Jesaja
Chapter 19
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Godsspraak over Egypte. Zie, Jahweh bestijgt een vlugge wolk, En rijdt Egypteland binnen: Egypte’s goden beven voor Hem, Het hart van Egypte smelt weg in zijn borst.
1Oracle sur l’Égypte. Voici, l’Éternel est monté sur une nuée rapide, il vient en Égypte; Et les idoles de l’Égypte tremblent devant lui, Et le cœur des Égyptiens tombe en défaillance.
2Ik hits Egypte op tegen Egypte, Ze vechten tegen elkander: Vriend tegen vriend, en stad tegen stad, En rijk tegen rijk!
2J’armerai l’Égyptien contre l’Égyptien, Et l’on se battra frère contre frère, ami contre ami, Ville contre ville, royaume contre royaume.
3Egypte verliest zijn bezinning, Zijn plannen gooi Ik dooreen; Ze vragen hun goden en bezweerders om raad, Hun schimmen en waarzeggers.
3L’esprit de l’Égypte disparaîtra du milieu d’elle, Et j’anéantirai son conseil; On consultera les idoles et les enchanteurs, Ceux qui évoquent les morts et ceux qui prédisent l’avenir.
4Maar Ik lever Egypte over aan een grimmigen meester, Een wrede koning zal over hen heersen: Is de godsspraak des Heren, Van Jahweh der heirscharen!
4Et je livrerai l’Égypte entre les mains d’un maître sévère; Un roi cruel dominera sur eux, Dit le Seigneur, l’Éternel des armées.
5De wateren der zee zinken weg, De stroom wordt leeg en droogt uit,
5Les eaux de la mer tariront, Le fleuve deviendra sec et aride;
6De kanalen worden moerassen, De Nijlarmen van Egypte verzanden, staan droog. Riet en bies verwelken,
6Les rivières seront infectes, Les canaux de l’Égypte seront bas et desséchés, Les joncs et les roseaux se flétriront.
7Met het oevergras langs de Nijl; En al wat de Nijl deed ontkiemen, Verdort, verwaait en verdwijnt.
7Ce ne sera que nudité le long du fleuve, à l’embouchure du fleuve; Tout ce qui aura été semé près du fleuve se desséchera, Se réduira en poussière et périra.
8De vissers klagen en treuren, Allen, die in de Nijl komen hengelen; En die de netten werpen, Zitten aan het water te kwijnen.
8Les pêcheurs gémiront, Tous ceux qui jettent l’hameçon dans le fleuve se lamenteront, Et ceux qui étendent des filets sur les eaux seront désolés.
9De vlasbewerkers staan verlegen, Spinsters en kammers bleek van ontzetting,
9Ceux qui travaillent le lin peigné Et qui tissent des étoffes blanches seront confus.
10De wevers verslagen, Alle loonarbeiders onthutst.
10Les soutiens du pays seront dans l’abattement, Tous les mercenaires auront l’âme attristée.
11Enkel dwazen zijn de vorsten van Sóan, Farao’s wijzen een domme raad; Hoe durft ge nog tot Farao zeggen: Ik ben een zoon der wijzen, der oude vorsten?
11Les princes de Tsoan ne sont que des insensés, Les sages conseillers de Pharaon forment un conseil stupide. Comment osez-vous dire à Pharaon: Je suis fils des sages, fils des anciens rois?
12Waar, waar blijven uw wijzen? Laten ze u toch eens zeggen en melden, Wat Jahweh der heirscharen Over Egypte besloot!
12Où sont-ils donc tes sages? Qu’ils te fassent des révélations, Et qu’on apprenne ce que l’Éternel des armées a résolu contre l’Égypte.
13Verdwaasd staan de vorsten van Sóan, Verbijsterd de vorsten van Nof, De stamhoofden sleuren Egypte maar rond,
13Les princes de Tsoan sont fous, Les princes de Noph sont dans l’illusion, Les chefs des tribus égarent l’Égypte;
14Want Jahweh heeft ze duizelig gemaakt. Ze laten Egypte tasten bij al wat het doet, Zoals een dronkaard in zijn uitbraaksel tuimelt;
14L’Éternel a répandu au milieu d’elle un esprit de vertige, Pour qu’ils fassent chanceler les Égyptiens dans tous leurs actes, Comme un homme ivre chancelle en vomissant.
