien;
17Tes yeux verront le roi dans sa magnificence, Ils contempleront le pays dans toute son étendue.
18Dan denkt uw hart aan de verschrikkingen terug: Waar is de schatter, de ijker; waar hij die torens kwam tellen?
18Ton cœur se souviendra de la terreur: Où est le secrétaire, où est le trésorier? Où est celui qui inspectait les tours?
19Dan zult ge dat brutale volk niet meer zien, Dat volk met zijn duistere, onbegrijpelijke taal, Met zijn brabbelende tong, Die ge niet kondt verstaan.
19Tu ne verras plus le peuple audacieux, Le peuple au langage obscur qu’on n’entend pas, A la langue barbare qu’on ne comprend pas.
20Maar ge zult Sion aanschouwen, de stad waar wij één zijn; Uw ogen zullen Jerusalem zien, de veilige stede, De tent die nooit wordt verplaatst, Wier pinnen niet worden uitgerukt, wier koorden niet springen.
20Regarde Sion, la cité de nos fêtes! Tes yeux verront Jérusalem, séjour tranquille, Tente qui ne sera plus transportée, Dont les pieux ne seront jamais enlevés, Et dont les cordages ne seront point détachés.
21Neen, Jahweh zal daar onze Machtige zijn, In plaats van stromen en brede rivieren, Waarop geen galjoenen meer varen, Geen trotse bodems meer stevenen.
21C’est là vraiment que l’Éternel est magnifique pour nous: Il nous tient lieu de fleuves, de vastes rivières, Où ne pénètrent point de navires à rames, Et que ne traverse aucun grand vaisseau.
22Want Jahweh zal onze rechter zijn, Jahweh onze bestuurder en koning:
22Car l’Éternel est notre juge, L’Éternel est notre législateur, L’Éternel est notre roi: C’est lui qui nous sauve.
23Hij zal ons redden, al hangen uw touwen slap, Al houden ze de masten niet vast, en spannen de zeilen niet uit. Dan maken zelfs blinden nog buit, En plunderen de lammen.
23Tes cordages sont relâchés; Ils ne serrent plus le pied du mât et ne tendent plus les voiles. Alors on partage la dépouille d’un immense butin; Les boiteux même prennent part au pillage:
24En niemand der burgers zal zeggen: Ik ben ziek; Het volk, dat er woont, is zijn zonde vergeven!
24Aucun habitant ne dit: Je suis malade! Le peuple de Jérusalem reçoit le pardon de ses iniquités.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.