15Geen enkel werk komt in Egypte tot stand, Van kop of staart, van palmtak of riet.
15Et l’Égypte sera hors d’état de faire Ce que font la tête et la queue, La branche de palmier et le roseau.
16Op die dag zal Egypteland Sidderen en beven als vrouwen: Voor de dreigende hand van Jahweh der heirscharen, Die Hij tegen hem opheft.
16En ce jour, l’Égypte sera comme des femmes: Elle tremblera et aura peur, En voyant s’agiter la main de l’Éternel des armées, Quand il la lèvera contre elle.
17En Juda’s bodem zal een verschrikking zijn voor Egypte; Het beeft al, wanneer er maar iemand van spreekt: Om het raadsbesluit van Jahweh der heirscharen, Dat Hij over hen heeft gewezen.
17Et le pays de Juda sera pour l’Égypte un objet d’effroi: Dès qu’on lui en parlera, elle sera dans l’épouvante, A cause de la résolution prise contre elle par l’Éternel des armées.
18Maar eens zullen er vijf steden zijn in het land van Egypte, Die Kanaäns taal zullen spreken, En aan Jahweh der heirscharen trouw zullen zweren: En één er van zal Zonnestad heten.
18En ce temps-là, il y aura cinq villes au pays d’Égypte, Qui parleront la langue de Canaan, Et qui jureront par l’Éternel des armées: L’une d’elles sera appelée ville de la destruction.
19Op die dag zal een altaar voor Jahweh staan Midden in het land van Egypte, En op zijn grenzen een zuil Ter ere van Jahweh!
19En ce même temps, il y aura un autel à l’Éternel Au milieu du pays d’Égypte, Et sur la frontière un monument à l’Éternel.
20Dit zal een teken zijn en getuige Voor Jahweh der heirscharen in het land van Egypte: Wanneer ze dan tot Jahweh roepen om hun verdrukkers, Zal Hij hun een Verlosser zenden, een Wreker, die hen zal redden.
20Ce sera pour l’Éternel des armées un signe et un témoignage Dans le pays d’Égypte; Ils crieront à l’Éternel à cause des oppresseurs, Et il leur enverra un sauveur et un défenseur pour les délivrer.
21Zo zal Jahweh zich aan Egypte openbaren, En Egypte Jahweh erkennen op die dag; Het zal Hem dienen met offers en gaven, Gelofte afleggen aan Jahweh, en trouw ze volbrengen.
21Et l’Éternel sera connu des Égyptiens, Et les Égyptiens connaîtront l’Éternel en ce jour-là; Ils feront des sacrifices et des offrandes, Ils feront des vœux à l’Éternel et les accompliront.
22Zo zal Jahweh Egypte kastijden: Het slaan ter genezing! En wanneer ze zich dan tot Jahweh bekeren, Zal Hij zich laten verbidden, en hen weer genezen!
22Ainsi l’Éternel frappera les Égyptiens, Il les frappera, mais il les guérira; Et ils se convertiront à l’Éternel, Qui les exaucera et les guérira.
23Op die dag zal er een heirbaan ontstaan Van Egypte naar Assjoer; Assjoer zal naar Egypte komen, Egypte naar Assjoer, En Egypte zal samen met Assjoer hem dienen!
23En ce même temps, il y aura une route d’Égypte en Assyrie: Les Assyriens iront en Égypte, et les Égyptiens en Assyrie, Et les Égyptiens avec les Assyriens serviront l’Éternel.
24En op die dag Zal Israël als derde Met Egypte en Assjoer een zegen ontvangen In het midden der aarde!
24En ce même temps, Israël sera, lui troisième, Uni à l’Égypte et à l’Assyrie, Et ces pays seront l’objet d’une bénédiction.
25Jahweh der heirscharen zal ze zegenen, En zeggen: Gezegend Egypte, mijn volk; Assjoer, het werk mijner handen; Israël, mijn erfdeel!
25L’Éternel des armées les bénira, en disant: Bénis soient l’Égypte, mon peuple, Et l’Assyrie, œuvre de mes mains, Et Israël, mon héritage!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.